← België

Arrest 258370 - Niet begeleide minderjarigen - 09/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.370 Rolnummer: A. 239270/VII-42074 Zaak: Arrest 258370 - Niet begeleide minderjarigen - 09/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-16 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-10 18:55 Fiche Arrest nr 258.370 van 9 januari 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.370 no lien 275118 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.370 van 9 januari 2024 in de zaak A. 239.270/VII-42.074 In zake : Arian RAFEE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Blandine Lens kantoor houdend te 1060 Brussel Moskoustraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 11 mei 2023 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 10 mei 2023 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-42.074-1/9 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 30 oktober 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 21 december
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is België binnengekomen en hij wordt op 10 februari 2023 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 5 januari
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over verzoekers voorgehouden leeftijd. VII-42.074-2/9 In het Universitair Ziekenhuis Leuven ondergaat verzoeker op 15 februari 2023 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op 14 maart 2023 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Op 3 april 2023 neemt de sociaal assistent van het opvangcentrum contact op met de dienst Voogdij om te melden dat verzoeker in het bezit is van zijn originele taskara. Tijdens een daaropvolgend gesprek, dat doorgaat op 11 april 2023 in aanwezigheid van een tolk, overhandigt verzoeker een Afghaanse identiteitskaart aan de dienst Voogdij. Op 10 mei 2023 beslist de dienst Voogdij andermaal verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. De dienst Voogdij beslist, na advies omtrent het voorgelegde document te hebben ingewonnen, dat het wel degelijk om een waarachtig document gaat, doch dat zij het document niet aanvaardt en zich baseert op het resultaat van de medische test. De dienst Voogdij voegt daaraan toe dat zij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd volgens de documenten redelijk en dus niet te groot is en oordeelt te dezen dat een verschil van 3,39 jaar te groot is, waardoor de documenten niet worden aanvaard. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’, van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de VII-42.074-3/9 programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), en werpt tevens een manifeste appreciatiefout op. Hij licht dit als volgt toe: “Le requérant a remis au service des tutelles en date du 11.04.2023: - L’original de sa carte d’identité Afghane électronique (taskara); Un avis favorable quant à l’authenticité de ces documents a été émis (pièce 1). Il s’agit d’un document officiel délivré par les autorités administratives et judiciaires afghanes qui attestent de l’identité du requérant. Le Service des Tutelles, rejette pourtant ces documents en estimant que, conformément à l'article 28 §2 du Code de droit international privé, la force probante de documents authentiques ne va pas au-delà d'une présomption iuris tantum, c'est-à-dire que la preuve contraire des faits constatés par l'autorité étrangère peut être apportée par toutes voies de droit, que l'examen médical constitue une telle voie. Néanmoins, en vertu de l’article 3 de l’arrêté royal du 22 décembre 2003 portant exécution du Titre XIII, Chapitre 6 ‘Tutelle des mineurs étrangers non accompagnés’ de la loi-programme du 24 décembre 2002, lorsque le MENA est en possession de documents officiels ou de tout autre renseignement, le service des Tutelles doit prendre en considération ces documents pour l’identification du mineur et la détermination de son âge : « Le service des tutelles procédera à l'identification du mineur étranger non accompagné et à la vérification de ses déclarations au sujet de son nom, de sa nationalité et de son âge, au moyen de ses documents officiels ou des renseignements obtenus auprès des postes consulaires ou diplomatiques du pays d'origine ou de transit ou de tout autre renseignement, pour autant que cette demande de renseignements ne mette pas en danger le mineur ou sa famille se trouvant dans le pays de transit et/ou d'origine. Le test médical visé à l'article 7 du Titre XIII, Chapitre 6 "Tutelle des mineurs étrangers non accompagnés" de la loi-programme du 24 décembre 2002 peut notamment comprendre des tests psycho-affectifs. » À propos de ces dispositions, Votre Conseil dit d'ailleurs qu'a « il découle de ces dispositions que les documents officiels présentés par l'étranger sont essentiels à la détermination de son identité » (CE, arrêt n° 232.496 du 8 octobre 2015). Pour bénéficier de la force probante en Belgique, un acte étranger doit notamment répondre aux conditions fixées par l'article 28, §1 du Codip. Ainsi, il doit être authentique selon le droit de l'État dans lequel il a été établi, et avoir été dressé dans le respect des formes prévues par le droit applicable en vertu du droit international privé. Si l'acte étranger réunit ces conditions, il ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.370 VII-42.074-4/9 fait foi en Belgique des faits constatés par l'autorité étrangère, notamment de la date de naissance qui y est mentionnée. Tel est le cas en l’espèce. Partant, en présence de documents officiels délivrés par une autorité étrangère, il appartenait à la partie adverse de les prendre en considération afin de déterminer l’âge du requérant et il y a lieu de considérer que la motivation de la décision est insuffisante et inadéquate et elle ne permet pas au requérant de comprendre pour quels motifs ses documents ne sont de nature à primer sur les résultats du test d’âge, qui sont par définition approximatifs, et pourquoi une différence de 3,39 ans avec les résultats de ceux-ci permettrait ipso facto de les exclure. Votre Conseil a déjà estimé (CE 232.496 du 8 octobre 2015): « Il s'ensuit également qu'en ne veillant pas à se procurer, fût-ce en s'en expliquant pour rejeter les mentions qui y figuraient, l'acte de naissance présenté par la requérante à l'Office des étrangers, et en se fondant sur un âge biologique fictif déduit d'un examen médical («la date de naissance donnée par la marge inférieure du test définie par le test médical est le 2 mai 1997»), soit une estimation scientifique forcément approximative et dont la finalité définie par la loi est uniquement de déterminer si l'intéressé est ou non âgé de moins de dix-huit ans, la partie adverse a manqué aux principes de bonne administration et a excédé sa compétence d'identification des mineurs étrangers non accompagnés telle qu'elle est circonscrite par l'article 7 de la loi-programme du 24 décembre 2002, titre XIII, chapitre
