← België

Cassatiebeschikking 15509 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/07/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.509 Rolnummer: A. 238948/VII-42004 Zaak: Cassatiebeschikking 15509 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-24 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-06 07:29 Fiche Beschikking nr 15.509 van 13 juli 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.509 van 13 juli 2023 in de zaak A. 238.948/VII-42.004 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Romy Jessen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gaarveldstraat 111 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 april 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 286.530 van 22 maart 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 juni 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Artikel 22 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bepaalt dat een einde kan worden gemaakt aan het verblijf van bepaalde onderdanen van derde landen “om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid”. Artikel 23 van dezelfde wet bepaalt dat die beslissingen “uitsluitend [zijn] gebaseerd op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en […] niet op VII-42.004-1/6 economische gronden [mogen] berusten”, dat “[h]et gedrag van de betrokkene […] een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving [moet] zijn”, dat [m]otiveringen die los staan van het betrokken individuele geval of met algemene preventieve redenen verband houden, […] niet [mogen] worden aangevoerd” en dat bij het nemen van de beslissing “rekening [wordt] gehouden met de ernst of de aard van de inbreuk op de openbare orde of de nationale veiligheid die hij heeft begaan, of met het gevaar dat van hem uitgaat, en met de duur van zijn verblijf in het Rijk” en “met het ontbreken van banden met zijn land van oorsprong, met zijn leeftijd en met de gevolgen voor hem en zijn familieleden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat in de voor hem bestreden beslissing van 23 november 2022 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) wordt verwezen naar verzoekers veroordeling tot een gevangenisstraf van 18 maanden met probatie-uitstel gedurende 3 jaar behalve wat de voorhechtenis betreft omwille van “opzettelijke slagen en verwondingen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid, met als verzwarende omstandigheid dat het misdrijf gepleegd werd ten overstaan van uw echtgenote”, naar het voldoende ernstige karakter van deze feiten zodat ze hebben geleid tot de intrekking van verzoekers subsidiaire beschermingsstatus, en naar de motieven uit de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker door het hof van beroep te Antwerpen waaronder het herhaalde karakter van de ernstige slagen en verwondingen met tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg, dit in het bijzijn van het op dat ogenblik zesjarige kind van verzoeker en zijn echtgenote. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt gemotiveerd waarom niet kan worden uitgesloten dat verzoeker zijn gedrag in de toekomst herhaalt en dat daarbij verzoekers pogingen tot tewerkstelling en verzoekers deelname aan een vormingsprogramma intrafamiliaal geweld in aanmerking worden genomen en dat daarbij wordt verwezen naar de ernst van de feiten en de opgelegde strikte probatievoorwaarden. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt uit de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing dat rekening werd gehouden met de aard en de ernst van de feiten en met de strafmaat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht het geenszins onredelijk dat in de aanvankelijk bestreden beslissing sprake is van zeer ernstige feiten, nu verzoeker zijn echtgenote gedurende jaren heeft onderworpen aan mishandeling waarbij hij haar ook tot bloedens toe sloeg en waardoor zij wegens decompensatie ook tijdelijk moest worden opgenomen in de psychiatrie. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen VII-42.004-2/6 gaat het aldus om herhaalde episodes van zwaarwichtig huiselijk geweld gedurende een zeer lange periode waarbij verzoeker geen enkele schroom kende om de feiten te plegen voor de ogen van zijn minderjarig kind dat duidelijk onder de indruk was van de feiten en waarbij niet kan worden uitgesloten dat dit traumatische gevolgen kan hebben voor het kind. Vervolgens oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op concreet gemotiveerde wijze dat in de aanvankelijk bestreden beslissing niet op onredelijke wijze of op verkeerde gronden wordt geoordeeld dat niet blijkt dat verzoeker zijn gedrag in de toekomst niet zal herhalen. Hij verwijst hiertoe onder meer naar het opgelegde contactverbod met verzoekers echtgenote, naar de voorwaardelijke opheffing van het contactverbod met het kind dat 100% bij de moeder verblijft en naar de opgelegde uitgebreide probatievoorwaarden die in de eerste plaats zijn gericht op verzoekers agressieproblematiek. In het licht van de concrete gegevens van de zaak acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “het geenszins kennelijk onredelijk te oordelen dat, wanneer verzoekende partij zich opnieuw in een gelijkaardige context als degene waarin de feiten zich hebben voorgedaan bevindt, meer bepaald wanneer zij opnieuw een relatie aangaat met een partner, thans niet blijkt dat, door het gevolgd hebben van een gedragstraining intrafamiliaal geweld van 18 uren en het zich gehouden hebben aan de overige opgelegde voorwaarden haar persoonlijkheid dermate gewijzigd is waardoor een risico op recidive is uitgesloten”, temeer daar verzoeker tijdens de beroepsprocedure tegen de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus alsnog trachtte de feiten te minimaliseren. Voorts benadrukt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat het enkele gegeven dat reeds enige tijd is verstreken sedert de gepleegde feiten niet impliceert dat de verwerende partij niet langer het bestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zou kunnen vaststellen op grond van motieven zoals vermeld in de bestreden beslissing” waarbij hij nogmaals wijst op verzoekers ingesteldheid. Hij beschouwt de in de aanvankelijk bestreden beslissing gemaakte inschatting van het risico op herhaling van de feiten, na het afwegen van alle relevante elementen, niet als onredelijk. