← België

Cassatiebeschikking 15541 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 31/08/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 31 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.541 Rolnummer: A. 239442/VII-42096 Zaak: Cassatiebeschikking 15541 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 31/08/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-31 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 11:01 Fiche Beschikking nr 15.541 van 31 augustus 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.541 van 31 augustus 2023 in de zaak A. 239.442/VII-42.096 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Joséphine Paquot kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 juni 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 289.111 van 22 mei 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 juli 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de VII-42.096-1/7 voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Op verzoekers vraag om op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te worden gehoord door een vrouwelijke rechter en te worden bijgestaan door een vrouwelijke tolk en op verzoekers argumentatie dat artikel 15 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32) van toepassing is op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omdat deze op grond van artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet een “volledige rechtsmacht” heeft, wordt in het bestreden arrest geantwoord: “Waar verzoekende partij in haar verzoekschrift verzoekt om te worden gehoord door een vrouwelijke rechter en bijgestaan te worden door een vrouwelijke tolk, en desbetreffend verwijst naar artikel 15 van voormelde richtlijn 2013/32/EU, bemerkt de Raad evenwel dat deze bepaling van de richtlijn betrekking heeft op de omstandigheden waarin een persoonlijk onderhoud dient plaats te vinden, doch dient te worden benadrukt dat de procedure voor de Raad conform artikel 39/60 van de Vreemdelingenwet hoofdzakelijk schriftelijk verloopt. De partijen en hun advocaat mogen ter terechtzitting weliswaar hun opmerkingen mondeling voordragen, doch er vindt als dusdanig geen gehoor plaats van de verzoeker om internationale bescherming voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoekende partij kan dan ook niet gevolgd worden dat deze bepaling ook van toepassing is op de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.” Uit deze motivering blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verzoek om te worden gehoord door een vrouwelijke rechter en te worden bijgestaan door een vrouwelijke tolk niet heeft ingewilligd en impliciet doch zeker ook waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dienaangaande geen prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. VII-42.096-2/7
  3. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
  4. Verzoeker wijst op de mogelijkheid om tijdens de asielprocedure te kiezen voor een persoon van hetzelfde geslacht voor het persoonlijk onderhoud en als tolk, hetgeen hij heeft gedaan en waaraan de verwerende partij gevolg heeft gegeven. Volgens hem is dit ook van toepassing op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[a]angezien het onderzoek voor de eerste rechter een volledig en ex nunc onderzoek is”. In aanwezigheid van een mannelijke rechter en een mannelijke tolk zou verzoeker zijn opmerkingen niet mondeling hebben kunnen toelichten, “[g]elet op de gevoeligheid van de gebeurtenissen die hem ertoe hebben aangezet een derde verzoek om internationale bescherming in te dienen”. Verzoeker vraagt in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of artikel 15 van richtlijn 2013/32 ook van toepassing is op het beroep bij de bevoegde rechterlijke instantie van een lidstaat.
  5. Artikel 15 van richtlijn 2013/32 heeft onder meer betrekking op de mogelijkheid voor de verzoeker om internationale bescherming om bij de beslissingsautoriteit het persoonlijk onderhoud te laten afnemen door een persoon van hetzelfde geslacht en er te worden bijgestaan door een tolk van hetzelfde geslacht. In artikel 2, f), van deze richtlijn wordt de “beslissingsautoriteit” gedefinieerd als “elk semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen”. Hieruit blijkt reeds duidelijk dat artikel 15 van richtlijn 2013/32 in beginsel geen betrekking heeft op de jurisdictionele beroepsprocedure, te dezen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dat deze laatste uitspraak te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid, doet hieraan geen afbreuk.
  6. Verder heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 16 juli 2020 in de zaak C-517/17, Milkiyas Addis tegen Duitsland, overwogen: “
  7. Daarenboven beoogt de omstandigheid dat de verzoeker ingevolge artikel 14, lid 1, en artikel 34, lid 1, van de procedurerichtlijn in de procedure in eerste aanleg in de VII-42.096-3/7 gelegenheid moet worden gesteld persoonlijk gehoord te worden alvorens de beslissingsautoriteit op zijn verzoek beslist, te waarborgen dat de behoefte aan internationale bescherming van deze verzoeker in de betrokken lidstaat vanaf deze eerste aanleg correct wordt vastgesteld, hetgeen, zoals in de overwegingen 18 en 22 van deze richtlijn wordt benadrukt, in het belang is van zowel deze lidstaat als die verzoeker, daar dit met name bijdraagt aan de doelstelling van een snelle behandeling.
