id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.649 Rolnummer: A. 240316/VII-42237 Zaak: Cassatiebeschikking 15649 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 15:08 Fiche Beschikking nr 15.649 van 8 november 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.649 van 8 november 2023 in de zaak A. 240.316/VII-42.237 In zake : XXXXX wonende te 9700 Eine Nestor de Tierenstraat 94 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Shalie Rodoma Azama kantoor houdend te 1000 Brussel Square de Meeûs 38-40 tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ------------------------------------------------------------------------------------------------------ Het cassatieberoep, ingesteld op 17 oktober 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 294.195 van 15 september 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 oktober 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-42.237-1/4 A. Eerste middel
- De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak heeft gedaan over verzoekers beroep tegen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus.
- De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Hij is derhalve niet bevoegd om te oordelen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een “kennelijke beoordelingsfout” heeft begaan.
- Voor zover verzoeker met een “onnauwkeurige motivering” een schending van de in artikel 149 van de Grondwet opgenomen jurisdictionele motiveringsplicht zou bedoelen met betrekking tot bepaalde door verzoeker ingediende stukken, dient te worden opgemerkt dat verzoeker nalaat aan te geven welke stukken hij precies bedoelt. Verder wordt in punt 5 van het bestreden arrest concreet ingegaan op een aantal door verzoeker bijgebrachte documenten en wordt in punt 6 vastgesteld “dat verzoeker in voorliggend verzoekschrift geen concreet verweer voert tegen de motieven van de bestreden beslissing met betrekking tot de door hem in de loop van de administratieve procedure overige neergelegde documenten (Kameroens paspoort, Oekraïense verblijfkaart) zodat de Raad om dezelfde redenen als de commissaris-generaal deze stukken niet in aanmerking neemt als bewijs van de door hem voorgehouden nood aan internationale bescherming”. Verzoeker geeft niet in het minst aan en toont derhalve evenmin aan op welke wijze deze motivering zou tekortschieten in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.237-2/4 B. Tweede middel
- In de mate dat verzoeker verwijst naar “de zorgplicht van de bestuursorganen” dient te worden opgemerkt dat de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
- Een cassatiemiddel dient nauwkeurig te worden ontwikkeld. Het volstaat niet te verwijzen naar geschonden geachte bepalingen, er moet ook duidelijk worden aangegeven welke motieven in het bestreden arrest die bepalingen schenden en op welke wijze. In de mate dat verzoeker verwijst naar de “Litigation Council” en “motiveringen van de Algemene Commissie” is dat niet het geval. In de mate dat verzoeker de beoordeling onjuist acht dat het in Kameroen gaat om een plaatselijk conflict tussen Engelstaligen en Franstaligen, vraagt hij in een wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is. In de mate dat verzoeker aanvoert dat vervolging geen systematisch karakter hoeft te hebben, richt hij zich tegen één enkel woord maar gaat hij voorbij aan het geheel van de desbetreffende motivering en aan het onderzoek van een mogelijk intern vestigingsalternatief. Ook waar verzoeker artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ geschonden acht omdat hij heeft aangegeven dat zijn vader op 1 maart 2018 werd ontvoerd en er dus geen reden meer is om aan te nemen dat deze vervolging niet meer zal plaatsvinden, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, daargelaten de vaststelling dat verzoeker eraan voorbijgaat dat de voorgehouden ontvoering niet geloofwaardig is bevonden in het bestreden arrest
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. C. Derde middel VII-42.237-3/4
- Ook het hoorrecht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Het is een raadsel wat verzoeker bedoelt met “het voorlaatste artikel 11 § 2”, waarbij hij nergens aangeeft om welke regelgeving het zou gaan.
- Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bewijswaarde ontzegt aan bepaalde door verzoeker bijgebrachte stukken omdat het om eenvoudige en dus mogelijk gemanipuleerde fotokopieën gaat, maakt deel uit van de beoordeling van de zaak zelf maar houdt geen verband met het recht op tegenspraak en vormt op zich geen schending van dit algemeen rechtsbeginsel.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 8 november 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.237-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div