← België

Arrest 258369 - Niet begeleide minderjarigen - 09/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 Rolnummer: A. 238814/VII-41977 Zaak: Arrest 258369 - Niet begeleide minderjarigen - 09/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-16 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 18:55 Fiche Arrest nr 258.369 van 9 januari 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 no lien 275117 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.369 van 9 januari 2024 in de zaak A. 238.814/VII-41.977 In zake: Subhan SHINASA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep tot nietigverklaring, ingesteld op 5 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 17 februari 2023 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-1/14 regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, §2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 30 oktober 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 21 december
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is België binnengekomen en hij wordt op 22 februari 2022 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 28 februari
  6. Verzoeker legt kopieën neer van een Afghaanse geboorteakte en een Afghaanse identiteitskaart. De dienst Vreemdelingenzaken uit evenwel twijfels over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël (KU Leuven) ondergaat verzoeker op 2 maart 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. VII-41.977-2/14 Op 20 april 2022 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Op 28 juli 2022 vindt op de dienst Voogdij een gesprek plaats met verzoeker. Verzoeker legt een originele Afghaanse registratiekaart van de geboorte en een origineel Afghaans identiteitsdocument voor. Op 17 februari 2023 beslist de dienst Voogdij andermaal verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. De dienst Voogdij beslist, na advies omtrent de voorgelegde documenten te hebben ingewonnen, dat de documenten niet zijn gelegaliseerd en dat de voorgelegde registratiekaart een twijfelachtig document betreft. De dienst Voogdij stelt bovendien dat zij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd volgens de documenten redelijk en dus niet te groot is en oordeelt te dezen dat een verschil van 5,5 jaar te groot is, waardoor de documenten niet worden aanvaard. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), van de materiële- en formelemotiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van het “algemeen rechtsbeginsel van de zorgvuldigheidsplicht”, van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, van de artikelen 27, eerste lid en 28, § 1, van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), van de artikelen 6, § 2, 1°, en 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6, “voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, van de programmawet (I) van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-3/14 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 22bis van de Grondwet, van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en van artikel 14 van het Internationaal Verdrag met betrekking tot de Burgerlijke en Politieke Rechten (hierna: BUPO). Hij licht dit als volgt toe in drie middelonderdelen: “1) Beginselen van behoorlijk bestuur - Motiveringsplicht Dat aan iedere administratieve rechtshandeling draagkrachtige motieven ten grondslag moeten liggen. Dat een bestuurshandeling aldus is gemotiveerd als niet alleen de concrete feiten maar ook de op die feiten toepasselijke rechtsregels worden vermeld en tevens wordt uitgelegd hoe de toepassing van die rechtsregels op de feiten naar de uiteindelijke beslissing heeft geleid. Overeenkomstig het artikel 62 van de Vreemdelingenwet moeten alle administratieve beslissingen met redenen omkleed worden. Artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 bepalen dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn. Uit de bestreden beslissingen dient te blijken dat de Dienst Voogdij met alle feitelijke overwegingen – de specifieke situatie en de beschikbare documenten van de betrokken persoon – heeft rekening gehouden. De uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid haar beslissing heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Voornoemde artikelen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze (RvS 6 september 2002, nr. 110.071; RvS 21 juni 2004, nr. 132.710)
