id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.404 Rolnummer: A. 233712/XIV-38709 Zaak: Arrest 258404 - Tucht (openbaar ambt) - 11/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-10 19:09 Fiche Arrest nr 258.404 van 11 januari 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.404 van 11 januari 2024 in de zaak A. é.712/XIV-38.709 In zake : XXXX woonplaats kiezend te 8830 Hooglede Zouavenstraat 14 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Leroy Lievens en Ann Van de Steen kantoor houdend te 9300 Aalst Leopoldlaan 48 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissaris-generaal van de Federale politie van 22 maart 2021 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.709-1/35 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 20 februari 2020 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op, met daarin het voornemen om verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. De ten laste gelegde feiten worden als volgt omschreven: “U zou op 9 januari 2018 om 10u50 de nummerplaat van uw persoonlijk voertuig opgevraagd hebben in de ANG. Tevens zou u om 10u52 uzelf opgevraagd hebben in de ANG. In het raam van het strafdossier verklaarde u dat voornoemde opzoekingen niet kaderden in een opdracht van bestuurlijke of gerechtelijk politie. U verklaarde dat u middels de opzoekingen wilde nagaan of u geseind stond voor het niet-betalen XIV-38.709-2/35 van een verkeersboete, die u had opgelopen tijdens een privévakantie in het buitenland. U verklaarde dat, volgens u, het oplopen van een parkeerboete in het buitenland een geldige politionele reden is om voornoemde opzoekingen in de ANG uit te voeren. U verklaarde dat het niet zijn bedoeling was om iets te weten te komen over uw privéleven, doch dat u enkel wou nagaan of u de parkeerboete nog diende te betalen. De loggingcontrole, bijgevoegd aan het strafdossier, bevestigt dat u op 9 januari 2018 om 10u50 en om 10u52 eerst de nummerplaat van uw voertuig en vervolgens uzelf zou opgezocht hebben in de ANG.” 3.
- Op 6 april 2020 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 23 februari 2021 adviseert de Tuchtraad: “dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.2, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend; dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal een gepaste straf is.” 3.
- Op 22 maart 2021 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Rechtspleging
- Verzoeker legt ter terechtzitting een aanzienlijke nota getiteld “Noodzakelijke en relevante opmerkingen en bedenkingen voor terechtzitting Raad van State in dossier met kenmerk G/A é.712/XIV-38709 en G/A 228.441/XIV-38086” en een omvangrijke bundel aanvullende stukken neer. XIV-38.709-3/35 Beoordeling
- De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van een pleit- of andere nota, noch aanvullende stukken, ter terechtzitting. In zoverre deze nota de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre verzoeker in zijn mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de pleitnota die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van zijn middelen ontwikkelt waarvan hij - zoals te dezen - niet aantoont dat hij die niet in zijn verzoekschrift kon ontwikkelen, zijn zij niet-ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd.
- In zoverre de nota slaat op de procedure die bij de Raad van State is gekend onder het nummer G/A 228.441/XIV-38.086 wordt opgemerkt dat die procedure is afgesloten met het arrest nr. 247.218 van 4 maart
- In zoverre verzoeker in diezelfde nota vraagt om hem te vergoeden voor de geleden schade ten belope van 274.990,15 euro, wordt enerzijds opgemerkt dat de Raad van State niet bevoegd is om het verzoek tot schadevergoeding te beoordelen in de mate dat het steunt op andere gronden dan (de onwettigheid van) de in dit beroep bestreden beslissing, anderzijds dat in de mate de door verzoeker voorgelegde schadebegroting wel steunt op de te dezen bestreden beslissing, zijn verzoek niet beantwoordt aan de bepalingen van artikel 25/2 van besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) en derhalve niet kan worden beschouwd als een verzoek tot schadevergoeding tot herstel zoals bedoeld in artikel 11bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Nog daargelaten dat een verzoek tot schadevergoeding tot herstel niet kan worden ingediend via een ter terechtzitting neergelegde niet in de procedureregeling voorziene nota, maar overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, van de algemene procedureregeling bij XIV-38.709-4/35 ter post aangetekende brief of via de elektronische procesvoering geregeld in artikel 85bis van de algemene procedureregeling moet worden ingediend, bevat het verzoek immers niet alle voorgeschreven vermeldingen bepaald in artikel 25/2, § 2, tweede lid, 1° en 4° en is het niet vergezeld van de door artikel 3bis van de algemene procedureregeling vereiste afschriften.
