← België

Cassatiebeschikking 15510 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/07/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 14 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.510 Rolnummer: A. 239155/VII-42049 Zaak: Cassatiebeschikking 15510 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-31 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-06 07:29 Fiche Beschikking nr 15.510 van 14 juli 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.510 van 14 juli 2023 in de zaak A. 239.155/VII-42.049 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 mei 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 287.566 van 14 april 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 juni 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. Naar luid van artikel 1 F, 2, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: vluchtelingenverdrag) zijn de bepalingen van dit verdrag “niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat […] hij een VII-42.049-1/9 ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten”. Artikel 55/2 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bepaalt dat “[e]en vreemdeling wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij valt onder artikel 1 D, E of F van het Verdrag van Genève”. Naar luid van artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van dezelfde wet wordt een vreemdeling uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus “wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat […] hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd”. Deze bepalingen vormen de omzetting in het Belgische recht van de desbetreffende bepalingen van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95). Zo stelt artikel 12.2, b), van richtlijn 2011/95 dat “[e]en onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat […] hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten”. Artikel 17.1, b), van deze richtlijn voorziet dat “[e]en onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat […] hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd”. 2. In de voornoemde bepalingen gaat het telkens om een “ernstig misdrijf”, zonder dat bijkomende voorwaarden van een werkelijk, actueel en/of voldoende gevaar voor de samenleving en een evenredigheidstoets zijn opgenomen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 9 november 2010 in de gevoegde zaken C‑57/09 en C‑101/09, Duitsland tegen B. en D., met betrekking tot artikel 1 F,

  1. b)en d), van het vluchtelingenverdrag erop gewezen “dat de betrokken uitsluitingsgronden zijn ingevoerd om personen die de aan de vluchtelingenstatus verbonden bescherming onwaardig worden bevonden, van die status uit te sluiten, en om te voorkomen dat personen die ernstige misdrijven hebben begaan, dankzij de toekenning van VII-42.049-2/9 die status aan strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen ontsnappen” en dat het “[b]ijgevolg […] niet in overeenstemming [is] met dit dubbele doel, de uitsluiting van deze status afhankelijk te stellen van een actueel gevaar voor de lidstaat van ontvangst”. Waar het Hof van Justitie dus oordeelt dat de uitsluitingsgrond van artikel 1 F, b), van het vluchtelingenverdrag twee afzonderlijke doelstellingen bevat, faalt verzoekers standpunt naar recht als zou deze verdragsbepaling “eerder doel[en] op de tweede bestaansreden van de uitsluitingsgrond ex artikel 1 F, te weten het voorkomen van straffeloosheid”. Uit niets blijkt dat, zoals verzoeker nochtans voorhoudt, het voorkomen van straffeloosheid “de voornaamste bestaansreden” van het genoemde artikel 1 F is en dat de onwaardigheid om internationale bescherming te verkrijgen slechts “het tweede, bijkomstige doel” van deze verdragsbepaling is. 3. Wat de vraag betreft of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen op wettige wijze heeft geoordeeld dat in verzoekers geval sprake is van een “ernstig misdrijf”, blijkt dat dit begrip niet is gedefinieerd in de voor deze zaak relevante bepalingen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich in zijn arrest van 13 september 2018 in de zaak C-369/17, Shajin Ahmed tegen Hongarije, wel uitgesproken over het begrip “ernstig misdrijf” in artikel 17.1, b), van richtlijn 2011/95. Het Hof heeft hierbij onder meer vastgesteld dat de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus twee verschillende beschermingsregimes zijn en dat de voornoemde uitsluitingsgrond een bredere werkingssfeer heeft dan de in artikel 12.2, b), van richtlijn 2011/95 voorziene uitsluitingsgrond van de vluchtelingenstatus. Het Hof merkt op dat het voornoemde artikel 17.1, b), “immers meer algemeen een ernstig misdrijf [betreft], dus