id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.688 Rolnummer: A. 240250/VII-42233 Zaak: Cassatiebeschikking 15688 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-19 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-10 17:59 Fiche Beschikking nr 15.688 van 15 december 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.688 van 15 december 2023 in de zaak A. 240.250/VII-42.é In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 10 oktober 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 293.623 van 4 september 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 november 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Algemeen 1. Verzoekster werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de drie onderdelen van het enige middel gaat zij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoeksters kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet ontvankelijke wijze opgeworpen. VII-42.é-1/8 Eerste middelonderdeel: “schending van artikel 48/6, §5 van de wet van 15 december 1980.” 2. Artikel 48/6, § 5, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) luidt: “§ 5. De met het onderzoek belaste instanties beoordelen het verzoek op individuele, objectieve en onpartijdige wijze en houden rekening met de volgende elementen:
- a)alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
- b)de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of ernstige schade is blootgesteld of blootgesteld zou kunnen worden;
- c)de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade, overeenkomen;
- d)de vraag of de verzoeker, sedert hij zijn land van herkomst heeft verlaten, al dan niet activiteiten heeft uitgeoefend, die hem zouden kunnen blootstellen aan vervolging of ernstige schade indien hij naar zijn land van herkomst zou terugkeren;
- e)de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waarvan hij de nationaliteit kan inroepen.” 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “2.2.6. Wat betreft vooreerst het betoog van verzoekende partij dat haar situatie wezenlijk anders was en dat rekening gehouden moet worden met het feit dat zij een vrouw is, bemerkt de Raad dat deze uitleg niet volstaat om een ander licht te werpen op de vastgestelde onaannemelijkheden, incoherenties en tegenstrijdigheden in haar verklaringen en die van haar broer. Waar verzoekende partij immers in haar verzoekschrift een situatie tracht te schetsen waarin zij als vrouw zonder meer haar broer diende te volgen en niet tegen hem kon ingaan, tevens stellende dat zij ‘onder dwang’ in aanraking kwam met het christendom, dient immers te worden vastgesteld dat zij tijdens haar persoonlijk onderhoud op geen enkel moment gewag maakte van dergelijke ‘dwang’ door haar broer. Zij gaf daarentegen aan dat zij zelf reeds interesse had in het christendom en dat zij besloot haar broer te volgen toen zij zag dat hij er hetzelfde over dacht (notities CGVS, p. 15). Zij merkte hierbij tevens op dat zij in alles hetzelfde dacht als haar broer, dat ze dezelfde mening als hem deelde en dat ze hem vertrouwt en volgt (notities CGVS, p. 15). Dat zij zich hiertoe ‘gedwongen’ zou hebben gevoeld door haar broer, blijkt nergens uit haar verklaringen. Ook de in het VII-42.é-2/8 verzoekschrift beweerde “erg strikte opvoeding” waarbij zij moest doen wat haar broers haar opdroegen, vindt nergens steun in de verklaringen die zij aflegde op het Commissariaat-generaal. Het komt derhalve evenmin overtuigend over dat zij thans in haar verzoekschrift beweert dat zij en haar broer niet met elkaar konden spreken over hun overtuigingen en hun geloof. Dit geldt des te meer nu zij tijdens haar persoonlijk onderhoud beweerde dat haar broer haar over ‘alles’ vertelde (notities CGVS, p. 14). Indien zij overigens “onder dwang” door haar broer geïntroduceerd werd tot het christendom, mag het bovendien des te meer verbazen dat zij zo snel overtuigd zou zijn geraakt van het christendom.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest wel verzoeksters kritiek heeft betrokken dat onder meer rekening moet worden gehouden met haar geslacht en situatie als Iraanse vrouw. Dat in het bestreden arrest ook de beslissing en het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot verzoeksters broer zijn opgenomen, waarin verzoeksters eigen verklaringen worden vermeld, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Verzoekster toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met zijn supra geciteerde beoordeling de inhoud van artikel 48/6, §5, van de vreemdelingenwet heeft geschonden. Verder treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en is hij dus niet bevoegd om de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte feitelijke beoordeling betreffende de voorgehouden gevolgen van verzoeksters situatie als Iraanse vrouw over te doen. Tweede middelonderdeel: “schending van de artikelen 48/3 en 48/6, §1 samengelezen met het artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980” 4. Artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet luidt: “§ 1. De verzoeker om internationale bescherming dient alle nodige elementen ter staving van zijn verzoek zo spoedig mogelijk aan te brengen. De met het onderzoek van het verzoek belaste instanties hebben tot taak om de relevante elementen van het verzoek om internationale bescherming in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. De in het eerste lid bedoelde elementen omvatten onder meer de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie of stukken in zijn bezit met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit(en), leeftijd, achtergrond, ook die van de relevante familieleden, land(
- en)en plaats(
- en)van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumentatie en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient. Het ontbreken van de in het eerste lid bedoelde elementen, en meer in het bijzonder het ontbreken van het bewijs omtrent de identiteit of nationaliteit, die kernelementen VII-42.é-3/8 uitmaken in een procedure tot beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, vormt een negatieve indicatie met betrekking tot de algehele geloofwaardigheid van verzoekers relaas, tenzij de verzoeker een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken ervan. Indien de met het onderzoek van het verzoek belaste instanties goede redenen hebben om aan te nemen dat de verzoeker informatie, stukken, documenten of andere elementen achterhoudt die essentieel zijn voor een correcte beoordeling van het verzoek, kunnen zij de verzoeker uitnodigen om deze elementen onverwijld voor te leggen, wat ook hun drager is. De weigering van de verzoeker om deze elementen voor te leggen zonder bevredigende verklaring kan een aanwijzing zijn van zijn weigering om te voldoen aan zijn medewerkingsplicht zoals bedoeld in het eerste lid.” 5. Met betrekking tot het door verzoekster voorgehouden geweld van verzoeksters broer tegen haarzelf en de klacht die zij op grond daarvan heeft ingediend, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “2.2.10. Daarnaast voert verzoekende partij in haar verzoekschrift nog aan dat zij in België het slachtoffer werd van slagen en verwondingen vanwege haar broer E. R. Ter staving hiervan legt zij een attest van klachtneerlegging d.d. 17 maart 2023, foto’s van haar verwondingen en een medisch attest d.d. 15 maart 2023 neer (bijlagen 3-5 van het verzoekschrift). Zij stelt problemen te kennen met haar familie wegens de levensstijl die zij in België heeft en ook omwille hiervan een terugkeer naar Iran te vrezen. Het gedrag van haar broer vormt hiervan een bewijs, aldus verzoekende partij. In het verlengde van het voorgaande benadrukt de Raad vooreerst dat verzoekende partij tijdens haar persoonlijk onderhoud op geen enkel moment melding maakte van een vrees ten aanzien van haar broer. Het komt dan ook allerminst overtuigend over dat zij er thans in haar verzoekschrift voor het eerst gewag van maakt dat haar broer haar zowel in Iran als in België onder druk zet, temeer nu zij nergens enige uitleg verschaft waarom zij dit niet eerder vermeldde. Verzoekende partij biedt dan ook geen duidelijk zicht op de aard van de relatie met haar broer, dit in weerwil van haar medewerkingsplicht. Wat betreft de door haar aangehaalde slagen en verwondingen door haar broer E. R., stelt de Raad vast dat verzoekende partij nalaat hieromtrent enige concrete toelichting te geven. Zij licht geheel niet toe waar, wanneer of waarom haar broer geweld tegen haar gebruikte, noch wat haar broer concreet heeft gedaan. Zij lijkt voor te houden dat haar broer geweld tegen haar gebruikte omdat zij in België een relatie heeft met een Turkse man, doch brengt zij niet het minste bewijs aan van deze relatie. Ook de door haar bijgebrachte stukken bevatten nauwelijks concrete informatie over de feiten waarvan verzoekende partij het slachtoffer zou zijn geworden. Het attest van klachtneerlegging (bijlage 3 van het verzoekschrift) maakt louter melding van slagen en verwondingen vanwege haar broer E. R., doch bevat geen informatie omtrent de concrete omstandigheden. Waar het document schriftelijke verklaringen bevat van verzoekende partij, genoteerd in het Farsi, dient te worden vastgesteld dat deze niet gesteld zijn in de taal van de rechtspleging en niet vergezeld zijn van een vertaling. Met toepassing van artikel 8 van het koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 21 december 2006 neemt de Raad bij gebreke aan een vertaling naar de taal van de rechtspleging toe deze passage niet in overweging. Dergelijk attest toont overigens hoe dan ook slechts aan dat verzoekende partij een klacht neerlegde, doch vormt het geen bewijs van de beweerde feiten. Wat betreft het attest van slagen en verwondingen d.d. 15 maart 2023 opgesteld in het […] VII-42.