← België

Arrest 258395 - Varia (onderwijs en cultuur) - 11/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.395 Rolnummer: A. 236436/IX-10040 Zaak: Arrest 258395 - Varia (onderwijs en cultuur) - 11/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 19:06 Fiche Arrest nr 258.395 van 11 januari 2024 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.395 van 11 januari 2024 in de zaak A. 236.436/IX-10.040 In zake : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Dender bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Len Augustyns kantoor houdend te 2000 Antwerpen Brusselstraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 18 maart 2022 ‘tot goedkeuring van de programmatie van structuuronderdelen in het gewoon voltijds secundair onderwijs’, “voor zover hierin impliciet […] wordt geweigerd: programmatie van 2e graad Grafische technieken TSO (domein STEM) in TechniGO! Campus De Voorstad Aalst”. II. Verloop van de rechtspleging ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-1/15 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2023. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi De Doncker, die loco advocaat Len Augustyns verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 19 oktober 2021 dient verzoeker voor het schooljaar 2022- 2023 een aanvraag in tot programmatie van een tweede graad ‘grafische technieken’ (TSO met dubbele finaliteit) in het domein STEM in de school TechniGO! Campus De Voorstad te Aalst. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-2/15 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-3/15 3.2. Op 18 maart 2022 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘tot goedkeuring van de programmatie van structuuronderdelen in het gewoon voltijds secundair onderwijs’. Op dezelfde dag beslist de Vlaamse regering een aantal aanvragen niet toe te staan. Onder meer de programmatieaanvraag voor de tweede graad ‘grafische technieken’ in TechniGO! Campus De Voorstad te Aalst wordt geweigerd. Die weigering is het voorwerp van huidig beroep. De motivering ervan luidt: “Uit het dossier blijkt niet dat de school over de nodige infrastructuur beschikt om een dergelijk structuuronderdeel kwaliteitsvol te kunnen aanbieden. Het gevraagde structuuronderdeel vereist immers een specifieke knowhow en uitrusting.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker voert aan dat in de aanvraag is uiteengezet dat de nodige infrastructuur, leermiddelen en expertise aanwezig is om het betrokken structuuronderdeel ‘Grafische technieken’ kwaliteitsvol te kunnen aanbieden. Daarbij is verwezen naar gelijkaardige studierichtingen waarvoor de school over uitgeruste lokalen en leraren met kennis en expertise beschikt. In de bestreden beslissing wordt zelfs niet theoretisch geargumenteerd waarom het niet klopt dat die reeds aangeboden richtingen ervoor zorgen dat de lokalen voldoende uitgerust zijn en de leerkrachten bekwaam zijn om het onderwijs in het aangevraagde structuuronderdeel aan te bieden. Feitelijke gegevens worden al helemaal niet aangereikt, wat verzoeker met verwijzing naar de aanwezige infrastructuur ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-4/15 trouwens onmogelijk acht. Voorts betwist verzoeker ook dat de knowhow zou ontbreken. De school zet sterk in op professionalisering van het leerkrachtenteam en bovendien zijn vele leerplandoelen van een reeds aangeboden studierichting gelijklopend met deze van het aangevraagde structuuronderdeel. Daarnaast zijn de nodige garanties voorhanden dat de opleiding inhoudelijk volledig uitgebouwd wordt en verbinding maakt met de arbeidsmarkt. Verzoeker voert ook nog aan dat het feit dat in de betrokken school reeds een aantal gelijkaardige studierichtingen wordt aangeboden, de mogelijkheid biedt voor de verwerende partij om te controleren of de nodige infrastructuur aanwezig is. Door te stellen dat die infrastructuur er niet is, geeft de verwerende partij zelf aan dat haar onderzoek gebrekkig is verlopen. 