← België

Cassatiebeschikking 15582 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/09/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.582 Rolnummer: A. 239801/VII-42163 Zaak: Cassatiebeschikking 15582 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/09/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-09-13 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 11:36 Fiche Beschikking nr 15.582 van 12 september 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.582 van 12 september 2023 in de zaak A. 239.801/VII-42.163 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Lien kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 augustus 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 291.531 van 6 juli 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 augustus 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekster wijst erop dat artikel 47/3, § 2, 2°, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) letterlijk bepaalt dat “de documenten die aantonen dat het [in artikel 47/1, 2° van die wet bedoelde] andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst” en VII-42.163-1/4 dat “bij ontstentenis hiervan, […] het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen [kan] worden met elk passend middel”. Volgens haar blijkt uit het door haar bijgebrachte attest van de lokale Marokkaanse overheid “dat verzoekster enerzijds behoeftig is en anderzijds ten laste is van de referentiepersoon”. Zij acht artikel 47/3 van de vreemdelingenwet geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onterecht meent dat gedaagde een zeer hoge bewijslast mag opleggen aan verzoekster door arbitrair te besluiten dat gedaagde mee[r] concrete elementen mag opvragen zonder duidelijk te maken welke deze zijn” en “daarmee goedkeurt dat gedaagde om het even wat kan vragen”.
  2. Het ten laste zijn is een feitelijke situatie en die situatie moet ook blijken uit het kwestieuze document. Dat het door verzoekster bijgebrachte stuk uitgaat van “de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst”, zoals bepaald in artikel 47/3 van de vreemdelingenwet, verhindert niet dat de verwerende partij vermocht de bewijswaarde van de voorgelegde stukken te beoordelen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarop een marginale toetsing uitvoert. Hij kon dus op wettige wijze oordelen dat het niet onredelijk was om in de aanvankelijk bestreden beslissing te stellen dat het door verzoekster voorgelegde attest, afkomstig van de lokale Marokkaanse autoriteiten, op zich niet volstaat aangezien het niet duidelijk is op basis van welke concrete gegevens deze autoriteiten zijn gekomen tot de daarin gedane vaststelling. Met betrekking tot de beoordeling van het door verzoekster bedoelde stuk waaruit haar behoeftigheid en haar ten laste zijn van de referentiepersoon zouden blijken, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “2.
  3. Verweerder stelt enerzijds vast dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen in het land van herkomst ten laste te zijn geweest van haar Nederlandse broer. Verzoekster heeft in dit verband een ‘certificat administrative d’indigence nr. 112’ overgemaakt, opgesteld op 4 maart 2022 door de Marokkaanse autoriteiten. Dit stuk bevindt zich samen met een Franse vertaling in het administratief dossier. Hierin kan worden gelezen dat verzoekster een behoeftig persoon was (‘une personne indigente’) en ten laste was van haar broer met wie ze een afhankelijkheidsrelatie had (‘qu’elle était à charge de son frère A.D., avec qu’elle avait [sic] une relation de dépendance [...]’), en dit tot aan haar vertrek naar België in februari
  4. Concreet motiveert verweerder met betrekking tot dit voorgelegde ‘certificat administrative d’indigence nr. 112’ als volgt: ‘echter, de stelling dat betrokkene ten laste viel van de referentiepersoon wordt niet gestaafd door enige bijkomende, objectieve en verifieerbare documenten. Dit attest wordt dan ook beschouwd als een verklaring op eer, welke niet kan aanvaard worden als afdoende bewijs in het kader van de huidige aanvraag gezinshereniging.’ VII-42.163-2/4 Verderop in de bestreden bijlage 20 kan ook nog worden gelezen: ‘Voor zover betrokkene en de referentiepersoon wensen aan te tonen dat betrokkene voorafgaand aan de huidige aanvraag gezinshereniging en reeds van in het land van herkomst ten laste was van de referentiepersoon, dient opgemerkt te worden dat louter de voorgelegde documenten niet kunnen aanvaard worden als afdoende bewijs dat betrokkene effectief onvermogend was in haar land van herkomst of origine voor haar komst naar België. Er werden daarnaast geen objectieve, verifieerbare bewijzen voorgelegd waaruit blijkt dat betrokkene voorafgaand aan de aanvraag en reeds van in het land van herkomst of origine enige steun ontving vanwege de referentiepersoon. De voorgelegde attesten kunnen, zoals reeds gemotiveerd, niet aanvaard worden als afdoende bewijs in het kader van de huidige aanvraag gezinshereniging, en doen geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen.’ 2.
