id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.395 Rolnummer: A. 236436/IX-10040 Zaak: Arrest 258395 - Varia (onderwijs en cultuur) - 11/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-15 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 19:06 Fiche Arrest nr 258.395 van 11 januari 2024 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.395 van 11 januari 2024 in de zaak A. 236.436/IX-10.040 In zake : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep Dender bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Len Augustyns kantoor houdend te 2000 Antwerpen Brusselstraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 18 maart 2022 ‘tot goedkeuring van de programmatie van structuuronderdelen in het gewoon voltijds secundair onderwijs’, “voor zover hierin impliciet […] wordt geweigerd: programmatie van 2e graad Grafische technieken TSO (domein STEM) in TechniGO! Campus De Voorstad Aalst”. II. Verloop van de rechtspleging ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-1/15 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2023. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi De Doncker, die loco advocaat Len Augustyns verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 19 oktober 2021 dient verzoeker voor het schooljaar 2022- 2023 een aanvraag in tot programmatie van een tweede graad ‘grafische technieken’ (TSO met dubbele finaliteit) in het domein STEM in de school TechniGO! Campus De Voorstad te Aalst. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-2/15 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-3/15 3.2. Op 18 maart 2022 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘tot goedkeuring van de programmatie van structuuronderdelen in het gewoon voltijds secundair onderwijs’. Op dezelfde dag beslist de Vlaamse regering een aantal aanvragen niet toe te staan. Onder meer de programmatieaanvraag voor de tweede graad ‘grafische technieken’ in TechniGO! Campus De Voorstad te Aalst wordt geweigerd. Die weigering is het voorwerp van huidig beroep. De motivering ervan luidt: “Uit het dossier blijkt niet dat de school over de nodige infrastructuur beschikt om een dergelijk structuuronderdeel kwaliteitsvol te kunnen aanbieden. Het gevraagde structuuronderdeel vereist immers een specifieke knowhow en uitrusting.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker voert aan dat in de aanvraag is uiteengezet dat de nodige infrastructuur, leermiddelen en expertise aanwezig is om het betrokken structuuronderdeel ‘Grafische technieken’ kwaliteitsvol te kunnen aanbieden. Daarbij is verwezen naar gelijkaardige studierichtingen waarvoor de school over uitgeruste lokalen en leraren met kennis en expertise beschikt. In de bestreden beslissing wordt zelfs niet theoretisch geargumenteerd waarom het niet klopt dat die reeds aangeboden richtingen ervoor zorgen dat de lokalen voldoende uitgerust zijn en de leerkrachten bekwaam zijn om het onderwijs in het aangevraagde structuuronderdeel aan te bieden. Feitelijke gegevens worden al helemaal niet aangereikt, wat verzoeker met verwijzing naar de aanwezige infrastructuur ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-4/15 trouwens onmogelijk acht. Voorts betwist verzoeker ook dat de knowhow zou ontbreken. De school zet sterk in op professionalisering van het leerkrachtenteam en bovendien zijn vele leerplandoelen van een reeds aangeboden studierichting gelijklopend met deze van het aangevraagde structuuronderdeel. Daarnaast zijn de nodige garanties voorhanden dat de opleiding inhoudelijk volledig uitgebouwd wordt en verbinding maakt met de arbeidsmarkt. Verzoeker voert ook nog aan dat het feit dat in de betrokken school reeds een aantal gelijkaardige studierichtingen wordt aangeboden, de mogelijkheid biedt voor de verwerende partij om te controleren of de nodige infrastructuur aanwezig is. Door te stellen dat die infrastructuur er niet is, geeft de verwerende partij zelf aan dat haar onderzoek gebrekkig is verlopen. 5. In de memorie van antwoord wijst de verwerende partij erop dat het aangevraagde structuuronderdeel behoort tot “het secundair onderwijs met dubbele finaliteit”, waardoor ook moet worden gepeild naar “de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast [moeten] zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel”. Dat is trouwens het criterium waarop de thans bestreden beslissing steunt. Volgens de verwerende partij heeft de onderwijsinspectie geadviseerd dat “[u]it het dossier […] niet [blijkt] dat de school over de nodige infrastructuur beschikt om een dergelijk structuuronderdeel kwaliteitsvol te kunnen aanbieden. Het gevraagde structuuronderdeel vereist immers een specifieke knowhow en uitrusting”. Voorts was uit de aanvraag van verzoeker niet eenduidig op te maken waar het betrokken structuuronderdeel zou worden ingericht, terwijl die vestigingsplaats wel van belang is. De verwerende partij erkent dat de door verzoeker in de aanvraag vermelde studierichtingen verwantschap vertonen met het aangevraagde structuuronderdeel, maar ze kunnen toch niet over dezelfde kam worden geschoren. De reeds aangeboden studierichtingen hebben volgens de verwerende partij een louter arbeidsmarktgerichte finaliteit, wat leidt tot een “intensief gebruik van de beschikbare materiële infrastructuur en leermiddelen”, terwijl de vorming binnen het aangevraagde structuuronderdeel “meer theoretisch-abstract” is. Dat vertaalt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-5/15 zich vervolgens in andere noden wat infrastructuur en lokalen betreft: “[e]r zal bijvoorbeeld meer tijd doorgebracht worden in leslokalen die zich richten op