- In zoverre uit de nota van verzoeker nieuwe middelen moeten worden afgeleid, wordt gewezen op wat volgt. Artikel 2, § 1, 3° van de algemene procedureregeling zoals het luidde en van toepassing is op het voorliggende beroep, bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Hieruit volgt dat in beginsel alle middelen tot nietigverklaring door verzoeker noodzakelijk, op straffe van niet-ontvankelijkheid, worden aangevoerd in het verzoekschrift of, nadat verzoeker er kennis van heeft gekregen of er kennis van moest hebben, uiterlijk bij de eerst mogelijke procedurele gelegenheid die de algemene procedureregeling hem biedt. In zoverre de grondslag van het nieuwe middel pas na het indienen van de laatste memorie en na het verstrijken van de termijn daartoe, aan het licht gekomen is, en verzoeker aldus, in die stand van het geding, niet meer de gelegenheid had om door middel van een in de algemene procedureregeling voorziene mogelijkheid dit middel alsnog aan te voeren, leidt, in het licht van het recht op toegang tot de rechter, de enkele omstandigheid dat het middel in een niet in de algemene procedureregeling voorzien stuk – te dezen de “nota” – is aangevoerd, er op zich niet toe het als niet-ontvankelijk te verwerpen. Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat van een verzoeker die in die omstandigheden een nieuw middel opwerpt, een loyale procesvoering moet worden verwacht, wat onder meer inhoudt dat door de verzoeker wordt aangetoond, minstens redelijkerwijze aannemelijk gemaakt dat XIV-38.709-5/35 hij het aldus aangevoerde nieuwe middel niet eerder kon aanvoeren, wat hij zoals hierna wordt uiteengezet, niet doet. Op de terechtzitting, noch in de nota heeft verzoeker redenen, laat staan in redelijkheid aanvaardbare redenen, gegeven waarom hij pas ter terechtzitting de in de nota vervatte argumenten kon opwerpen. Hij geeft enkel aan dat de nota betrekking heeft op “noodzakelijke en relevante opmerkingen en bedenkingen”. Daargelaten nog de vraag of deze “noodzakelijke en relevante opmerkingen en bedenkingen” kunnen worden aangezien als een middel dat immers de voldoende duidelijke en nauwkeurige omschrijving vereist van zowel de overtreden rechtsregel als van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden, overtuigt verzoekers betoog niet. De enkele omstandigheid dat verzoeker pas kennis kreeg van de nieuwe feiten na de laatste memorie, verklaart niet waarom hij ultiem tot op de terechtzitting wachtte om zijn nota in te dienen met als gevolg dat de verwerende partij, noch het auditoraat noch de Raad van State er op gepaste tijd kennis van konden nemen. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker geen deugdelijke redenen geeft die zijn stilzitten kunnen verantwoorden, minstens redelijkerwijze aannemelijk maken. Dat doet de Raad van State besluiten dat de proceshouding van verzoeker, die de verwerende partij, het auditoraat en de Raad van State nodeloos en vermijdbaar uitermate in extremis overvalt met wat verzoeker aanduidt als “noodzakelijke en relevante opmerkingen en bedenkingen”, niet getuigt van gepaste loyauteit ten aanzien van de merites van een correct en efficiënt procesverloop. In die omstandigheden zijn de voor het eerst in de nota en ter terechtzitting toegelichte nieuwe argumenten niet ontvankelijk. XIV-38.709-6/35 XIV-38.709-7/35 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Vooreerst