id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.575 Rolnummer: A. 239686/VII-42146 Zaak: Cassatiebeschikking 15575 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-31 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 11:27 Fiche Beschikking nr 15.575 van 8 september 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.575 van 8 september 2023 in de zaak A. 239.686/VII-42.146 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 juli 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 290.891 van 23 juni 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 11 augustus 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 48/4, § 2, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) voert verzoeker aan dat hij voor de Raad voor VII-42.146-1/8 Vreemdelingenbetwistingen heeft verwezen naar zijn persoonlijke situatie, die niet of alleszins onvoldoende werd beoordeeld in het bestreden arrest. Concreet laat verzoeker gelden: “Verzoeker wees op de actuele situatie in Afghanistan (de machtsovername door de taliban) en zijn persoonlijke situatie, in het bijzonder zijn langdurig verblijf in het buitenland sinds zijn vertrek meer dan twee jaar geleden) en - in het bijzonder - Europa. Verzoeker is tevens verwesterd geraakt doorheen zijn jarenlange verblijf in Europa een geenszins vertrouwd met de heersende gewoonten in Afghanistan. Verzoeker heeft door zijn jarenlange afwezigheid uit Afghanistan geen ervaring of kennis meer over hoe hij zich dient te gedragen in deze (sterk veranderde) samenleving. Verzoeker heeft zich hierdoor een levensstijl eigen gemaakt die in sterk contrast staat met de heersende waarden en normen in Afghanistan, minstens wordt verzoeker als een "westerling" beschouwd door zijn persoonlijke achtergrond bij een terugkeer naar Afghanistan. Verzoeker had een zeer beperkte bezigheid tijdens zijn verblijf in Afghanistan. Hij gaf aan dat hij werkte in de boomgaard van zijn familie, iets waar zijn vader zich ook op heeft toegelegd (vraag 95: ‘Wat is het beroep van uw vader? Mijn vader had een zwakke mentale gezondheid en hij deed niks anders dan zich enkel bezighouden met de boomgaard’). Verzoeker volgde derhalve het voorbeeld van zijn vader (vraag 83: ‘Had u een beroep of bezigheid in Afghanistan? Nee, ik ging alleen naar school en daarna ging ik naar huis en daar bleef ik gewoon en was werkloos’ en vraag 84: ‘Wat deed u voor dat u naar school ging? Ik was gewoon werkloos, naast ons huis hadden we een boomgaard van appels en ik ging soms daar om bezig te houden, om te zorgen voor irrigatie’). Verzoeker had ook zelf weinig contacten in zijn regio, zoals hij aangaf tijdens het persoonlijk onderhoud. Deze persoonlijke omstandigheden werden niet beoordeeld in het bestreden arrest in toepassing van artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet.”
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest met betrekking tot de voormelde door verzoeker aangehaalde elementen het volgende: “In casu maakt verzoeker geenszins aannemelijk dat hij zich dermate westerse waarden en normen daadwerkelijk heeft eigen gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan om deze reden problemen zal kennen onder het talibanregime en zijn huidige wetgeving, voorschriften, gebruiken en aanbevelingen. Enig internaliseren van westerse waarden en normen wordt niet in concreto aangetoond. Een louter door tijdsverloop ontwikkelde westerse levensstijl is in beginsel geen afdoende reden om te worden erkend als vluchteling, tenzij verzoeker aannemelijk maakt dat deze levenswijze bijzonder belangrijk is voor hem en een wezenlijk bestanddeel vormt van zijn identiteit of zijn morele integriteit. Het komt aan verzoeker toe om dit aan te tonen, met name dat hij bepaalde concrete gebruiken of elementen van een levensstijl heeft aangenomen die deel uitmaken van of dermate fundamenteel zijn voor zijn identiteit of morele integriteit dat er van hem niet mag worden verwacht VII-42.146-2/8 dat hij afziet van dit gedrag of deze levenswijze opgeeft dan wel aanpast om problemen te ontlopen wegens het niet naleven van de heersende regels en normen binnen de huidige Afghaanse samenleving, zoals vormgegeven door de taliban. Verzoeker blijft daartoe evenwel in gebreke. Door louter erop te wijzen dat hij een zeer beperkte bezigheid had in Afghanistan, namelijk het werk in de boomgaard en weinig contacten had in de regio, en thans westerse gedragingen heeft, maakt verzoeker geenszins concreet aannemelijk dat hij om deze reden zal worden gepercipieerd als verwesterd en bij terugkeer naar Afghanistan zal worden vervolgd. Hoger werd reeds vastgesteld dat verzoeker deelnam aan het maatschappelijke leven in zijn regio, waardoor hij niet kan