id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.538 Rolnummer: A. 239380/VII-42086 Zaak: Cassatiebeschikking 15538 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/08/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-01 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 10:58 Fiche Beschikking nr 15.538 van 29 augustus 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.538 van 29 augustus 2023 in de zaak A. 239.380/VII-42.086 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Seno Devriendt kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 mei 2023, strekt tot “de vernietiging van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dd. 04/05/2023 met kenmerk RECUL 109230 waarbij werd geoordeeld dat het door [verzoekster] ingediende verzoek tot vernietiging van de beslissing van verweerster dd. 10/02/2023 (bijlage 20) (aan verzoekster op 24/03/2023 ter kennis gebracht) niet zal worden geregulariseerd met toepassing van art. 39/69 § 1 zesde lid van de Vreemdelingenwet”. Het dossier van de zaak is op 18 juli 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Het cassatieberoep is gericht tegen de door een toegevoegd griffier namens de hoofdgriffier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ondertekende brief van 4 mei 2023 waarmee aan verzoekster wordt meegedeeld dat haar beroep met toepassing van artikel 39/9, § 1, derde lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot VII-42.086-1/3 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) wordt geacht niet te zijn ingediend en dat haar verzoekschrift niet werd geregulariseerd. Naar luid van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken. De brief van de hoofdgriffier van 4 mei 2023 is geen beslissing van een rechter en derhalve geen in laatste aanleg gewezen jurisdictionele beslissing, doch vormt slechts de mededeling van het uit artikel 39/9, § 1, derde lid, van de vreemdelingenwet voortvloeiende gevolg van het niet geregulariseerd hebben van een beroepschrift zonder afschrift van de bestreden akte.
- Daarenboven werpt verzoekster in een enig middel enkel de schending op van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM) en verzoekt zij een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over de bestaanbaarheid van artikel 39/9, § 1, derde lid, van de vreemdelingenwet met artikel 6 van het EVRM. Nochtans heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds herhaaldelijk en ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing vallen van artikel 6 van het EVRM. (zie EHRM (GK) 5 oktober 2000, Maaouia/Frankrijk; EHRM (GK) 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije; EHRM 14 februari 2008, Hussain/Roemenië; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België). Verzoekster verwijst in dat opzicht vruchteloos naar ’s Raads arrest nr. 219.930 van 25 juni
- Dat arrest heeft immers betrekking op de Raad voor Vergunningsbetwistingen en dus niet op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en evenmin op een geschil betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied.
- Het cassatieberoep is kennelijk niet-ontvankelijk. VII-42.086-2/3 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 29 augustus 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.086-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.538 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div