5. In de memorie van antwoord wijst de verwerende partij erop dat het aangevraagde structuuronderdeel behoort tot “het secundair onderwijs met dubbele finaliteit”, waardoor ook moet worden gepeild naar “de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast [moeten] zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel”. Dat is trouwens het criterium waarop de thans bestreden beslissing steunt. Volgens de verwerende partij heeft de onderwijsinspectie geadviseerd dat “[u]it het dossier […] niet [blijkt] dat de school over de nodige infrastructuur beschikt om een dergelijk structuuronderdeel kwaliteitsvol te kunnen aanbieden. Het gevraagde structuuronderdeel vereist immers een specifieke knowhow en uitrusting”. Voorts was uit de aanvraag van verzoeker niet eenduidig op te maken waar het betrokken structuuronderdeel zou worden ingericht, terwijl die vestigingsplaats wel van belang is. De verwerende partij erkent dat de door verzoeker in de aanvraag vermelde studierichtingen verwantschap vertonen met het aangevraagde structuuronderdeel, maar ze kunnen toch niet over dezelfde kam worden geschoren. De reeds aangeboden studierichtingen hebben volgens de verwerende partij een louter arbeidsmarktgerichte finaliteit, wat leidt tot een “intensief gebruik van de beschikbare materiële infrastructuur en leermiddelen”, terwijl de vorming binnen het aangevraagde structuuronderdeel “meer theoretisch-abstract” is. Dat vertaalt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-5/15 zich vervolgens in andere noden wat infrastructuur en lokalen betreft: “[e]r zal bijvoorbeeld meer tijd doorgebracht worden in leslokalen die zich richten op een meer theoretische vorming”. Van een gebrekkige controle door de onderwijsinspectie is allerminst sprake, vindt de verwerende partij. De bestaande richtingen enerzijds en de aangevraagde richting anderzijds, hebben een verschillende doelstelling en zijn niet vergelijkbaar. Van de inspectie kan niet worden verwacht dat zij “appels met peren” vergelijkt. In de huidige procedure brengt verzoeker voor het eerst een opsomming van het aanwezige leermateriaal bij. Deze ontbrak in de aanvraag. Maar het is voor de verwerende partij nog altijd gissen op welke locatie het aangevraagde structuuronderdeel zou worden ingericht. Het is derhalve evenmin duidelijk of het leermateriaal op die locatie wel voorhanden zou zijn. Wat de knowhow betreft, mag de verschillende finaliteit van de structuuronderdelen niet uit het oog worden verloren. Dat verschil vereist een andere methode om de leerstof aan te brengen en dus ook een verschillende knowhow. Nergens in het dossier wordt aangetoond dat het lerarenkorps voldoende is opgeleid om met kennis van zaken de aangevraagde studierichting aan te bieden of er zich heeft op voorbereid. De verwerende partij merkt op dat zij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de aanvragen tot programmatie. Er is het weigeringsmotief, maar minstens bestaat er twijfel over de precieze locatie waar de nieuwe studierichting zal worden georganiseerd. Daardoor konden andere beoordelingscriteria niet concreet worden getoetst. De verwerende partij heeft haar beslissing gesteund op het advies van de onderwijsinspectie. Dat advies steunt op feiten die terug te vinden zijn in de programmatieaanvraag. Die motieven kunnen de beslissing dragen. 6. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de bestreden beslissing steunt op het inspectieverslag. Dat verslag kan niet worden onderuitgehaald met argumenten en stukken die niet in de aanvraag zijn vermeld, maar voor het eerst in het verzoekschrift aan bod komen. Ook het middel kan enkel worden beoordeeld aan de hand van de stukken die bij de aanvraag zijn gevoegd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-6/15 Wat de twijfel betreft in verband met de locatie waar het structuuronderdeel zou worden ingericht, stelt de verwerende partij dat de onduidelijkheid hierover ertoe heeft geleid dat er vraagtekens waren of wel de nodige infrastructuur voorhanden was. Dit gegeven grondt dan ook het weigeringsmotief van de bestreden beslissing. Voorts onderstreept de verwerende partij dat het aan verzoeker toevalt om in de aanvraag te staven dat de specifieke infrastructuur, leermiddelen en knowhow voor het structuuronderdeel aanwezig zijn. Indien dit niet gebeurt, moet er zonder meer worden vastgesteld dat daaraan niet is voldaan. Welnu, in de aanvraag van verzoeker is niet de minste duidelijkheid verschaft over de aanwezigheid van infrastructuur en knowhow. Verzoeker erkent in de memorie van wederantwoord trouwens dat de beschikbare infrastructuur niet is opgesomd in de aanvraag. Er is zelfs niet eens verduidelijkt op welke vestigingsplaats het structuuronderdeel zou worden aangeboden. Verzoeker heeft het dan ook zo goed als onmogelijk gemaakt om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden. Verzoeker heeft enkel verwezen naar verwante studierichtingen, waarbij de verwerende partij maar moest gokken dat de voor die richtingen voorhanden zijnde infrastructuur zou volstaan voor het inrichten van het aangevraagde structuuronderdeel. Bovendien zijn de studierichtingen waarnaar is verwezen arbeidsmarktgerichte