een meer theoretische vorming”. Van een gebrekkige controle door de onderwijsinspectie is allerminst sprake, vindt de verwerende partij. De bestaande richtingen enerzijds en de aangevraagde richting anderzijds, hebben een verschillende doelstelling en zijn niet vergelijkbaar. Van de inspectie kan niet worden verwacht dat zij “appels met peren” vergelijkt. In de huidige procedure brengt verzoeker voor het eerst een opsomming van het aanwezige leermateriaal bij. Deze ontbrak in de aanvraag. Maar het is voor de verwerende partij nog altijd gissen op welke locatie het aangevraagde structuuronderdeel zou worden ingericht. Het is derhalve evenmin duidelijk of het leermateriaal op die locatie wel voorhanden zou zijn. Wat de knowhow betreft, mag de verschillende finaliteit van de structuuronderdelen niet uit het oog worden verloren. Dat verschil vereist een andere methode om de leerstof aan te brengen en dus ook een verschillende knowhow. Nergens in het dossier wordt aangetoond dat het lerarenkorps voldoende is opgeleid om met kennis van zaken de aangevraagde studierichting aan te bieden of er zich heeft op voorbereid. De verwerende partij merkt op dat zij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de aanvragen tot programmatie. Er is het weigeringsmotief, maar minstens bestaat er twijfel over de precieze locatie waar de nieuwe studierichting zal worden georganiseerd. Daardoor konden andere beoordelingscriteria niet concreet worden getoetst. De verwerende partij heeft haar beslissing gesteund op het advies van de onderwijsinspectie. Dat advies steunt op feiten die terug te vinden zijn in de programmatieaanvraag. Die motieven kunnen de beslissing dragen. 6. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de bestreden beslissing steunt op het inspectieverslag. Dat verslag kan niet worden onderuitgehaald met argumenten en stukken die niet in de aanvraag zijn vermeld, maar voor het eerst in het verzoekschrift aan bod komen. Ook het middel kan enkel worden beoordeeld aan de hand van de stukken die bij de aanvraag zijn gevoegd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-6/15 Wat de twijfel betreft in verband met de locatie waar het structuuronderdeel zou worden ingericht, stelt de verwerende partij dat de onduidelijkheid hierover ertoe heeft geleid dat er vraagtekens waren of wel de nodige infrastructuur voorhanden was. Dit gegeven grondt dan ook het weigeringsmotief van de bestreden beslissing. Voorts onderstreept de verwerende partij dat het aan verzoeker toevalt om in de aanvraag te staven dat de specifieke infrastructuur, leermiddelen en knowhow voor het structuuronderdeel aanwezig zijn. Indien dit niet gebeurt, moet er zonder meer worden vastgesteld dat daaraan niet is voldaan. Welnu, in de aanvraag van verzoeker is niet de minste duidelijkheid verschaft over de aanwezigheid van infrastructuur en knowhow. Verzoeker erkent in de memorie van wederantwoord trouwens dat de beschikbare infrastructuur niet is opgesomd in de aanvraag. Er is zelfs niet eens verduidelijkt op welke vestigingsplaats het structuuronderdeel zou worden aangeboden. Verzoeker heeft het dan ook zo goed als onmogelijk gemaakt om na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden. Verzoeker heeft enkel verwezen naar verwante studierichtingen, waarbij de verwerende partij maar moest gokken dat de voor die richtingen voorhanden zijnde infrastructuur zou volstaan voor het inrichten van het aangevraagde structuuronderdeel. Bovendien zijn de studierichtingen waarnaar is verwezen arbeidsmarktgerichte opleidingen, terwijl voor het aangevraagde structuuronderdeel – dat een dubbele finaliteit heeft – meer theoretische vorming noodzakelijk is. Een dubbele finaliteit vergt een andere infrastructuur, een andere aanpak en andere knowhow bij het lerarenkorps. Zelfs al kan worden aangenomen dat beroep kan worden gedaan op bepaalde materiële infrastructuur en leermiddelen die in een school aanwezig zijn, dan moet nog steeds uit de aanvraag kunnen worden afgeleid dat die aanwezige infrastructuur ook volstaat voor het aangevraagde structuuronderdeel, ook al gaat het om de infrastructuur voor de ruimere theoretisch-abstracte component. Ook met betrekking tot de inrichting van de meer theoretische vorming mag van de aanvrager worden verwacht dat hij in de aanvraag toelicht hoe hij zich daarop qua infrastructuur ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.395 IX-10.040-7/15 heeft voorbereid. Hieromtrent is in de aanvraag niet de minste concrete verduidelijking gegeven. Verzoeker mag er niet vanuit gaan dat de verwerende partij over bepaalde gegevens niet onwetend is en dat zij voor hem alle concrete elementen zal invullen en beoordelen. Beoordeling 7. De Vlaamse regering beschikt bij het beoordelen van een programmatieaanvraag over een discretionaire bevoegdheid. Zij moet bij het nemen van haar beslissing wel rekening houden met de criteria bepaald in artikel 178, derde lid, van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO), dat luidt: “De Vlaamse regering houdt bij haar beslissing rekening met de volgende cumulatieve criteria: 1° de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld; 2° de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften op het vlak van het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie, met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt; 3° de keuzevrijheid van ouders en leerlingen; 4° de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de school of de scholengemeenschap; 5° in geval van een studierichting met dubbele finaliteit of finaliteit arbeidsmarkt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.