  8. Dat de motieven deugdelijk en weloverwogen moeten zijn. - Zorgvuldigheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel, redelijkheidsbeginsel Het zorgvuldigheidsbeginsel legt aan het bestuursorgaan de verplichting [op] om zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. VII-41.977-4/14 Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt derhalve in dat de Dienst Voogdij bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het administratief dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken, naast het leeftijdsonderzoek. De resultaten van het leeftijdsonderzoek zijn namelijk met een grote appreciatiebevoegdheid. Het evenredigheidsbeginsel beoogt dat het bestuur in rechte en in feite een verantwoorde beslissing neemt. Het redelijkheidsbeginsel houdt in dat uit de opgegeven motieven de redenering van het bestuur moet blijken. De Raad van State dient, bij haar uitoefening van zijn wettelijk toezicht, na te gaan of het bestuur bij het vaststellen van de leeftijd is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan niet kennelijk onredelijk tot zijn besluit is gekomen. Dat de bestreden beslissing duidelijk een gevoelsmatige beslissing was. Dat de weloverwogen, uitgebreide motivering ver te zoeken is. Dat de Raad van State in haar arrest met nummer 246.340 de leeftijdsbeslissing van een verklaarde niet-begeleide minderjarige vreemdeling vernietigde wegens een gebrekkige motivering. Het leeftijdsonderzoek bestaande uit de drie scans, met name van de pols, het gebit en het sleutelbeen, leidt tot een schatting van de leeftijd door een dokter waarbij een onder- en bovengrens wordt bepaald met een foutenmarge. De wijze hoe het eindresultaat vervolgens wordt afgeleid, werd volgens de RvS niet afdoende gemotiveerd. Deze eindbeslissing onvoldoende gemotiveerd en kon niet worden achterhaald op welke wijze tot het besluit was gekomen. - Toepassing in casu Verzoeker wijst op het volgende: De dienst voogdij stelt vooreerst dat de voorgelegde documenten niet kunnen worden aanvaard omdat het eensluidend verklaarde kopieën betreffen. Deze motivering raakt nog kant noch wal: het betreffen immers originelen. Hetgeen niet wordt betwist door de Dienst Voogdij aangezien er in de aanhef van de motivering staat: ‘Hebt u ons de volgende originele documenten voorgelegd’. Verzoeker heeft ten ander een ontvangstbewijs van gekregen na het indienen van de documenten waarop duidelijk staat het beide originele documenten betreffen (zie stuk 4). Dit argument kan dusdanig niet worden weerhouden. De motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden. Verder stelt de Dienst Voogdij dat de documenten niet werden gelegaliseerd. Dat het evenwel niet mogelijk is voor verzoeker om deze documenten te laten legaliseren aangezien hij momenteel in asielprocedure zit. Hij mag derhalve geen contact opnemen met de Afghaanse ambassade of autoriteiten teneinde zijn documenten te doen legaliseren. Bovendien erkent de Belgische overheid dat het bijzonder moeilijk is om Afghaanse documenten te bekomen. Een geboorte attest zou eigenlijk een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-5/14 voldoende bewijs moeten zijn voor Afghaanse burgers ter staving van de geboorteplaats en -datum. Voor de verwerving van de Belgische nationaliteit is bijvoorbeeld enkel een geboorteakte vereist. Als de betrokkene in de onmogelijkheid verkeert of zware moeilijkheden ondervindt om een geboorteakte te bekomen kunnen verder ook vervangende documenten worden voorgelegd volgens een cascadesysteem. Dat cascadesysteem verschilt naargelang de betrokkene geboren is [in] één van de landen die voorkomen op de lijst van het koninklijk besluit (KB) van 17 januari
  9. […] Afghanistan is opgenomen in de lijst; […] Dat betekent dat er voor Afghanistan geen bewijs moet worden geleverd van de onmogelijkheid of de zware moeilijkheden om een geboorteakte te bekomen. Voor Afghanistan wordt aanvaard dat de geboorteakte niet verkregen kan worden. Voor Afghanistan volstaat een geboorte attest. Dat verzoeker dusdanig meerdere gelegaliseerde documenten moet kunnen voorleggen voor de Dienst Voogdij, is dan ook een onmogelijk en niet legitieme vraag! Verder stelt de Dienst Voogdij dat er advies werd gevraagd omtrent beide documenten en stelt zij vervolgens: “Het advies betreffende de registratiekaart gaat om een twijfelachtig document”. Hierbij kunnen twee bemerkingen gemaakt; De Dienst Voogdij verduidelijkt vooreerst niet wat er twijfelachtig is aan de registratiekaart. De (uitdrukkelijke) motiveringsplicht wordt hierdoor geschonden. Verzoeker heft er maar het raden naar waarom zijn registratiekaart ‘twijfelachtig’ werd bevonden. Ten tweede: de Dienst Voogdij motiveert alleen over de registratiekaart en niet over het identiteitsdocument. Dit terwijl er omtrent beide documenten een advies zou zijn gevraagd. Dit doet enkel maar vermoeden dat er geen twijfel werd geuit omtrent het identiteitsdocument. Alsook: blijkbaar zouden deze documenten wel worden aanvaard wanneer het verschil met de resultaten niet ‘te’ groot zou zijn, aldus de motieven in de bestreden beslissing. Dergelijke motivering is niet redelijk en getuigt van louter natte vingerwerk; Ofwel worden dergelijke documenten aanvaard, ofwel niet. Dit kan en mag niet veranderen naargelang het verschil in leeftijd dat een medische test weergeeft. Dit is niet redelijk te noemen. Het betreft willekeur en geenszins een legitieme, zorgvuldige motivering. Buitenlandse documenten over de staat van persoon hebben voorrang op de resultaten van een leeftijdsonderzoek. De staat van een persoon wordt immers beheerd door het nationale recht van die persoon cfr artikel 34 Wetboek IPR. Dat de Dienst het voordeel van de twijfel had moeten toekennen aan de verzoeker. VII-41.977-6/14 Dat de Dienst eventueel extra informatie had moeten inwinnen bij de diplomatieke posten in het land van herkomst. Dat dit ook de visie was in het arrest 246.340 van de RvS. Dat hierbij dient te worden gekeken naar het artikel 3 van het KB van 22 december 2003 tot uitvoering van de Voogdijwet NBM (hierna: Voogdijbesluit). Dat de Dienst bij twijfel over de leeftijd een medisch onderzoek kon laten uitvoeren, doch dat dit geenszins een alomvattend onderzoek betreft. Dat ze in eerste instantie officiële documenten in rekening moet brengen of bijkomende inlichtingen dient in te winnen door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of iedere andere inlichting, te contacteren, voor zover dit verzoek om inlichting de minderjarige of diens familie niet in gevaar brengt. 