aantonen dat hij door zijn jarenlange afwezigheid geen ervaring of kennis meer heeft over hoe hij zich dient te gedragen. Bovendien verklaarde verzoeker dat de taliban aanwezig was in zijn dorp, regels oplegde en het dorp onder controle had (Notities van het persoonlijk onderhoud, vragen, 55 en 56), waardoor verzoeker rechtstreeks geconfronteerd is geweest met de regels en standpunten van de taliban. Waar ter terechtzitting een aanvullende nota wordt neergelegd met documenten betreffende zijn werk en scholing, wordt vastgesteld dat wat verzoeker heden uiteenzet te summier en te beperkt is alsook de nodige verdere stoffering, onderbouwing, concretisering en uitwerking missen om enige (toegeschreven) verwestering aannemelijk te maken. Er kan niet blijken dat verzoeker zich een bepaalde levensstijl heeft eigen gemaakt waardoor er sprake is van gewijzigde opvattingen, een gedrag, een houding of een uiterlijk die zouden kunnen worden beschouwd als fundamentele kenmerken van zijn identiteit en waarvan niet zou kunnen worden geëist dat hij deze opgeeft, noch dat deze niet te verenigen zijn met de in Afghanistan geldende beperkingen die zijn gebaseerd op de islamitische waarden en normen, zoals vormgegeven door de taliban. Verzoeker laat na om in concreto aan te tonen dat hij zich ondertussen westerse gedragingen of opvattingen eigen heeft gemaakt. De Raad wijst erop dat blijkens de beslissing die hem werd betekend door de Dienst Voogdij dat verzoeker op 23 juli 2021 ouder is dan achttien jaar, vermoedelijk 20,45 jaar met een standaarddeviatie van 1,52 jaar, waardoor moet worden aangenomen dat verzoeker bij zijn vertrek uit Afghanistan op 9 januari 2021 minimum achttien jaar was. In onderhavig verzoekschrift geeft verzoeker, middels de opgave van een geboortedatum van 1 januari 2002, zelfs te kennen dat hij bij vertrek uit Afghanistan in januari 2021 negentien jaar oud was en bijgevolg al gevormd was naar de Afghaanse waarden en normen. Verzoeker toont niet aan dat hij de Afghaanse gebruiken, waarden en normen waarin hij is opgegroeid heden niet langer kent. De duur van zijn verblijf in België is verder zo kort dat niet kan worden aangenomen dat verzoeker dermate is verankerd in de Belgische samenleving dat hij geen sterke voeling meer zou hebben met zijn land van herkomst en niet langer bekend zou zijn met de Afghaanse normen en waarden, mede gelet op zijn verklaring dat hij nog contact heeft gehad met zijn familie (Notities van het persoonlijk onderhoud, p. 11), dat hij naar de moskee ging, dat hij naar school ging en hielp in de boomgaard (Notities van het persoonlijk onderhoud, p. 7, 8). Met een verwijzing naar zijn loutere verblijf in het Westen, zonder verdere concrete invulling daarvan, maakt verzoeker geenszins concreet aannemelijk dat hij daadwerkelijk is verwesterd, noch dat hij om deze reden zal worden gepercipieerd als verwesterd en bij terugkeer naar Afghanistan zal worden vervolgd. Verzoeker toont aldus niet aan dat hij zich een bepaalde levensstijl heeft eigen gemaakt waardoor er in zijn hoofde sprake is van gewijzigd gedrag, een houding of een uiterlijk die zouden kunnen worden beschouwd als fundamentele kenmerken van zijn identiteit en waarvan niet zou kunnen worden geëist dat hij deze opgeeft, noch dat VII-42.146-3/8 deze niet te verenigen zijn met de in Afghanistan geldende beperkingen die zijn gebaseerd op de islamitische waarden en normen. De Raad besluit dat verzoeker niet in concreto aanduidt dat er in zijn hoofde heden sprake zou zijn van persoonlijke uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk te veranderen of te verhullen kenmerken of gedragingen. Nergens uit zijn verklaringen is verder gebleken dat verzoeker bij een terugkeer naar Afghanistan ook werkelijk problemen zal kennen omwille van het feit dat hij er een tijd niet heeft gewoond. Gelet op het voorgaande maakt verzoeker bijgevolg niet aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Afghanistan beschouwd zal worden als iemand die de sociale normen niet respecteert en dat hij in die zin een risico loopt om vervolgd te worden. Verder maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij voor zijn vertrek uit Afghanistan reeds in die mate in het vizier is gekomen dat hij in de specifieke negatieve aandacht stond van de taliban. Evenmin zijn er andere indicaties die daarop wijzen. Nu niet aannemelijk wordt gemaakt dat verzoeker Afghanistan verliet omwille van persoonlijke problemen met de taliban, zoals hierboven vastgesteld, blijkt niet dat hij bij terugkeer naar dit land omwille van een vooraf bestaand probleem met de taliban of zijn lokale gemeenschap een risico zou lopen om te worden geviseerd door de taliban. In zoverre verzoeker verwijst