zet hij uiteen dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is, daar ze in strijd is met de permanente nota CGO-2007/3141 CG2007 12164 d.d. 9 oktober 2007 met als onderwerp: ‘raadpleging van de politiële gegevensbanken of de gegevensbanken ter beschikking gesteld van de politiediensten’, alsook in strijd is met ‘principes die verzoeker aangeleerd werden’. Onder punt 3 ‘Verantwoordelijkheden en verplichtingen van de gebruikers’ vermeldt de nota CGO-2007/3141 CG2007 12164 o.a. dat als onwettige doeleinden worden beschouwd “nieuwsgierigheid, nagaan of uzelf, een ander lid van een politiedienst of een naast familielid geregistreerd staat in een gegevensbank, elk ander privégebruik of ongerechtvaardigd gebruik, hetzij in het raam van een identiteitscontrole in de zin van art. 34 WPA, hetzij in het raam van een lopend gerechtsdossier (reactief of proactief) of dossier van bestuurlijke politie.” Volgens verzoeker is een raadpleging een zoektocht. Verzoeker zet verder uiteen dat de beide raadplegingen op dezelfde dag op hetzelfde moment geschiedden, waaruit volgt dat de raadplegingen om dezelfde reden plaatsvonden. Op het ogenblik van het gerechtelijk verhoor over de raadplegingen was verzoeker van mening dat zijn opzoekingen die verband houden met ‘verkeer’ noch onder bestuurlijke, noch onder gerechtelijke politie vallen, maar onder een aparte categorie. Onder welke categorie een reden voor het raadplegen van de databanken valt, is volgens verzoeker van minder belang. Wat vooral van belang is, is de aanwezigheid van een geldige “politionele reden”, wat in dit dossier absoluut het geval is, want “een duidelijkere politionele reden dan een openstaande boete is XIV-38.709-8/35 bijna onvindbaar”. Het categoriseren van een “politionele reden” is in vele gevallen overigens onduidelijk en verzoeker licht dit toe met een voorbeeld. Verzoeker wist dat een openstaande verkeersboete een absolute geldige “politionele reden” was en verwijst desbetreffend naar enkele verklaringen uit zijn verhoor door de Dienst Enquêtes P op 13 februari 2019: “Ik meende dat ik een geldige reden had”. “Volgens mij is een parkeerboete in het buitenland tijdens privévakantie ook een geldige politionele reden om de databank op te vragen, het was nooit de bedoeling om iets te weten te komen voor mijn privéleven”. “Ik weet dat dit geen taak is van gerechtelijke of administratieve politie maar zeker wel politioneel”. Volgens verzoeker gebeuren binnen het interventiekorps, waarvan hij deel uitmaakt, alle raadplegingen van de databanken tijdens patrouilles op basis van verkeer. Tijdens een gesprek op 23 april 2021 met de heer F.B., lesgever in de materie ‘gebruik van de politionele databanken’, bevestigde deze aan verzoeker dat van zodra er een “politionele reden” is voor het gebruik van de databanken, dit voldoende is om een raadpleging uit te voeren. Dat er een geldige reden moet zijn voor een raadpleging in de databanken, is het enige waarmee rekening moet worden gehouden; wie of wat het voorwerp vormt van een raadpleging doet minder ter zake. Dat er een extra alertheid bestaat bij de controlediensten wanneer een raadpleging gebeurt binnen de privésfeer is logisch, maar ook niet meer dan dat. Het is enkel de afhandeling die dan beter wordt doorgegeven naar een andere collega. Verzoeker verwijst naar het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal dat naar artikel 23 van de deontologische code verwijst inzake het afhandelen van een zaak wanneer iemands onpartijdigheid ter discussie kan worden gesteld. Echter kan er bij het vereffenen van een openstaande boete geen enkele (on)partijdigheid ter discussie worden gesteld: men vereffent deze openstaande boete of niet. Vervolgens gaat het volgens verzoeker “over het waarborgen van de latere handelingen, namelijk afhandeling, zelfs voortzetten van de afhandeling, deze zijn zelfs niet gebeurd, namelijk het opstellen van het proces-verbaal”. De veiligheid en het goede verloop van de latere handelingen zijn absoluut gewaarborgd gebleven. Uit het voorgaande blijkt volgens verzoeker dat hij met miskenning “van de eigen nota en principes” tot een zware tuchtsanctie werd veroordeeld. XIV-38.709-9/35
- In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker allereerst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring. Verder repliceert verzoeker op de memorie van antwoord en voert hij aan dat hij wist dat de boete nog niet was betaald en dat hij dat meermaals heeft verklaard. Hij deed de opzoekingen enkel om de boete te kunnen vereffenen. Zelfs nagaan of een boete is vereffend, is een geldige reden om tot controle over te gaan. Het gaat erom of men een geldige reden heeft om tot controle over te gaan, niet meer dan dat. Punt 3 van de permanente nota CGO-2007/3141 CG2007 12164 houdt geen absoluut verbod in om jezelf na te gaan. Om van misbruik van databanken te spreken zou verzoeker overigens bewust misbruik moeten hebben gemaakt. Verzoeker maakte helemaal geen fout. Hij “handelde in zijn hoedanigheid van politieambtenaar 24/24”. Het doet er niet toe welke opdracht je al dan niet uitvoert op het moment van de raadpleging, zolang er maar een geldige “politionele reden” is voor de raadpleging. Vervolgens breidt verzoeker het eerste middel uit met de schending van artikel 7 en van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Met betrekking tot de schending van artikel 56 van de tuchtwet zet hij, samengevat, allereerst uiteen dat de wettelijke en redelijke termijn verstreken is. Van één dossier worden drie dossiers gemaakt om, zelfs na verjaring, verzoeker alsnog te kunnen beschuldigen. De toepassing van artikel 56 van de tuchtwet in het dossier “verkeersbelemmering” had enkel tot doel de stukken betreffende het vermeende misbruik van databanken te bekomen. De tuchtvervolging is een vorm van belaging, hiërarchisch pesten en een represaille voor verzoekers klacht wegens pesterijen en schuldig verzuim. Verzoeker schetst vervolgens hoe een gerechtelijk onderzoek werd gestart wegens belaging en verkeersbelemmering, hoe door een opvraging van dat dossier de feiten inzake de raadpleging van databanken onder de aandacht van de tuchtoverheden kwamen, terwijl er geen aanleiding was om dit dossier op te vragen, alsook hoe de gewone en hogere tuchtoverheid al veel eerder dan 27 september 2019 op de hoogte waren van de feiten. Hij besluit, met verwijzing naar het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal voor de XIV-38.709-10/35 Tuchtraad, dat de feiten verjaard zijn. Betreffende de schending van artikel 7 van de tuchtwet zet verzoeker uiteen dat het onwettig is om één tuchtdossier te splitsen in drie tuchtdossiers en dat er samenhang is tussen het dossier “verkeersbelemmering” en het dossier “misbruik van databanken”.