opleidingen, terwijl voor het aangevraagde structuuronderdeel – dat een dubbele finaliteit heeft – meer theoretische vorming noodzakelijk is. Een dubbele finaliteit vergt een andere infrastructuur, een andere aanpak en andere knowhow bij het lerarenkorps. Zelfs al kan worden aangenomen dat beroep kan worden gedaan op bepaalde materiële infrastructuur en leermiddelen die in een school aanwezig zijn, dan moet nog steeds uit de aanvraag kunnen worden afgeleid dat die aanwezige infrastructuur ook volstaat voor het aangevraagde structuuronderdeel, ook al gaat het om de infrastructuur voor de ruimere theoretisch-abstracte component. Ook met betrekking tot de inrichting van de meer theoretische vorming mag van de aanvrager worden verwacht dat hij in de aanvraag toelicht hoe hij zich daarop qua infrastructuur ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-7/15 heeft voorbereid. Hieromtrent is in de aanvraag niet de minste concrete verduidelijking gegeven. Verzoeker mag er niet vanuit gaan dat de verwerende partij over bepaalde gegevens niet onwetend is en dat zij voor hem alle concrete elementen zal invullen en beoordelen. Beoordeling 7. De Vlaamse regering beschikt bij het beoordelen van een programmatieaanvraag over een discretionaire bevoegdheid. Zij moet bij het nemen van haar beslissing wel rekening houden met de criteria bepaald in artikel 178, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO), dat luidt: “De Vlaamse regering houdt bij haar beslissing rekening met de volgende cumulatieve criteria: 1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld; 2° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt; 3° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen; 4° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap; 5° in geval van een studierichting met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt:

  1. a)de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel;
  2. b)de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld; 6° de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters binnen en buiten de betrokken scholengemeenschap zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod.” 8. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de overheid, maar hij is bij de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-8/15 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-9/15 9. De bestreden beslissing weigert de programmatie van het aangevraagde structuuronderdeel omdat “[u]it het dossier […] niet [blijkt] dat de school over de nodige infrastructuur beschikt om een dergelijk structuuronderdeel kwaliteitsvol te kunnen aanbieden. Het gevraagde structuuronderdeel vereist immers een specifieke knowhow en uitrusting.” Een ander motief wordt in de beslissing niet tot uitdrukking gebracht. Ook in het bijgebrachte advies van de onderwijsinspectie wordt geen andere weigeringsgrond ter sprake gebracht. Met het argument dat er “minstens” twijfel zou bestaan over de vestigingsplaats waar het aangevraagde structuuronderdeel zou worden ingericht, mag de Raad van State derhalve geen rekening houden. 10. Vervolgens dient vastgesteld dat in de aanvraag voor wat betreft de beschikbare infrastructuur, leermiddelen en expertise wordt verwezen naar vier studierichtingen die in de school al worden aangeboden. Daarvan erkent de verwerende partij in haar memorie van antwoord uitdrukkelijk dat ze een verwantschap vertonen met het aangevraagde structuuronderdeel. Om te stellen dat toch niet blijkt dat de noodzakelijke infrastructuur aanwezig is, wordt in de memorie van antwoord geargumenteerd dat het aangevraagde structuuronderdeel “meer theoretisch-abstract” is dan de reeds aangeboden en verwante studierichtingen. Met andere woorden wordt aan verzoeker niet verweten de voor dat structuuronderdeel specifieke materiële infrastructuur en leermiddelen niet ter beschikking te hebben, maar wel de meer algemene infrastructuur: klaslokalen die uitgerust zijn voor louter theoretisch onderwijs. Waar dat verwijt precies steun vindt in het dossier, is voor de Raad van State alvast een raadsel. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-10/15 11. Wat de knowhow betreft, wijst verzoeker er niet onterecht op dat in de betrokken school verwante arbeidsmarktgerichte opleidingen, maar ook opleidingen met een dubbele finaliteit worden ingericht. De verwerende partij erkent, zoals gezien, dat het aangevraagde structuuronderdeel verwantschap vertoont met in de betrokken school reeds aangeboden opleidingen. De verwerende partij kan er evenmin onwetend over zijn dat in die school ook andere opleidingen met een dubbele finaliteit worden ingericht. Wanneer zij dan van oordeel is dat zekere knowhow ontbreekt, moet zij dat verwijt concretiseren. Daarin slaagt zij niet, niet in de bestreden beslissing en evenmin is daarover iets in de stukken van het administratief dossier terug te vinden. 