naar het leven onder taliban-bewind, wijst de Raad er nog op dat een vrees voor vervolging (of een reëel risico op het lijden van ernstige schade) in concreto moet worden aangetoond. Uit de landeninformatie in het rechtsplegingsdossier blijkt weliswaar dat er in Afghanistan een repressief regime van kracht is, waarbij de sharia wordt ingevoerd en geïmplementeerd en lijfstraffen, willekeurige aanhoudingen, ontvoeringen en moorden plaats grijpen, doch niet dat er sprake is van groepsvervolging waarbij alle Afghaanse mannen het slachtoffer worden van vervolging of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing door de taliban. Door in het verzoekschrift louter te verwijzen naar algemene landeninformatie zonder deze informatie op zijn persoonlijke situatie te betrekken, toont verzoeker dit ook niet aan. Gelet op zijn individuele omstandigheden kan in casu niet worden aangenomen dat verzoeker dient te vrezen voor vervolging of ernstige schade omwille van een terugkeer uit Europa en/of een (toegeschreven) verwestering.”
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit aldus op omstandige en concreet onderbouwde wijze dat verzoeker, “[d]oor louter erop te wijzen dat hij een zeer beperkte bezigheid had in Afghanistan, namelijk het werk in de boomgaard en weinig contacten had in de regio, en thans westerse gedragingen heeft”, geenszins concreet aannemelijk maakt dat hij om deze reden zal worden gepercipieerd als verwesterd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de door verzoeker aangehaalde elementen wel degelijk onderzocht en beoordeeld, ook met betrekking tot het gevaar voor ernstige schade bij een terugkeer naar Afghanistan. Net omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers voorgehouden verwesterd profiel, minstens de perceptie in Afghanistan als verwesterd persoon, niet aanvaardt, hoefde hij niet nader in te gaan op de vraag of verzoeker ingevolge dat profiel een verhoogd persoonlijk risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, VII-42.146-4/8 c), van de vreemdelingenwet zou lopen. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet aangegeven waarom hij een groter risico op de voormelde schade zou lopen ingevolge de persoonlijke omstandigheid dat hij slechts wat heeft gewerkt in de boomgaard van zijn vader. In het licht van zijn supra geciteerde overwegingen kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich met betrekking tot diezelfde elementen in het licht van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet, na de algemene situatie te hebben beoordeeld, beperken tot de vaststelling “dat verzoeker geen persoonlijke omstandigheden aantoont die voor hem het risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de Vreemdelingenwet verhogen”. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van deze laatste bepaling noch van artikel 149 van de Grondwet.
- Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoeker voert aan dat het gehoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken (hierna: DVZ) snel werd opgesteld, dat een controle op het verloop van het gesprek nagenoeg onbestaande is, dat verzoekers handtekening op de handgeschreven (ingevulde) vragenlijst ontbreekt, dat hij verder wel zijn handtekening heeft geplaatst toen het hem werd gevraagd, dat de bewijswaarde van het gehoorverslag van de DVZ “bijzonder relatief” is en dat vermeende verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en het onderhoud op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: CGVS) daarom niet van aard zijn om de geloofwaardigheid te ontnemen van zijn asielrelaas. Verzoeker herhaalt zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde kritiek doch hij ontkracht daarmee niet de volgende vaststellingen in het bestreden arrest: “Waar verzoeker in het verzoekschrift de bewijswaarde van de vragenlijst van de Dienst Vreemdelingenzaken in twijfel trekt, dient opgemerkt te worden dat hij niet verder komt dan het uiten van algemene kritiek hierop zonder hierbij concrete elementen aan te halen. