id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.552 Rolnummer: A. 239517/VII-42109 Zaak: Cassatiebeschikking 15552 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-14 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 11:16 Fiche Beschikking nr 15.552 van 5 september 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.552 van 5 september 2023 in de zaak A. 239.517/VII-42.109 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sonila Tuci kantoor houdend te 1200 Brussel Vergoteplein 10B/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 juni 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 289.208 van 24 mei 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 augustus 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet VII-42.109-1/3 die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met betrekking tot de uitsluiting van de vluchtelingenstatus enerzijds overweegt dat het niet nodig is dat een verzoeker strafrechtelijk werd veroordeeld en anderzijds uit een arrest in een strafzaak afleidt dat verzoeker ontegensprekelijk individuele verantwoordelijkheid draagt bij feiten die in het Belgische strafrecht worden beschouwd als doodslag met voorbedachten rade en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig, niet-politiek misdrijf, buiten het land van toevlucht en voordat hij tot dit land was toegelaten als vluchteling, gaat het niet om een tegenstrijdige motivering. Verzoeker laat gelden dat de verwerende partij erkent dat corruptie een pijnpunt blijft in Albanië en dat hijzelf hieromtrent minstens een begin van bewijs heeft bijgebracht. In het bestreden arrest wordt echter duidelijk aangegeven, mede met verwijzing naar een aantal overwegingen uit de aangevochten beslissing van de verwerende partij, waarom te dezen geen beïnvloeding blijkt die ten nadele van verzoeker tot een oneerlijk proces in Albanië zou hebben geleid. Uit de desbetreffende overwegingen in het bestreden arrest blijkt eveneens wat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bedoelt met een “gebrek aan objectieve elementen” in verzoekers kritiek tegen de beslissing van de verwerende partij, namelijk dat verzoeker zich beperkt tot “blote beweringen”, waarna de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog ingaat op de concrete rechtsgang die verzoeker in Albanië heeft ondergaan. Verzoeker toont wat dat betreft geen motiveringsgebrek in het bestreden arrest aan.
- Met de voormelde ongegrond bevonden kritiek toont verzoeker evenmin een schending aan van artikel 48/6 van de vreemdelingenwet. In de mate dat verzoeker een nieuwe beoordeling ten gronde van de voorliggende stukken zou vragen, dient VII-42.109-2/3 te worden opgemerkt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf september tweeduizend drieëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.109-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.552 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div