← België

Cassatiebeschikking 15686 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.686 Rolnummer: A. 240221/VII-42228 Zaak: Cassatiebeschikking 15686 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-13 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-10 17:43 Fiche Beschikking nr 15.686 van 12 december 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.686 van 12 december 2023 in de zaak A. 240.221/VII-42.228 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Loobuyck kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 oktober 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 293.571 van 1 september 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 november 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 42quater, § 1, 4° van de vreemdelingenwet luidt: “§
  2. In de volgende gevallen kan er door de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van VII-42.228-1/4 de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie : […] 4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;” Verder bepaalt artikel 42quater, § 4, 1°, van de vreemdelingenwet: “§
  3. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 5 is het in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde geval niet van toepassing : 1° indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk. In geval van nietigverklaring van het huwelijk dient de echtgenoot bovendien te goeder trouw te zijn geweest;”
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt eerst: “Verzoekende partij betwist niet dat zij niet langer samenwoont met haar echtgenote. Uit het administratief dossier noch uit hetgeen gesteld door de verzoekende partij kan blijken dat zij nog een gezinscel vormt met haar Belgische echtgenote. Integendeel, lezing van het administratief dossier leert dat er hoegenaamd geen sprake meer is van een minimum aan relatie tussen de verzoekende partij en haar Belgische echtgenote. Aldus toont de verzoekende partij niet aan dat haar verblijfsrecht niet mocht worden beëindigd op grond van artikel 42quater, § 1, eerste lid, 4° van de vreemdelingenwet om de loutere reden dat zij nog gehuwd is met haar Belgische echtgenote (RvS nr. 15.047 (c) van 6 oktober 2022).” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen leidt uit de bewoordingen van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet correct af dat, binnen de vijf jaar na de erkenning van het verblijfsrecht van het familielid van de burger van de Unie, een einde kan worden gesteld aan dat verblijfsrecht wanneer er geen gezamenlijke vestiging meer is. Het verlies van het verblijfsrecht is niet beperkt tot het geval van ontbinding van het huwelijk. Verzoeker werpt geen schending op van deze bepaling.
  5. Vervolgens acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in artikel 42quater, § 4, 1°, van de vreemdelingenwet voorziene uitzondering niet van toepassing. Hij overweegt dienaangaande: VII-42.228-2/4 “Nu gelet op voorgaande niet ernstig kan worden betwist dat het recht op verblijf kon worden beëindigd omdat er geen gezamenlijke vestiging meer is, toont verzoekende partij ook niet aan dat het onzorgvuldig of in strijd zou zijn met artikel 42quater, § 4, eerste lid, 1° van de vreemdelingenwet, om voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling na te gaan of de gezamenlijke vestiging bij de beëindiging daarvan ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk. Zo stelt de verwerende partij vast dat de gezamenlijke vestiging slechts van 23 september 2020 tot juni 2022 heeft geduurd, wat minder dan twee jaar is. Er blijkt bovendien ook niet dat op het moment van de beëindiging van de gezamenlijke vestiging verzoekende partij reeds drie jaar gehuwd was. Bijgevolg maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de verwerende partij door het treffen van de bestreden beslissing ten onrechte voorbij gaat aan de uitzonderingsgrond zoals voorzien in artikel 42quater, §4, eerste lid, 1° van de vreemdelingenwet. Het loutere feit dat het huwelijk op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing meer dan drie jaar heeft geduurd, doet daaraan geen afbreuk.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen leidt uit artikel 42quater, § 4, 1°, van de vreemdelingenwet correct af dat de daarin voorziene uitzondering niet geldt indien binnen de drie jaar een einde komt aan de gezamenlijke vestiging van gehuwden. Verder betwist verzoeker niet de vaststelling in het bestreden arrest dat niet blijkt dat het huwelijk drie jaar duurde op het ogenblik van de beëindiging van de gezamenlijke vestiging. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-42.228-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 12 december 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.228-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.686 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.