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing rekening heeft gehouden met de in artikel 23 van de vreemdelingenwet vermelde elementen, meer bepaald of de door de verwerende partij gemaakte beoordeling beantwoordt aan de voorwaarden van die bepaling, te dezen wat de ernst en de aard van de inbreuk op de openbare orde betreft en het gevaar dat van de betrokkene uitgaat. VII-42.004-3/6 In de mate dat verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest “het gevolg [is] van een onzorgvuldige analyse van de beschikbare stukken waarbij artikel 21 iuncto artikel 23 van de vreemdelingenwet werd geschonden doordat niet blijkt dat hij actueel nog een ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving”, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “volledig onterecht [stelt] dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de gemaakte inschatting, na het afwegen van alle relevante elementen, door de verwerende partij kennelijk onredelijk is”, dat verzoeker “weldegelijk voldoende elementen heeft aangehaald waarom hij geen actuele en werkelijke en voldoende bedreiging meer vormt”, dat verzoeker “er dan ook van overtuigd [is] dat de straf het beoogde doel heeft bereikt” en dat het “onredelijk [is] om te stellen dat verzoeker misschien in de toekomst, meer bepaald indien hij opnieuw een nieuwe partner zou hebben, zich opnieuw schuldig zal maken aan partnergeweld”, vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
  3. Noch de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de door verzoeker ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Met zijn argumentatie betreffende de voorgehouden schending van die wet en die beginselen vraagt verzoeker in wezen dat de Raad van State zich als cassatierechter in de plaats zou stellen van de annulatierechter en aldus zou kennisnemen van de zaak zelf.
  4. Verzoeker verwijst in het opschrift van het eerste middelonderdeel naar artikel 7, eerste lid, 3°, en naar artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, die betrekking hebben op het bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoeker zet in dit middelonderdeel niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. De uiteenzetting in dit middelonderdeel heeft overigens enkel betrekking op de beoordeling van de beslissing tot beëindiging van verblijf.
  5. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.004-4/6 Tweede onderdeel van het enige middel
  6. Verzoeker laat gelden dat de intrekking van zijn verblijfstitel ernstige gevolgen zal hebben voor de situatie van zijn dochter, dat zijn kind en zijn ex- partner nog over een verblijfstitel in België beschikken zodat verzoekers recht op contact met zijn dochter wordt ontnomen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van het vonnis van de familierechtbank van 12 november 2021 naast zich neerlegt door te stellen dat verzoeker niet enkel een actueel gevaar voor de samenleving meer ook een actueel en ernstig gevaar voor zijn gezins- en familieleden in het bijzonder vormt, dat de feiten zich in de relationele sfeer hebben afgespeeld, dat de familierechtbank geen contactverbod met verzoekers ex-echtgenote meer heeft opgelegd en het ouderlijk gezag niet exclusief aan de ex-echtgenote heeft toegekend, dat het justitiehuis een positief eindverslag heeft opgesteld en dat, “[d]oor geen rekening te houden met bovenvermelde elementen, […] artikel 8 EVRM [werd] geschonden daar er onvoldoende gewicht toegekend werd aan het hoger belang van de minderjarige kinderen en er onterecht geoordeeld werd dat [verzoeker] nog een actueel en ernstig gevaar vormt voor zijn gezin en de samenleving”. Daardoor acht verzoeker de redelijkheidsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de beoordeling van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM) en van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet. Hij besluit dat de aanvankelijk bestreden beslissing “geen voldoende motivering [bevat] en […] tekort [komt] aan de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel die men mag verwachten in elk concreet geval” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “manifeste appreciatiefout” heeft gepleegd.
  7. Verzoeker herhaalt zijn eigen standpunt doch hij gaat voorbij aan de omstandige motivering vanaf punt 2.8 van het bestreden arrest. Deze bestaat uit een theoretische uiteenzetting wat de toetsing aan artikel 8 van het EVRM betreft, een herhaling van de relevante motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing en, in punt 2.8.3.3 van het bestreden arrest, een omstandige motivering met betrekking tot de concrete omstandigheden van de zaak en de vereiste belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM. Met die herhaling van zijn eigen standpunt toont verzoeker geen schending aan van de inhoud van artikel 8 van het EVRM doch vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. VII-42.004-5/6
  8. Ook verzoekers stelling dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een manifeste appreciatiefout heeft begaan, heeft betrekking op de beoordeling van de zaak zelf.
  9. Voor zover verzoeker opnieuw een schending van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur inroept, kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste middelonderdeel.
  10. Tot slot zet verzoeker niet anders dan met de voorgaande verworpen kritiek uiteen op welke wijze artikel 74/13 van de vreemdelingenwet zou zijn geschonden in het bestreden arrest.
  11. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  12. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  13. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 13 juli 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.004-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.