  5. Aldus motiveert verweerder, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, wel degelijk waarom hij het ‘certificat administrative d’indigence nr. 112’, opgesteld op 4 maart 2022 door de Marokkaanse autoriteiten, beschouwt als een verklaring op eer en verduidelijkt hij tot tweemaal toe waarom het niet kan dienen als afdoende bewijs dat verzoekster afhankelijk was van de materiële en/of financiële steun van de referentiepersoon om te voldoen aan haar basisbehoeften. Met name blijkt niet op basis van welke concrete, objectief verifieerbare gegevens de Marokkaanse autoriteiten hebben vastgesteld dat verzoekster ten laste was van de referentiepersoon. De Raad kan verzoekster dan ook niet volgen waar zij betoogt dat dit ‘ontspruit […] aan de fantasie’ van verweerder ‘die kost wat kost de aanvraag van verzoekster niet wenst goed te keuren’ en dat er sprake zou zijn van ‘kwade trouw’ van verweerder. 2.
  6. Het ten laste zijn is niet bewezen op de enkele grond dat dienaangaande een document wordt bijgebracht dat uitgaat van de bevoegde overheden. Het ten laste zijn is een feitelijke situatie en die situatie moet ook blijken uit het kwestieuze document (cf. RvS 26 februari 2021, nr. 14.236 (c)), quod non in casu. Nergens wordt door de Marokkaanse autoriteiten verduidelijkt op basis van welke feitelijke elementen ze tot de conclusie komen dat verzoekster in Marokko ten laste was van haar Nederlandse broer. Verweerders beoordeling is dan ook geen kennelijk onredelijke beoordeling. Verzoeksters betoog getuigt vooral van onbegrip maar dit kan geen aanleiding geven tot de nietigverklaring van de bestreden bijlage
  7. Dezelfde vaststelling geldt voor verzoeksters eigen visie op haar zaak dat ze ‘het bewijsniveau’ te dezen heeft gehaald. 2.
  8. Waar verzoekster opwerpt dat zij het raden heeft naar welke bijkomende objectieve en verifieerbare documenten zij dan concreet moet voorleggen, wijst de Raad erop dat van verweerder niet kan worden verwacht dat hij dit gaat duiden in de bestreden bijlage
  9. Het bewijs van ten laste zijn kan met elk passend middel worden geleverd. Het is aan verzoekster om documenten hierover over te leggen en aan verweerder om deze te beoordelen, wat hij in casu heeft gedaan.”
  10. Uit de voorgaande motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet aangeeft waarom hij het niet onredelijk acht het door verzoekster bijgebrachte Marokkaanse attest van 4 maart 2022 niet te aanvaarden als bewijs van de voorgehouden behoeftigheid en het voorgehouden ten laste zijn. Door te verwijzen naar de noodzaak van “concrete, objectief verifieerbare gegevens” die echter ontbreken, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook aan waarom het door verzoekster bijgebrachte stuk niet volstaat. VII-42.163-3/4 Daarmee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen bewijslast opgelegd die in strijd is met artikel 47/3, § 2, van de vreemdelingenwet of met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft hij evenmin “arbitrair” een besluit genomen en heeft hij ook niet goedgekeurd dat de verwerende partij “om het even wat” zou kunnen vragen.
  11. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  12. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  13. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf september tweeduizenddrieëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.163-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.582 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.