é-4/8 ziekenhuis te [L.] (bijlage 5 van het verzoekschrift), stelt de Raad vast dat dit attest geen enkele concrete informatie bevat omtrent de precieze verwondingen van verzoekende partij, de precieze omstandigheden waarin deze verwondingen werden opgelopen en door wie of wat deze verwondingen veroorzaakt werden. In het attest wordt enkel aangegeven dat de letsels volgens de verklaringen van de patiënt (i.e. verzoekende partij) veroorzaakt werden door een ‘Vechtpartij’, dat de patiënt ‘Licht gewond’ was en ‘(i)n het ziekenhuis en/of op spoedgevallendienst onderzocht (werd) op datum 15-03-2023’. De Raad acht het overigens opmerkelijk dat indien verzoekende partij daadwerkelijk werd opgenomen in het ziekenhuis wegens slagen en verwondingen veroorzaakt door haar broer, in het attest de oorzaak ‘Vechtpartij’ werd aangekruist in de lijst van mogelijke oorzaken en niet ‘Slagen en verwondingen’, nochtans tevens vermeld in de lijst van mogelijke oorzaken. Verder dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij een aantal foto’s neerlegt waarop zij letsels vertoont (bijlage 4 van het verzoekschrift). De Raad wijst er evenwel op dat aan dergelijke privé-foto’s geen enkele bewijswaarde kan worden toegekend daar deze door mogelijk enscenering van locatie en omstandigheden geen garantie bieden over de authenticiteit van wat werd afgebeeld. Bovendien laat verzoekende partij geheel na deze foto’s, die overigens niet gedateerd zijn, in concreto toe te lichten. Zij verduidelijkt nergens de concrete oorzaak van de letsels noch de precieze omstandigheden waarin de letsels werden opgelopen. Deze foto’s volstaan dan ook niet om het door haar beweerde geweld vanwege haar broer aan te tonen. De Raad besluit dan ook dat verzoekende partij er niet in slaagt het door haar voorgehouden geweld van haar broer aannemelijk te maken. Derhalve toont zij evenmin haar bewering aan problemen met haar familie te ondervinden wegens haar levensstijl in België. In zoverre zij voorhoudt dat haar familieleden in Iran niet akkoord gaan met haar levensstijl alhier, stelt de Raad vast dat dit een blote bewering betreft waarvan verzoekende partij geen enkel bewijs bijbrengt.” 6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt derhalve in overweging dat verzoekster voordien geen melding heeft gemaakt van problemen met haar broer, dat zij in weerwil van haar medewerkingsplicht geen duidelijk zicht geeft op de relatie met haar broer, dat zij geen concrete toelichting geeft over de slagen en verwondingen die haar broer zou hebben toegebracht, dat zij niet het minste bewijs bijbrengt van haar voorgehouden relatie met een Turkse man en dat haar stukken ook nauwelijks concrete informatie bevatten. Al dient een verzoek om internationale bescherming te worden beoordeeld “in samenwerking met de verzoeker”, de bewijslast ligt in beginsel bij de verzoeker zelf. Het vormt op zich geen schending van artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet om een verzoek om internationale bescherming af te wijzen omdat een verzoeker geen bewijs levert van de aangevoerde relevante elementen. Verder beoordeelt de feitenrechter soeverein de bewijswaarde van de afgelegde verklaringen en de bijgebrachte stukken en treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Ook de beslissing of een zaak met toepassing van artikel 39/2 van de vreemdelingenwet VII-42.é-5/8 al dan niet moet worden teruggestuurd naar de commissaris-generaal behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter. VII-42.é-6/8 Derde middelonderdeel: “schending van het artikel 48/6, §1 van de vreemdelingenwet en de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek” 7. In de mate dat verzoekster van oordeel is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “aanzienlijk weinig bewijswaarde hecht aan officiële documenten”, betreft het een feitelijke beoordeling die behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de eerste rechter. In het licht van de concrete vaststellingen door de eerste rechter met betrekking tot de door verzoekster ingediende klacht enerzijds en haar medisch attest anderzijds, zoals geciteerd in punt 6 supra, toont verzoekster niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan deze stukken een verklaring geeft die ze niet bevatten dan wel ontkent dat ze een verklaring bevatten die er wel in voorkomt. Verzoekster toont geen schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. Conclusie 8. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.é-7/8 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 15 december 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.é-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.688 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div