12. Het eerste middel is gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 13. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 4 juncto artikel 23 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 ‘betreffende het gemeenschapsonderwijs’ (“het bijzonder decreet”). Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing geen beslissing is van de raad van bestuur van de betrokken scholengroep, terwijl deze raad van bestuur nochtans als enige bevoegd is voor de programmatie van studierichtingen. De decreetgever heeft niet voorzien in een residuaire bevoegdheid die bij de Vlaamse Gemeenschap is gebleven. Verzoeker wijst erop dat het ingrijpen van de Vlaamse Gemeenschap op de programmatie steunt op de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-11/15 Codex Secundair Onderwijs, die een lagere rechtsnorm is dan het bijzonder decreet. Volgens verzoeker betekent dit niet dat er binnen het Gemeenschapsonderwijs “zomaar” mag worden geprogrammeerd. In het bijzonder decreet is immers niet de bevoegdheid opgenomen om rationalisatienormen te bepalen. Meer bepaald vormt artikel 198 VCSO de grens voor de programmatievrijheid, aangezien de aanbodzijde van de geprogrammeerde studierichtingen moet overeenstemmen met de vraagzijde, zodat voldoende leerlingen worden aangetrokken of anders de school verdwijnt. Bijgevolg is het niet enkel het schoolbestuur dat het best geplaatst is om een “rationaal studieaanbod” te beoordelen, maar het is dezelfde onderwijsverstrekker die de gevolgen draagt als hij deze oefening niet naar behoren doet. 14. In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker het verband tussen programmatie en financiering van de hand: “De financiering is echter niet als bevoegdheid afgestaan door de Vlaamse Gemeenschap, de programmatie wel. Financiering hangt in de eerste plaats samen met de leerlingenaantallen en niet met het aantal of de aard van de studierichtingen. Inzake financiering dienen de rationalisatienormen gerespecteerd te worden, hetgeen een (vrijwillige) rem kan zijn inzake programmatie.” Beoordeling 15. De Raad van State heeft in arresten nrs. 255.848 en 255.849 van 17 februari 2023 een woordelijk identiek middel verworpen op grond van volgende overwegingen: “7. Programmatie is de oprichting van – in casu – een structuuronderdeel ‘met de bedoeling dat structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring’ (artikel 3, 35°, VCSO). Anders dan verzoeker het ziet, is het verband tussen programmatie als ‘inrichting van het onderwijs’ en financiering er dus wel en zelfs rechtstreeks. Wie een programmatieaanvraag indient, vraagt eigenlijk aan de Vlaamse Gemeenschap niet zozeer de goedkeuring om een nieuwe ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-12/15 opleiding te mogen aanbieden, maar wel om dit nieuwe aanbod te financieren of te subsidiëren. Zoals kan worden nagelezen in de artikelen 14 en 15 VCSO, is ‘voldoen aan de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen’ een voorwaarde voor financiering of subsidiëring van een structuuronderdeel, niet een erkenningsvoorwaarde. 8. De onderwijsverstrekker – overheid of privépersoon – mag beoordelen of het opportuun is om zijn bestaande onderwijsaanbod aan te vullen met nieuwe structuuronderdelen. Het bijzonder decreet regelt, wat het Gemeenschapsonderwijs betreft, welke bestuursniveaus en welke organen van die rechtspersoon de bevoegdheid toevalt om daarover beslissingen te nemen. Artikel 23, § 1, van het bijzonder decreet wijst alzo aan de raad van bestuur van de scholengroep inzake het pedagogisch beleid onder meer ‘de programmatie van unieke studierichtingen’ toe. 9. Als het Gemeenschapsonderwijs evenwel verwacht dat het voor die nieuwe structuuronderdelen ook gefinancierd wordt door de Vlaamse Gemeenschap, dan is het onderworpen aan de financierings- en subsidiëringsregels die de laatstgenoemde daaromtrent mag uitwerken. Het recht op subsidiëring wordt beperkt, enerzijds, door de mogelijkheid voor de gemeenschap om de subsidies te verbinden aan vereisten die te maken hebben met het algemeen belang, onder andere die van een kwaliteitsonderwijs, de inachtneming van normen in verband met de schoolbevolking en de gelijke toegang tot het onderwijs en, anderzijds, door de noodzaak om de beschikbare financiële middelen te