zonder dat er sprake is van beperkingen in geografische of temporele zin of met betrekking tot de aard van het misdrijf”. Het Hof heeft overwogen “dat de straf die volgens het strafrecht van de betrokken lidstaat op een misdrijf is gesteld, weliswaar bijzonder belangrijk is bij de beoordeling of er sprake is van een ernstig misdrijf” in de zin van het meergenoemde artikel 17.1, b), maar dat de bevoegde autoriteit slechts gebruik kan maken van deze uitsluitingsgrond “na met betrekking tot de individuele persoon de haar ter kennis gebrachte feiten te hebben onderzocht om uit te maken of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de daden van de betrokkene, die voor het overige voldoet aan de criteria om de gevraagde status te krijgen, onder de desbetreffende uitsluitingsgrond vallen”. Volgens het Hof “dient bij de beoordeling van de ernst van het desbetreffende misdrijf een volledig VII-42.049-3/9 onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval [uitgevoerd te worden]”. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dus dat een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval moet worden uitgevoerd om na te gaan of het om een ernstig misdrijf gaat, maar er is geen sprake van een onderzoek naar een mogelijk (actueel) gevaar voor de samenleving. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het voornoemde arrest van 13 september 2018 met verwijzing naar standpunten van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en naar het handboek met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus van het UNHCR gesteld dat de ernst van het misdrijf op grond waarvan een persoon kan worden uitgesloten van subsidiaire bescherming, wordt beoordeeld aan de hand van meerdere criteria, waaronder de aard van het gepleegde feit, de schade die is teweeggebracht, de gevolgde strafprocedure, de aard van de straf en het rekening houden met de vraag of de meeste rechterlijke instanties het gepleegde feit ook aanmerken als een ernstig misdrijf. Volgens het Hof moet bij de beoordeling van de ernst van het desbetreffende misdrijf een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval worden uitgevoerd. 4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest uitdrukkelijk naar de voormelde rechtspraak en standpunten van het EASO en het UNHCR. Vervolgens stelt hij concreet vast “dat verzoeker in Hongarije bij arrest van 13 september 2017 werd veroordeeld door de hogere beroepsrechtbank van Debrecen tot een gevangenisstraf van zes jaar, die hij heeft uitgezeten, voor mensensmokkel van 19 personen”. Hij vervolgt: “Verzoeker betwist de ernst van het door hem begane misdrijf. In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt in zijn verzoekschrift, werd verzoeker door de Hongaarse strafrechter wel degelijk beschouwd als een van de centrale figuren binnen het mensensmokkelnetwerk dat hij met zijn medeveroordeelden had opgezet (administratief dossier, map ‘Landeninformatie’, ‘Vertaling 1’, p. 29). Waar verzoeker betoogt dat door de Hongaarse strafrechter verzachtende omstandigheden in rekening werden gebracht doch dat deze niet werden gepreciseerd waarna hij aanvoert dat de context van het ‘Hongaars anti-migratiebeleid’ als een verzachtende omstandigheid moet worden beschouwd, kan hij geenszins worden bijgetreden. Nergens uit de voorliggende stukken blijkt dat de Hongaarse strafrechter het ‘Hongaars anti- migratiebeleid’ als een omstandigheid zou hebben aangenomen in hoofde van verzoeker. Er blijkt echter wel dat verzoeker niet in dezelfde mate verantwoordelijk wordt geacht als de eerste beklaagde, die een hogere straf kreeg opgelegd. De uiteenzetting in het verzoekschrift over de context van het Hongaarse migratiebeleid en de bejegening van asielzoekers in Hongarije is in casu dan ook niet relevant. Dat Hongarije reeds meermaals in gebreke werd gesteld door de Europese Commissie, VII-42.049-4/9 doet geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoeker in Hongarije werd veroordeeld voor een ernstig misdrijf in de zin van artikel 1, F(
  2. b)van de Vluchtelingenconventie. Waar verzoeker verder stelt dat rekening houden met de strafmaat op zich onvoldoende is om te bepalen of de gepleegde feiten al dan niet onder het toepassingsgebied van uitsluitingsclausules vallen, en betoogt dat rekening moet worden gehouden met de effectief opgelegde straf en hiertoe verwijst naar de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Luik (verzoekschrift, stuk 6), dient erop gewezen dat in casu geenszins louter met de aan verzoeker opgelegde gevangenisstraf van zes jaar rekening werd gehouden. Uit de hiervoor uit de bestreden beslissing geciteerde motivering blijkt immers dat tevens rekening werd gehouden met verzoekers rol binnen het mensensmokkelnetwerk. Dat er hierbij geen sprake was van ‘wapens of letsels aan personen, laat staat dodelijke wapens of ernstige letsels’, dat er mensen in gevaar werden gebracht en/of dat van ‘ernstig en herhaaldelijk crimineel gedrag’ geen sprake was, doet dan ook geen afbreuk aan de vaststelling dat de feiten - mensensmokkel - waarvoor verzoeker in Hongarije werd veroordeeld wel degelijk kunnen worden beschouwd als een ernstig misdrijf in de zin van artikel 1, F(