  8. » En l’espèce, le requérant a déposé l’original de sa carte d’identité. Ce document électronique atteste de la date de naissance déclarée par le requérant. En présence de documents officiel produits en originaux, il convient de faire prévaloir ceux-ci par rapport aux résultats du test médical. C'est ce qu'a d'ailleurs considéré le Tribunal de Première Instance d'Hasselt dans une décision du 25.02.2008 (AR 07/1328/B) concernant un requérant de nationalité afghane qui avait produit des pièces d'identité (une attestation de naissance délivrée par l'ambassade d'Afghanistan et légalisée par le SPF Affaires étrangères, une attestation d'identité afghane et un passeport délivré par l'ambassade d'Afghanistan). Le Tribunal a considéré que ces pièces, conformément à l'article 46 du Code civil et à l'article 27 du Code de droit international privé, ont valeur de preuve et il leur a accordé une valeur de preuve supérieure à celle de l'examen médical de détermination de l'âge effectué par le Service de Tutelles: « Etant donné que le requérant, suite à des problèmes de communications avec son pays et de l'état de guerre dans son pays d'origine, n'a pu se procurer l'original de son acte de naissance ou une copie conforme de celui-ci, il peut, conformément à l'article 46 du Code Civil, prouver sa naissance par toute voie de droit. Conformément à l'article 34 du Code de droit international privé, l'état de la personne est régi par le droit de l'État dont elle a la nationalité. Les éléments d'identité et de naissance susmentionnés ont été prouvés par le requérant au moyen des pièces déposées, émises par les autorités afghanes, à savoir: VII-42.074-5/9 - l'acte de naissance délivré par l'ambassade d'Afghanistan, le 26.04.2005 et légalisé par SPF Affaires étrangères le 27.06.2005 - le Taskara, l'attestation d'identité afghane - le passeport délivré par l'ambassade d'Afghanistan, le 12.02.
  9. Conformément à l'article 46 du Code civil et à l'article 27 du Code de droit international privé, ces pièces ont valeur de preuve et le tribunal leur a accordé une valeur de preuve supérieure à celle de l'examen médical de détermination de l'âge effectué par le Service des Tutelles. » (voir: http://www.sdj.be/admin/docmena/Lettre d info octobre_2008_2.pdf) Cette jurisprudence doit s’appliquer mutandis au cas d’espèce. En l’espèce, la carte d’identité devait être considérée comme ayant une valeur supérieur à celle de l’examen médical de détermination de l’âge effectué par le Service des Tutelles. En effet, le Service des tutelles n’est aucunement lié par le résultat du test médical. Même lorsqu’un test médical a été effectué, le Service des tutelles demeure libre de considérer eu égard aux autres éléments du dossier qu’il subsiste un doute, qui doit profiter au requérant. En présence d’un document officiel authentique délivré par une autorité étrangère, il appartenait à la partie adverse de les prendre en considération afin de déterminer l’âge du requérant. La partie adverse décide de faire privilégier le test d'âge sur les documents d'état civil et la carte d'identité car elle estime qu'une différence de plus de 3 ans constitue une marge déraisonnable qui justifie que le document déposé et reconnu comme authentique soit écarté et la décision de cessation de prise en charge maintenue. Or, il ne ressort nullement du dossier que la partie adverse s'est basée sur des éléments objectifs et vérifiables permettant de conclure qu'une différence de plus de 3 ans constituerait une marge déraisonnable.” Beoordeling
  10. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem VII-42.074-6/9 bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is niet vereist dat wordt aangegeven waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken noch dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoeker werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. De dienst Voogdij diende in de bestreden beslissing evenmin te motiveren waarom hij op grond van het medisch onderzoek tot de conclusie komt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is, noch waarom hij de resultaten van de medische test laat primeren op verzoekers documenten. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen.
  11. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een medisch leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Daarenboven is de dienst Voogdij er niet toe gehouden verzoekers verklaringen en documenten te laten primeren op de resultaten van het VII-42.074-7/9 medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. In de bestreden beslissing wordt voorts overwogen dat de dienst Voogdij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd volgens de documenten redelijk en dus niet te groot is en oordeelt te dezen dat een verschil van 3,39 jaar te groot is, waardoor de documenten niet worden aanvaard. Uit de motivering blijkt derhalve duidelijk dat de dienst Voogdij, anders dan wat verzoeker voorhoudt, wel degelijk rekening heeft gehouden met het door verzoeker voorgelegde Afghaanse identiteitsbewijs, alsook waarom geen voorrang wordt gegeven aan verzoekers documenten. De formelemotiveringsplicht gaat niet zover dat de dienst Voogdij de motieven van zijn motieven zou moeten veruitwendigen. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
  12. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. VII-42.074-8/9 BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  14. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.074-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.