verdelen onder de verschillende opdrachten van de gemeenschap (zie, bijvoorbeeld, GwH 25/1992, 2 april 1992, 4.B.2; GwH 152/2018, 8 november 2018, B.6.5). De (gewone) decreetgever mag bijgevolg aan de onderwijsverstrekkers, zowel het gesubsidieerd onderwijs als het gemeenschapsonderwijs, voorwaarden voor financiering en subsidiëring opleggen. Dat de (bijzondere) decreetgever gebruikgemaakt heeft van de mogelijkheid om ‘bevoegdheden als inrichtende macht’ over te dragen aan een autonome instelling – het Gemeenschapsonderwijs – doet daaraan geen afbreuk. Zoals het Grondwettelijk Hof heeft vastgesteld in zijn arrest 40/2011 van 15 maart 2011 (B.11.1) en arrest 105/2018 van 19 juli 2018 (B.7.1) ‘blijkt dat de Grondwetgever met de ‘bevoegdheden als inrichtende macht’ in essentie die bevoegdheden voor ogen heeft gehad waarover ook de andere inrichtende machten van onderwijs beschikken’. Er is voor de Raad van State geen reden om die analyse voor de huidige zaak niet bij te vallen. Bijvallen voor de huidige zaak doet de Raad van State ook de volgende overwegingen in voormeld arrest 105/2018: ‘B.8.1. Het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs heeft het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs vervangen. Artikel 4, § 1, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 bepaalt dat, met uitsluiting van ieder ander orgaan, de scholengroepen en de Raad van het Gemeenschapsonderwijs de inrichtende macht zijn van het gemeenschapsonderwijs, binnen de bevoegdheden die door en krachtens dat bijzonder decreet worden toegekend. In haar advies bij het ontwerp dat tot ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-13/15 het bijzonder decreet van 14 juli 1998 heeft geleid, merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State op: ‘Het voorstel strekt, zoals het ARGO-decreet, tot de oprichting van een openbare instelling die, in de plaats van de Vlaamse gemeenschap, de inrichtende macht wordt van het gemeenschapsonderwijs. Zoals reeds in het advies van de Raad van State bij het ARGO-decreet werd opgemerkt, ontstaat daardoor een duidelijke splitsing tussen, enerzijds, de uitoefening van de normeringsfunctie die, binnen de grenzen bepaald in de Grondwet, zaak is van het Vlaams Parlement en, bij delegatie, de Vlaamse Regering en, anderzijds, de uitoefening van de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs, die bij uitsluiting de zaak wordt van de voortaan ‘het Gemeenschapsonderwijs’ genoemde openbare instelling’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 1997-1998, nr. 1095/3, p. 8). […] B.11. Zoals in B.8.1 is vermeld, moet inzake de uitoefening van de decreetgevende bevoegdheid door de Vlaamse Gemeenschap, een onderscheid worden gemaakt naargelang zij, enerzijds, als inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs bevoegdheden opdraagt aan één of meer autonome organen en, anderzijds, als normgever de aangelegenheid van het onderwijs in zijn algemeenheid regelt, binnen de grenzen bepaald door de Grondwet. Enkel in het eerste geval dient de door artikel 24, § 2, van de Grondwet vereiste bijzondere meerderheid in acht te worden genomen.’ Vermits ze de financiering en subsidiëring van het onderwijsaanbod regelen voor de verschillende onderwijsnetten, behoort het aannemen van de programmatieregels tot de algemene normatieve bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs. Het enkele feit dat de bestreden bepalingen ook moeten worden nageleefd door (de autonome organen van) het Gemeenschapsonderwijs brengt deze aangelegenheid niet binnen het toepassingsgebied van artikel 24, § 2, van de Grondwet. Die organen moeten immers, zoals elke onderwijsverstrekker, handelen binnen het algemeen normatief kader inzake de financiering van het onderwijsaanbod dat de decreetgever bij gewone meerderheid mag aannemen (vergelijk GwH 105/2018, 19 juli 2018, B.13.2). 10. Het middel dat ervan uitgaat dat de programmatieregels een bijzondere meerderheid behoeven, opdat ze kunnen gelden voor het Gemeenschapsonderwijs, faalt in rechte.” 16. De Raad van State ziet geen reden om vandaag anders te oor- delen. Het tweede middel faalt in rechte. BESLISSING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-14/15 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Vlaamse regering van 18 maart 2022 waarbij de programmatie wordt geweigerd van een tweede graad grafische technieken (TSO met dubbele finaliteit) in het domein STEM in de school TechniGO! Campus De Voorstad te Aalst. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.395 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.