  3. b)van de Vluchtelingenconventie. Geen enkele rechtsregel bepaalt dat het gebruik van wapens en/of het toebrengen van lichamelijk letsel een noodzakelijke voorwaarde zouden zijn om van een ernstig misdrijf in de zin van voormeld artikel 1, F(
  4. b)te kunnen spreken. Verder blijkt uit het voorgaande dat de opgelegde strafmaat wel degelijk een van de elementen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van de ernst van een misdrijf in de zin van artikel 1, F(
  5. b)van de Vluchtelingenconventie. Verzoeker werd tot een gevangenisstraf van zes jaar veroordeeld, hetgeen in casu een van de elementen is dat mede, in samenlezing met de andere voormelde elementen, doet besluiten dat de door verzoeker gepleegde feiten kunnen worden aangemerkt als een ernstig misdrijf in de zin van voormeld artikel 1, F(b). De aangehaalde uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Luik doet hieraan geen afbreuk. Er dient te dezen immers een individuele beoordeling te worden gemaakt. Bijgevolg is verzoekers verwijzing naar een arrest van de Raad evenmin dienstig, temeer daar de precedentenwerking niet wordt aanvaard in de continentale rechtstraditie. Waar verzoeker betoogt: ‘Verder zijn er geenszins aanwijzingen dat verzoeker in casu met economische redenen en criminele doelstellingen zou hebben gehandeld’, dient erop gewezen dat zulks wel degelijk blijkt uit het arrest van de Hongaarse strafrechter. Er werd immers vastgesteld dat de feiten werden gepleegd in het kader van een criminele organisatie. Vervolgens wordt in de bestreden beslissing op goede gronden vastgesteld dat verzoeker individueel verantwoordelijk kan worden geacht voor de door hem gepleegde feiten en dat hij geen dienstige elementen aanvoert die hiervoor een verschoning zouden kunnen bieden: […] In zijn verzoekschrift voert verzoeker geen enkel concreet en inhoudelijk verweer met betrekking tot deze motieven en evenmin brengt hij enig ander, bijkomend element aan waaruit zou kunnen blijken dat zijn individuele verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde feiten anders zou moeten worden beoordeeld”. 5. Verzoekers kritiek dat, “[a]ls men verzoeker had willen uitsluiten op basis van een vermeend gevaar voor de openbare orde, dan had men zich moeten beroepen op artikelen 32 en 33 van de Conventie van Genève en niet op artikel 1F(b)”, is niet relevant. Met het bestreden arrest wordt verzoeker immers uitgesloten van de internationale VII-42.049-5/9 beschermingsstatus op grond van de artikelen 55/2 en 55/4 van de vreemdelingenwet, in de mate dat het gaat om de in artikel 1 F, b), van het vluchtelingenverdrag bedoelde uitsluitingsgrond. Hierin is geen sprake van een mogelijk gevaar voor de openbare orde, noch diende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiermee rekening te houden, hetgeen ook blijkt uit de supra aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In dit verband moet nog worden benadrukt dat het in de te dezen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toegepaste artikelen 55/2 en 55/4 van de vreemdelingenwet gaat om uitsluiting wegens een “ernstig misdrijf”. Er is geen toepassing gemaakt van artikel 52/4 van de vreemdelingenwet, dat betrekking heeft op de weigering van de vluchtelingenstatus indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een “bijzonder ernstig misdrijf”, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid. Bovendien heeft artikel 32 van het vluchtelingenverdrag betrekking op de “uitzetting” en heeft artikel 33 van dit verdrag betrekking op het “uitzetten of terugleiden” (“refoulement”) van een vluchteling. In het bestreden arrest wordt er terecht op gewezen “dat de bestreden beslissing geen terugdrijvings- of verwijderingsmaatregel betreft doch enkel een beoordeling van de door verzoeker aangehaalde nood aan internationale bescherming”, waarvan verzoeker dus wordt uitgesloten. 