  8. In deze context zij eraan herinnerd dat de procedurerichtlijn een onderscheid maakt tussen enerzijds de ‘beslissingsautoriteit’, die in artikel 2, onder f), wordt gedefinieerd als ‘elk semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen’ en anderzijds de in artikel 46 bedoelde ‘rechterlijke instantie’, die belast is met de beroepsprocedures. Daarenboven blijkt uit de overwegingen 16 en 22, artikel 4 en de algemene opzet van deze richtlijn dat de behandeling van het verzoek om internationale bescherming door een administratief of semi-rechterlijk orgaan dat beschikt over specifieke middelen en op dit gebied gespecialiseerd personeel een essentiële fase is in de bij deze richtlijn ingevoerde gemeenschappelijke procedures (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punten 103 en 116).
  9. Het Hof is niettemin reeds in de gelegenheid geweest vast te stellen dat het in artikel 46, lid 3, van de procedurerichtlijn vermelde vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden in het kader van een rechtsmiddel tevens betrekking kan hebben op de in artikel 33, lid 2, van deze richtlijn bedoelde gronden voor niet-ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming, wanneer het nationale recht dit toestaat. Ingeval de rechterlijke instantie waarbij het rechtsmiddel is ingesteld voornemens is een grond van niet- ontvankelijkheid te onderzoeken die niet is onderzocht door de beslissingsautoriteit, moet zij de verzoeker horen zodat hij, in een taal die hij beheerst, zijn standpunt over de toepasselijkheid van deze grond op zijn specifieke situatie kan uiteenzetten (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punt 130).
  10. Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat in beginsel ook de rechterlijke instantie waarbij het rechtsmiddel is ingesteld de verzoeker kan horen over de toepasselijkheid van een van de in artikel 33, lid 2, van de procedurerichtlijn genoemde gronden voor niet-ontvankelijkheid op zijn specifieke omstandigheden wanneer de beslissing tot afwijzing op deze grond is gebaseerd, maar de beslissingsautoriteit de verzoeker vooraf niet in de gelegenheid heeft gesteld hierover persoonlijk te worden gehoord.
  11. In dit verband moet echter worden opgemerkt dat het bij de artikelen 14 en 34 van de procedurerichtlijn aan de verzoeker toegekende recht om zijn standpunt over de toepasselijkheid van een dergelijke niet-ontvankelijkheidsgrond op zijn specifieke omstandigheid tijdens een persoonlijk onderhoud uiteen te zetten, gepaard gaat met specifieke waarborgen die de doeltreffendheid van dat recht moeten verzekeren.
  12. Zo komt naar voren uit artikel 15, leden 2 en 3, van de procedurerichtlijn dat het persoonlijk onderhoud moet plaatsvinden in zodanige omstandigheden dat een passende geheimhouding wordt gewaarborgd en de verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Meer bepaald wat dit laatste punt betreft, dienen de lidstaten er krachtens artikel 15, lid 3, onder a), van deze richtlijn voor te zorgen dat de persoon die het persoonlijke onderhoud afneemt, bekwaam is om rekening te houden met de persoonlijke en algemene omstandigheden die een rol spelen bij het verzoek, daaronder begrepen de culturele achtergrond, het gender, de seksuele gerichtheid, de genderidentiteit of de kwetsbaarheid van de verzoeker. Krachtens artikel 15, lid 3, onder b), van deze richtlijn is dan weer vereist dat de lidstaten, voor zover mogelijk, ervoor zorgen dat het onderhoud met de verzoeker wordt afgenomen door een persoon van hetzelfde geslacht indien de verzoeker daarom verzoekt, tenzij dit verzoek gebaseerd is op gronden die geen verband houden met moeilijkheden van VII-42.096-4/7 de verzoeker om de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen te zetten. Daarenboven verplicht artikel 15, lid 3, onder c), van deze richtlijn de lidstaten om een tolk te kiezen die in staat is de communicatie tussen de verzoeker en de persoon die het persoonlijke onderhoud afneemt goed te doen verlopen, om uitvoering te geven aan het in artikel 12, lid 1, onder b), van de procedurerichtlijn neergelegde recht om, voor zover noodzakelijk, gebruik te kunnen maken van de diensten van een dergelijke tolk om zijn eigen zaak uiteen te zetten. Krachtens artikel 15, lid 3, onder e), van die richtlijn moeten de lidstaten er dan weer voor zorgen dat een onderhoud met een minderjarige wordt afgenomen op een kindvriendelijke manier.