2) Schending van de artikelen 27, eerste lid en 28;§ 1 wetboek IPR Dat de verzoeker originelen van een authentieke akten kan voorleggen. Het betreffen buitenlandse akten. Artikel 27 van het Wetboek IPR stelt het volgende: “Een buitenlandse authentieke akte wordt in België door alle overheden erkend zonder dat een beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld overeenkomstig het krachtens deze wet toepasselijk recht, en meer bepaald met inachtneming van de artikelen 18 en 21.” Dat de Dienst Voogdij dient te aanvaarden dat de minderjarige verzoeker authentieke buitenlandse akten heeft verkregen. Dat de Belgische instanties deze akten dient te erkennen zonder enige procedure naar de rechtsgeldigheid te doen, indien de documenten rechtsgeldig werden opgesteld overeenkomstig het toepasselijk recht. Dit impliceert derhalve dat de verzoekers authentieke akten principieel erkend dienen te worden door de Dienst Voogdij. Verder stelt het artikel 28, § 1 van het Wetboek IPR het volgende: “Een buitenlandse authentieke akte strekt in België tot bewijs van de feiten vastgesteld door de buitenlandse overheid die de akte heeft opgesteld, indien zij tegelijk voldoet 1° aan de voorwaarden die deze wet stelt aan de vorm van de akten; en 2° aan de voorwaarden voor de echtheid ervan volgens het recht van de Staat waar zij is opgesteld.” Dat de voorgelegde documenten werden opgemaakt door de Afghaanse overheidsdiensten voldoen aan de voorwaarden voor de echtheid van het recht van de staat die het opstelde. Dat de Dienst Voogdij naar aanleiding van het voorleggen van deze bovenstaande documenten de geldigheid van de akten principieel zou moeten erkennen. Nogmaals: buitenlandse documenten over de staat van persoon hebben voorrang op de resultaten van een leeftijdsonderzoek. De staat van een persoon wordt immers beheerd door het nationale recht van die persoon cfr artikel 34 Wetboek IPR. En nogmaals: de Belgische overheid aanvaardt dat het dermate moeilijk is voor Afghaanse onderdanen om een geboorte akte voor te leggen, dat een geboorte attest op zich, voldoende bewijs betreft, om de geboorteplaats en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-7/14 -datum te staven, bv. In het kader van een nationaliteitsvraag zie koninklijk besluit (KB) van 17 januari
  10. In de eerste leeftijdsbeslissing werd er louter gesteld dat de documenten niet konden worden aanvaard omdat het geen originelen betreffen. Wanneer de originelen dan worden voorgelegd door verzoeker wordt er onder meer gesteld dat het geen eensluidende kopieën zijn en dat het verschil met de leeftijdstest te groot is… De Dienst Voogdij schendt vermelde wetsbepalingen en de beginselen van behoorlijk bestuur. 3) Schending van het hoger belang van het kind zoals onder meer opgenomen in het artikel 24 van het Handvest betreffende de grondrechten van de Europese Unie Tot slot dient er aangestipt te worden dat de Dienst Voogdij als bestuur de hogere belangen van het kind zoals opgenomen in hoge geciteerde bepalingen, indachtig moet zijn. Artikel 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, dat rechtstreekse werking heeft, bepaalt als volgt: “Rechten van het kind
  11. Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in aangelegenheden die hen betreffen wordt passend belang gehecht in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid.
  12. Bij alle handelingen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
  13. leder kind heeft er recht op regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist." Dat het onacceptabel zou zijn dat de Dienst Voogdij onvoldoende/geen rekening zou houden met het hoger belang van het kind. Verzoeker dient het voordeel van de twijfel te krijgen. Concluderend De motieven van de bestreden beslissing schenden de beginselen van behoorlijk bestuur. De motieven zijn niet deugdelijk te noemen: de Dienst Voogdij maakte een onredelijke en onzorgvuldige beoordeling. Dat de verzoeker weldegelijk minderjarig is en hij dit heeft kunnen aantonen door middel van het voorleggen van meerdere originele documenten. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd.” VII-41.977-8/14 Beoordeling Eerste middelonderdeel
  14. De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van de voogdijwet is genomen en dus niet met toepassing van de vreemdelingenwet. Het enige middel is in die mate niet ontvankelijk.
