id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.539 Rolnummer: A. 239534/VII-42114 Zaak: Cassatiebeschikking 15539 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/08/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-31 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 10:59 Fiche Beschikking nr 15.539 van 29 augustus 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.539 van 29 augustus 2023 in de zaak A. 239.534/VII-42.114 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan De Block kantoor houdend te 1060 Brussel Sint-Bernardusstraat 96-98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 juli 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 290.037 van 8 juni 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 juli 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen VII-42.114-1/4 een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt in het bestreden arrest eerst dat verzoeker ter terechtzitting “overeenkomstig artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet een aanvullende nota neer[legt] met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, een getuigenverklaring van een vriendin en een attest van het Rode Kruis”. Verder stelt hij wat verzoekers derde middel betreft vast dat verzoeker in zijn verzoekschrift wijst op zijn specifiek profiel als verwesterde Afghaan en ter terechtzitting een aanvullende nota heeft neergelegd met stukken ter staving van zijn verwesterd profiel. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen motiveert aan de hand van een aantal internationale rapporten omstandig over de situatie voor Afghanen bij terugkeer naar hun land en hij beoordeelt hierbij ook verzoekers voorgehouden profiel van een verwesterde Afghaan. Vervolgens overweegt hij: “Bij zijn aanvullende nota voegt verzoeker een arbeidsovereenkomst. Deze overeenkomst toont niet aan dat verzoeker dermate is verwesterd dat hij zich niet meer zou willen of kunnen schikken naar de in Afghanistan vigerende wetten, regels en gebruiken, dan wel dat hij als dusdanig zal worden gepercipieerd. De arbeidsovereenkomst (van onbepaalde duur) geeft immers enkel aan dat verzoeker de verbintenis is aangegaan om in België vanaf 1 augustus 2022 voltijds te werken als magazijnmedewerker, maar toont geenszins een daadwerkelijke verwestering aan, i.e. een internaliseren van westerse waarden en normen, noch kunnen deze gegevens op afdoende wijze een toegeschreven verwestering aannemelijk maken. Uit de getuigenverklaring van een vriendin die verzoeker bij zijn aanvullende nota voegt, blijkt dat verzoeker hier een netwerk heeft. Dit toont aan dat verzoeker zich aanpast aan de omstandigheden van zijn verblijf alhier, doch dit kan niet volstaan om aan te tonen dat hij zich een bepaalde levensstijl heeft eigen gemaakt waardoor er in zijn hoofde sprake is van gewijzigd gedrag, een houding of een uiterlijk die zouden kunnen worden beschouwd als fundamentele kenmerken van zijn identiteit en waarvan niet zou kunnen worden geëist dat hij deze opgeeft, noch dat deze niet te verenigen zijn met de in Afghanistan geldende beperkingen die zijn gebaseerd op de islamitische waarden en normen. Hetzelfde kan worden gesteld over het attest van het Rode Kruis dat verzoeker bij zijn aanvullende nota voegt, waaruit kan blijken dat hij op 9 november 2021 een eendaagse opleiding heeft gevolgd die als doel had om een beter begrip van bepaalde Belgische culturele gedragsregels te bevorderen en om de eerste VII-42.114-2/4 vragen van verzoekers om internationale bescherming te beantwoorden, zodat er tevens gezorgd kan worden voor een betere interactie met het personeel van de opvangstructuren.” Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een duidelijk antwoord op verzoekers standpunt in zijn aanvullende nota met de 3 voornoemde stukken, zodat voldaan is aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het eerste en het tweede onderdeel van het enige middel zijn kennelijk ongegrond.
- Verzoeker leidt een schending van het recht van verdediging af uit het feit dat uit de motieven van het bestreden arrest niet blijkt op welke wijze verzoeker zou kunnen bewijzen te beschikken over argumenten, gegevens of tastbare stukken die een ander licht kunnen werpen op de beoordeling door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Uit een voorgehouden motiveringsgebrek kan geen schending van het recht van verdediging worden afgeleid. Verzoeker beperkt zich overigens tot letterlijk dezelfde kritiek die supra bij de behandeling van het eerste en het tweede middelonderdeel kennelijk ongegrond is bevonden. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.114-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 29 augustus 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.114-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.539 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div