6. Dat rekening moet worden gehouden “met alle omstandigheden van de zaak”, houdt niet in dat verzoeker, zoals hij zelf voorhoudt, niet zou kunnen worden uitgesloten van internationale bescherming op grond van de artikelen 55/2 en 55/4 van de vreemdelingenwet iuncto artikel 1 F, b), van het vluchtelingenverdrag, enkel omdat hij zijn straf heeft uitgezeten. Dergelijke uitzondering is niet voorzien in de desbetreffende bepalingen, noch wordt ze door het Hof van Justitie van de Europese Unie op zich beschouwd als een algemene uitzondering. Het al dan niet hebben ondergaan van een opgelegde gevangenisstraf doet op zich immers niets af aan de ernst van een bepaald misdrijf. Concreet heeft verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het feit dat hij “zijn gevangenisstraf van 6 jaar volledig [heeft] uitgezeten” enkel ingeroepen in het kader van een volgens hem noodzakelijke VII-42.049-6/9 “proportionaliteitstest”, waarbij hij aanvoerde “dat aan de kant van de gevolgen de schaal van de balans zodanig zwaar geladen is dat zelfs een zwaar en ernstig misdrijf een uitsluiting in de weg zou staan” en dat, “[d]aar in casu zelfs geen sprake is van een ernstig misdrijf, […] een uitsluiting van de heer Q. dan ook onmiskenbaar buitenproportioneel [zou] zijn”. In zijn voornoemd arrest van 9 november 2010 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie echter uitdrukkelijk gesteld dat “[o]m een persoon op grond van artikel 12, lid 2, sub b of c, van richtlijn 2004/83 van de vluchtelingenstatus uit te sluiten […] geen evenredigheidstoetsing in het concrete geval [is] vereist”. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het proportionele karakter van de uitsluiting had moeten beoordelen en daarbij rekening had moeten houden met het feit dat hij de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, faalt dan ook naar recht. 7. In het licht van het voorgaande dient de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag niet te worden gesteld. Uit de relevante bepalingen en de daaraan door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven interpretatie blijkt immers duidelijk dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de opgeworpen vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden beantwoord. 8. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel 9. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar artikel 39/76 van de vreemdelingenwet, zonder verder uiteen te zetten op welke wijze de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze bepaling zou hebben geschonden met het bestreden arrest. 10. Verzoeker acht de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden omdat het gebruik van wapens en/of het toebrengen van lichamelijke letsels cruciale elementen zouden zijn voor de beoordeling als “ernstig misdrijf” en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers desbetreffende argumentatie niet zou beantwoorden. Verder zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de feiten als een “ernstig misdrijf” beschouwen zonder dit verder te motiveren met een rechtsvergelijkend onderzoek. VII-42.049-7/9 Uit de motivering van het bestreden arrest, zoals ook geciteerd in punt 4 supra, blijkt op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat te dezen sprake is van een “ernstig misdrijf”. Hij geeft hierin uitdrukkelijk aan dat “[g]een enkele rechtsregel bepaalt dat het gebruik van wapens en/of het toebrengen van lichamelijk letsel een noodzakelijke voorwaarde zouden zijn om van een ernstig misdrijf in de zin van voormeld artikel 1, F(
  6. b)te kunnen spreken”, zodat hij niet verder hoefde in te gaan op verzoekers verwijzing naar richtlijnen van het UNHCR. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van de aangegeven elementen aanneemt dat te dezen sprake is van een ernstig misdrijf, is niet vereist dat hij ook de gronden van zijn motieven aangeeft noch dat deze motieven een rechtsvergelijkend onderzoek bevatten. Tot slot geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook aan waarom hij verzoekers verwijzing naar het Hongaarse (anti-)migratiebeleid niet aanvaardt als reden waarom het te dezen niet om een “ernstig misdrijf” zou gaan, namelijk omdat “[n]ergens uit de voorliggende stukken blijkt dat de Hongaarse strafrechter het ‘Hongaars anti-migratiebeleid’ als een omstandigheid zou hebben aangenomen in hoofde van verzoeker” zodat “[d]e uiteenzetting in het verzoekschrift over de context van het Hongaarse migratiebeleid en de bejegening van asielzoekers in Hongarije […] in casu dan ook niet relevant [is]”. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. 11. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 14 juli 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. VII-42.049-8/9 De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.049-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.510 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.