← België

Cassatiebeschikking 15631 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/10/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 oktober 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.631 Rolnummer: A. 240088/VII-42211 Zaak: Cassatiebeschikking 15631 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/10/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-31 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-11 01:08 Fiche Beschikking nr 15.631 van 24 oktober 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.631 van 24 oktober 2023 in de zaak A. 240.088/VII-42.211 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Blomme kantoor houdend te 8820 Torhout Vredelaan 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 september 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 292.926 van 18 augustus 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 13 oktober 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. In het bestreden arrest wordt over de door verzoekster opgeworpen schending van artikel 52, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 VII-41.828-1/4 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenbesluit) onder meer geoordeeld: “Het door verzoeker geschonden geachte artikel 52, §4 van het Vreemdelingenbesluit kan evenmin leiden tot een andersluidend oordeel. Zoals gezegd is het kernpunt van artikel 42, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet dat een recht op verblijf slechts kan worden erkend indien blijkt dat werd voldaan aan de gestelde voorwaarden voor de erkenning van het verblijfsrecht. Geen enkele bepaling hierin regelt de gevolgen van de overschrijding van de erin vermelde termijn van zes maanden die de overheid heeft om uitspraak te doen over de aanvraag tot verblijf van meer dan drie maanden. In een koninklijk besluit kan dan ook niet worden bepaald dat een recht op verblijf, na het verstrijken van een termijn, steeds automatisch dient te worden erkend terwijl de wetgever heeft vastgelegd dat dit recht slechts kan worden erkend indien blijkt dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Aangezien artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen, houden de voorgaande vaststellingen in dat verzoeker niet nuttig kan verwijzen naar artikel 52, § 4, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit. De reglementaire bepaling waarvan de onwettigheid wordt vastgesteld moet door de Raad immers buiten toepassing worden gelaten (RvS 20 december 2017, nr. 240.240).”
  3. Artikel 42, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) luidt: “Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.” Artikel 52, § 4, tweede lid, van het vreemdelingenbesluit bepaalt: “Indien de Minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of als er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42, van de wet, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een ‘verblijfkaart van een familielid van een burger van de Unie’ overeenkomstig het model van bijlage 9 af.” Artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet stelt dus als algemene regel dat een erkenning van het recht op verblijf van meer dan drie maanden dient te gebeuren binnen de 6 maanden volgend op de datum van de indiening van de aanvraag en VII-41.828-2/4 dat de Koning de voorwaarden voor de erkenning en de duur van het verblijfsrecht bepaalt. Deze bepaling voorziet echter niet welke de gevolgen zijn indien de voormelde termijn van 6 maanden wordt overschreden, noch geeft ze de Koning de bevoegdheid om de gevolgen van een overschrijding van die termijn te bepalen. Artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit vindt wat dat betreft geen rechtsgrond in artikel 42 van de vreemdelingenwet
  4. Gelet op het voorgaande, faalt verzoekers kritiek naar recht als zou uit artikel 42 van de vreemdelingenwet en/of artikel 54, § 4, tweede lid, van het vreemdelingenbesluit een verplichting volgen voor de verwerende partij om een verblijfskaart af te geven na het verstrijken van de termijn zes maanden na het indienen van de aanvraag tot gezinshereniging, voor zover binnen die termijn geen beslissing is genomen.
  5. Wanneer verzoekster een schending van artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit inroept, vermag de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor de beoordeling van verzoeksters kritiek die bepaling te toetsen aan een hogere rechtsnorm, zonder dat verzoekster daartoe zelf expliciet een schending van artikel 159 van de Grondwet opwerpt.
  6. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
  7. In het bestreden arrest wordt verzoeksters enige middel ongegrond bevonden door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en wordt het beroep tot nietigverklaring verworpen, samen met de vordering tot schorsing als accessorium van dat beroep. Uit de beoordeling van het eerste cassatiemiddel supra blijkt dat verzoeksters kritiek tegen de verwerping van haar middel door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ongegrond is. Verzoekster kan dan ook niet dienstig opwerpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen haar argumentatie wat de gevraagde schorsing betreft “al te gemakkelijk [heeft] afgewezen”. VII-41.828-3/4
  8. Het tweede middel is kennelijk onontvankelijk. BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  10. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 24 oktober 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.828-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.