  15. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van het onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker op datum van 2 maart 2022 meer dan 18 jaar oud was en bijgevolg geen voogd kreeg. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Er blijkt dan ook geen schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  16. Waar verzoeker in het middel onder meer stelt dat bij het nemen van de bestreden beslissing rekening had moeten worden gehouden met zijn officiële documenten, werpt hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-9/14 State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, §1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Verzoeker toont niet aan dat de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of artikel 7, § 1, van de voogdijwet werd geschonden doordat de bestreden beslissing is gesteund op een medisch onderzoek waarvan blijkt dat het door de wet zelf is voorzien.
  17. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-10/14 de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een medisch leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Te dezen verduidelijkt de bestreden beslissing bovendien waarom de door verzoeker voorgelegde documenten, met name de Afghaanse registratiekaart van de geboorte en het Afghaans identiteitsdocument, niet worden aanvaard en waarom de dienst Voogdij zich aldus baseert op het resultaat van de medische test. Concreet wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat de voorgelegde documenten niet gelegaliseerd zijn en wordt middels verwijzing naar de ingewonnen adviezen gesteld dat de registratiekaart een twijfelachtig document betreft. In de bestreden beslissing wordt genoegzaam verwezen naar de conclusie omtrent dit document. Bovendien maken de adviezen van de politie aangaande de voorgelegde documenten deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om het dossier te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. De vermelding in de bestreden beslissing aangaande de voorgelegde documenten dat “het (…) geen eensluidend verklaarde kopieën [zijn]”, lijkt te berusten op een materiële vergissing, daar de bestreden beslissing verduidelijkt dat de voorgelegde originele documenten niet zijn gelegaliseerd en dat de registratiekaart, volgens het ingewonnen advies, een twijfelachtig document betreft. In de bestreden beslissing wordt voorts overwogen dat de dienst Voogdij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd volgens de documenten redelijk en dus niet te groot is en oordeelt te dezen dat een verschil van 5,5 jaar te groot is, waardoor de documenten niet worden aanvaard. Uit de motivering blijkt derhalve duidelijk waarom geen voorrang wordt gegeven aan verzoekers documenten. Daarenboven is de dienst Voogdij er niet toe gehouden om verzoekers documenten te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. De motieven volstaan om de bestreden beslissing te dragen. VII-41.977-11/14 Tweede middelonderdeel
  18. Verwijzend naar een Afghaanse registratiekaart van de geboorte en een Afghaans identiteitsdocument acht verzoeker de artikelen 27, § 1 en 28, § 1, van het WIPR geschonden omdat “de Dienst Voogdij naar aanleiding van het voorleggen van bovenstaande documenten de geldigheid van de akten principieel zou moeten erkennen”. Anders dan wat verzoeker voorhoudt, diende de dienst Voogdij de overgelegde documenten echter niet te laten primeren op het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2 van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Artikel 30 van het WIPR bepaalt dat een buitenlandse rechterlijke beslissing of authentieke akte moet worden gelegaliseerd om in België geheel of bij uittreksel, in origineel of in afschrift, te worden voorgelegd. Conform dit artikel hebben zelfs authentieke akten geen bewijskracht indien ze niet gelegaliseerd zijn. Noch het zorgvuldigheidsbeginsel, noch het redelijkheidsbeginsel kan hieraan afbreuk doen. In de mate dat verzoeker een schending opwerpt van artikel 34 van het WIPR, dient te worden opgemerkt dat met de bestreden beslissing niet de staat van de persoon wordt vastgesteld, doch dat ze enkel een schatting van verzoekers leeftijd inhoudt om na te gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Derde middelonderdeel
  19. Uit het medisch onderzoek en de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker toont de onwettigheid ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-12/14 van deze vaststelling niet aan, zodat hij zich niet kan beroepen op “het hoger belang van het kind”. Enkel uit het feit dat een deskundig medisch onderzoek is gevoerd om na te gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en dat de verwerende partij in de bestreden beslissing het resultaat van dat onderzoek laat primeren op verzoekers voorgelegde documenten, kan overigens geen schending worden afgeleid van de ingeroepen bepalingen. Conclusie
  20. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 VII-41.977-13/14 VII-41.977-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.369 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.