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de vaststellingen van de bestreden beslissing onder meer gesteund zijn op zijn verklaringen die hij bij de Dienst Vreemdelingenzaken heeft afgelegd en dit meer bepaald in ‘Administratief dossier – Niet-begeleide Minderjarige Vreemdeling, Familie; Verklaring DVZ, 17)’. Waar VII-42.146-5/8 verzoeker stelt dat zijn handtekening niet aangebracht werd op de vragenlijst van de Dienst Vreemdelingenzaken, stelt de Raad vast dat de bestreden beslissing geheel niet gesteund is op de vragenlijst bij de Dienst Vreemdelingenzaken, maar wel op zijn verklaringen zoals opgetekend in de ‘Verklaring DVZ’, waarin verzoekers handtekening wel degelijk staat. Overigens kan met één blik op de vragenlijst meteen worden opgemerkt dat verzoekers handtekening ook hierop werd vermeld. Waar verzoeker verder stelt dat hij bij de Dienst Vreemdelingenzaken niet werd bijgestaan door een vertrouwenspersoon of raadsman, hij volledig op zichzelf aangewezen was en de taal niet spreekt en dat hij volledig afhankelijk was van de persoon van de Dienst Vreemdelingenzaken, wijst de Raad erop dat er het interview in het Pashtou-Engels verliep. Het Pashtou is de taal waarvan verzoeker uitdrukkelijk heeft aangegeven deze voldoende te beheersen om de problemen die geleid hebben tot zijn vlucht te verwoorden en hierover vragen te beantwoorden (Verklaring betreffende procedure).” Verder behoort de beoordeling van de bewijswaarde van stukken en de opgenomen verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de rechter ten gronde. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag zich dan ook niet uit te spreken over de impact van de verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en bij het CGVS op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
- Verzoeker voert aan dat het verslag van de DVZ volgens het bestreden arrest “tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid” geniet. Hij acht dit in strijd met artikel 51/10 van de vreemdelingenwet. Zoals supra reeds vastgesteld, ontkracht verzoeker niet de vaststelling in het bestreden arrest dat het gehoorverslag van de DVZ door hem werd ondertekend. Voor zover verzoeker de inhoud betwist van het stuk dat zijn handtekening draagt, in de zin dat het geen getrouwe weergave zou vormen van zijn verklaringen, berust de bewijslast bij verzoeker zelf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook op wettige wijze dienaangaande te oordelen: “De verklaring geniet, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid. Verzoeker mag bewijzen dat hij hetgeen in het verslag werd neergeschreven op een andere manier heeft gezegd. Hij dient deze beweringen evenwel te ondersteunen met concrete en pertinente gegevens. Echter slaagt verzoeker er niet in zijn beweringen dienaangaande hard te maken. Door zich louter af te vragen of deze opgetekende verklaringen wel een getrouwe weergave zijn van wat hij heeft gezegd, nu er geen advocaat bij aanwezig was en hij de taal niet spreekt, toont verzoeker niet aan dat er fouten zijn gebeurd en dat de beslissing VII-42.146-6/8 hierdoor mogelijk anders zou zijn. Zijn verklaringen werden aan hem voorgelezen in het Pashtou en hij heeft deze voor akkoord ondertekend zonder gebruik te maken van de mogelijkheid om eventuele correcties aan te brengen (zie verklaring DVZ 4 november 2021). Daarenboven blijkt dat verzoeker bij de aanvang van zijn persoonlijk onderhoud bij het Commissariaat-generaal geen opmerkingen formuleerde inzake het verloop van het gehoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Integendeel gaf hij er expliciet aan dat hij, weliswaar kort, alle essentiële elementen heeft weergegeven waarom hij een verzoek om internationale bescherming indiende en stelde hij ook de tolk bij de DVZ goed te hebben begrepen (Notities van het persoonlijk onderhoud, p. 3). Dat verzoeker, na te zijn geconfronteerd met de negatieve bestreden beslissing, hierop terugkomt en laat uitschijnen dat zich bij de Dienst Vreemdelingenzaken allerlei problemen zouden hebben voorgedaan waardoor zijn verklaringen aldaar bewijswaarde en geldingskracht ontberen, is derhalve niet ernstig.”
- Verzoeker verwijst naar artikel 48/6 van de vreemdelingenwet maar hij beperkt zich tot het uiteenzetten van de inhoud van deze bepaling, zonder een voorgehouden schending ervan op enige wijze concreet te koppelen aan het bestreden arrest
- Verzoeker verwijst naar het privilège du préalable, dat volgens hem niet geldt voor de vragenlijst van de DVZ. Met de overweging dat het gehoorverslag van de DVZ tot bewijs van het tegendeel een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid geniet, spreekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet uit over de wettigheid ervan als zou het gaan om een administratieve beslissing doch enkel over dit stuk als bewijselement, meer bepaald wat de mogelijkheid van tegenbewijs tegen de inhoud ervan betreft. In het bestreden arrest wordt overigens nergens melding gemaakt van het privilège du préalable. Verzoekers kritiek berust in deze mate op een foutieve lezing van het bestreden arrest.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.146-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 8 september 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.146-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.575 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div