  13. Zoals de advocaat-generaal in de punten 106, 109 en 115 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, vormt de omstandigheid dat de Uniewetgever er niet mee heeft volstaan om in de artikelen 14 en 34 van de procedurerichtlijn op te nemen dat de verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om persoonlijk gehoord te worden, maar er bovendien voor heeft gekozen om de lidstaten specifieke en gedetailleerde regels op te leggen met betrekking tot de wijze waarop dit onderhoud moet plaatsvinden, het bewijs voor het fundamentele belang dat hij niet alleen hecht aan het feit dat een dergelijk onderhoud plaatsvindt, maar ook aan de omstandigheden waaronder dit moet worden gevoerd en die moeten worden nageleefd als voorwaarde voor de geldigheid van een beslissing waarbij een asielverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.
  14. Voorts blijkt uit de overwegingen 29 en 32 van deze richtlijn dat dergelijke omstandigheden met name beogen te verzekeren dat elke verzoeker afhankelijk van zijn geslacht en zijn specifieke situatie adequate procedurele waarborgen geniet. Welke van deze voorwaarden op de verzoeker van toepassing zijn moet dus aan de hand van zijn specifieke situatie en per geval worden bepaald.
  15. In die omstandigheden zou het onverenigbaar zijn met het nuttig effect van de procedurerichtlijn en met name van de artikelen 14, 15 en 34 ervan, indien de rechter bij wie het rechtsmiddel is ingesteld, een beslissing kan bevestigen die de beslissingsautoriteit heeft genomen zonder daarbij de verplichting na te komen om de verzoeker in de gelegenheid te stellen persoonlijk gehoord te worden over zijn verzoek om internationale bescherming, zonder dat hij zelf de verzoeker hoort met inachtneming van de in casu toepasselijke voorwaarden en fundamentele waarborgen.
  16. Zoals de advocaat-generaal in punt 103 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou het recht van de verzoeker op een persoonlijk onderhoud onder omstandigheden die de vertrouwelijkheid naar behoren waarborgen en hem in staat stellen de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen te zetten, met inbegrip van de elementen die voor de ontvankelijkheid ervan pleiten, in geen enkel stadium van de asielprocedure worden verzekerd, hetgeen een waarborg die de Uniewetgever in het kader van deze procedure als fundamenteel heeft beschouwd teniet zou doen.” Het Hof geeft hiermee duidelijk aan dat de rechter bij wie het rechtsmiddel is ingesteld tegen een beslissing van niet-ontvankelijkheid van een volgend verzoek om internationale bescherming, slechts moet voldoen aan de waarborgen van artikel 15 van richtlijn 2013/32 indien de verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld bij de beslissingsautoriteit te worden gehoord overeenkomstig de door dit artikel voorziene waarborgen (dan wel de zaak moet terugverwijzen naar de beslissingsautoriteit). VII-42.096-5/7 Te dezen blijkt uit het dossier van de zaak, hetgeen verzoeker overigens bevestigt, dat verzoeker betreffende zijn volgend (derde) verzoek om internationale bescherming en alvorens de beslissing van de verwerende partij tot niet- ontvankelijkheid van dat verzoek werd genomen, een persoonlijk onderhoud bij de verwerende partij heeft gehad, dat werd afgenomen door een vrouw en waarbij hij werd bijgestaan door een vrouwelijke tolk. Derhalve hoefde in het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet te worden voldaan aan de door artikel 15 van richtlijn 2013/32 voorziene waarborgen. Uit het voorgaande, in het bijzonder punt 62 e.v. van het geciteerde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, blijkt eveneens dat dit in de voormelde omstandigheden van de zaak geen schending vormt van het onder meer in artikel 46 van richtlijn 2013/32 voorziene recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.
  17. Gelet op het voorgaande, bestaat geen aanleiding tot het stellen van de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag, omdat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop die vraag over artikel 15 van richtlijn 2013/32 moet worden beantwoord.
  18. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  19. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  20. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 31 augustus 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter VII-42.096-6/7 Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.096-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.541 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.