- In de laatste memorie verwijst verzoeker allereerst naar het verzoekschrift tot nietigverklaring en naar de memorie van wederantwoord. Vervolgens voert hij aan dat het auditoraatsverslag ten onrechte meent dat het middel niet is uitgewerkt. Verzoeker toont immers duidelijk aan dat de databanken mogen worden gebruikt, zowel voor verkeersinbreuken als gegevens en inlichtingen van persoonlijke aard, en hij herhaalt wat hij reeds eerder aanvoerde. Nog volgens verzoeker haalt het auditoraatsverslag artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 ‘op het politieambt’ (hierna: wet op het politieambt) ten onrechte ten nadele van verzoeker aan. Dat artikel bepaalt duidelijk: “In het kader van de uitoefening van hun opdrachten bestuurlijke of gerechtelijke politie …”. Er staat niet “een vooraf – voorziene – opgelegde dienst of opdracht”. Onder meer een verkeersinbreuk betreft een opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie en artikel 44/1 van de wet op het politieambt heeft tot doel en “zelfs verplichting” dat informatie die een politiefunctionaris heeft verkregen, zelfs buiten een opgelegde dienst of opdracht, moet worden verwerkt. Wat de verwijzing in het auditoraatsverslag naar artikel 23 van de deontologische code betreft, is het volgens verzoeker niet zo dat hij meent dat zijn onpartijdigheid in het geding is, daar het “enkel de vraag betrof of de openstaande boete al dan niet vereffend zou worden”. Verzoeker moest eerst nagaan of hij geseind stond wegens het niet betalen van de boete, om via deze weg de boete te kunnen vereffenen, en niet enkel om zonder politionele reden na te gaan of hij al dan niet geseind stond omwille van het niet betalen van de boete. Elke raadpleging van de databanken is immers nagaan of iets of iemand geseind staat. Het gaat erom of dit niet enkel uit nieuwsgierigheid is, maar met een “politionele reden”. Het auditoraatsverslag vergist zich eveneens over het betalen van de boete. De boete werd niet betaald na verduidelijking te hebben gekregen van het autoverhuurbedrijf, maar na voor de tweede maal hardnekkig te hebben aangedrongen bij de lokale politie van Tenerife, XIV-38.709-11/35 “nadat de voorzitter van de Tuchtraad lacherig deed over het bestaan van de boete”. Wat de schending van artikel 56 en van artikel 7 van de tuchtwet betreft, herhaalt verzoeker in zijn laatste memorie wat hij reeds in zijn memorie van wederantwoord aanvoerde. Verder verwijst verzoeker naar de vrijspraak door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 15 juni 2020, ten gevolge waarvan de vorige zware tuchtstraf moet worden ingetrokken en de thans bestreden beslissing moet worden vernietigd. Tot slot voert verzoeker aan dat het onwettig is en “in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur” om een uitspraak te doen of een inleidend verslag op te stellen zonder te wachten op de einduitspraak van de vonnisgerechten, wanneer men niet over de noodzakelijke gegevens beschikt. Beoordeling
- Verzoeker voert allereerst de schending aan van de formelemotiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli
- Artikel 2, § 1, 3°, van de algemene procedureregeling zoals het luidde en van toepassing is op het voorliggende beroep, vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. XIV-38.709-12/35 Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet-onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de formele motivering van de bestreden beslissing niet beantwoordt aan de vereisten van de wet van 29 juli
- Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- Verzoeker voert verder aan dat de bestreden beslissing het beginsel patere legem quam ipse fecisti schendt doordat de bestreden beslissing in strijd is met de nota CGO-2007/3141 CG2007 12164 van 9 oktober 2007, waarin wordt bepaald: “Hetgeen volgt wordt dus o.a. beschouwd als onwettige doeleinden: nieuwsgierigheid, nagaan of uzelf, een ander lid van een politiedienst of een naast familielid geregistreerd staat in een gegevensbank, elk ander privégebruik of ongerechtvaardigd gebruik, hetzij in het raam van een identiteitscontrole in de zin van art. 34 WPA, hetzij in het raam van een lopend gerechtsdossier (reactief of proactief) of dossier van bestuurlijke politie.” In essentie voert verzoeker aan dat zijn raadpleging van de databanken niet ongeoorloofd was, daar hij meent over een “geldige politionele reden” te beschikken, wat volgens verzoeker volstaat om de databanken te mogen raadplegen. Verzoeker verwijst naar de hiervoor geciteerde passage in de nota CGO-2007/3141 CG2007 12164 van 9 oktober 2007, maar verduidelijkt niet hoe hieruit blijkt dat de bestreden beslissing deze nota schendt. Verzoeker heeft de databanken geraadpleegd om na te gaan of een verkeersboete die hij in het buitenland in de privésfeer had opgelopen nog moest worden betaald. Hij is aldus nagegaan of hij zelf geregistreerd stond in een gegevensbank, wat volgens de aangehaalde nota wordt beschouwd als een onwettig doeleinde. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de tuchtoverheid haar eigen regels niet respecteert en het rechtsbeginsel patere legem quam ipse fecisti schendt. XIV-38.709-13/35 Om dit alsnog aan te tonen plaatst verzoeker zich op het standpunt dat het van geen of minder belang is te weten of een opzoeking gebeurt omwille van een opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie, en dat het volstaat dat de opzoeking gebeurt met een “geldige politionele reden”, wat volgens verzoeker het geval is, met name nagaan of een verkeersboete betaald is. Verzoeker kan in die visie niet worden bijgevallen. Artikel 44/1 van de wet op het politieambt bepaalt: “§
- In het kader van de uitoefening van hun opdrachten, bedoeld in hoofdstuk III afdeling 1, [lees: de opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie] kunnen de politiediensten informatie en persoonsgegevens verwerken voor zover deze laatste toereikend, terzake dienend en niet overmatig van aard zijn in het licht van de doeleinden van bestuurlijke en van gerechtelijke politie waarvoor ze verkregen worden en waarvoor ze later verwerkt worden. §
- Met het oog op het uitoefenen van hun opdrachten mogen de politiediensten, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, na advies van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 6 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, verzamelen en verwerken. §
- Wanneer de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die van belang zijn voor de uitoefening van de gerechtelijke politie, stellen zij de bevoegde gerechtelijke overheden daarvan onverwijld, zonder enige beperking en met schriftelijke bevestiging in kennis. §
- Wanneer de politiediensten in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie kennis krijgen van persoonsgegevens en informatie die van belang zijn voor de uitoefening van de bestuurlijke politie en die aanleiding kunnen geven tot beslissingen van bestuurlijke politie, stellen zij de bevoegde bestuurlijke politieoverheden daarvan onverwijld, zonder enige beperking en met schriftelijke bevestiging in kennis, behoudens wanneer dit de uitoefening van de strafvordering in het gedrang kan brengen, maar onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de bescherming van personen en van de openbare veiligheid of gezondheid.” Uit paragraaf 1 van de hiervoor aangehaalde bepaling blijkt duidelijk dat de politiediensten de bedoelde opzoekingen slechts kunnen doen in het kader van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, wat ten aanzien van de individuele politiepersoneelsleden wordt bevestigd in de ministeriële omzendbrief GPI 75 van 15 oktober 2013 “Gemeenschappelijke richtlijn van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken betreffende de door de politiediensten na te leven procedureregels in het kader van de onrechtstreekse XIV-38.709-14/35 toegang tot de persoonsgegevens die zij in het kader van de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke en bestuurlijke politie verwerken in de algemene nationale gegevensbank”, waarin onder punt 10 “Raadpleging ANG voor privédoeleinden door personeelsleden van de politiediensten” onder meer wordt vermeld: “Iedere raadpleging door een personeelslid van de politiediensten mag slechts uitgevoerd worden voor zover zij gerechtvaardigd is door een operationele behoefte, met andere woorden, wanneer zij binnen zijn/haar opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie kadert.” De stelling van verzoeker dat het voor een opzoeking zou volstaan dat er een geldige “politionele reden” aanwezig is, zonder dat de vraag moet worden gesteld of deze past in een opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie van het betrokken personeelslid, strookt niet met de hiervoor aangehaalde regelgeving. Het standpunt dat verzoeker in de laatste memorie huldigt, met name dat het volstaat dat de raadpleging gebeurt “in het kader van de uitoefening van een opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie” en dat niet vereist is “tijdens een vooraf – voorziene – opgelegde dienst of opdracht”, doet niet anders besluiten. Tevergeefs tracht verzoeker de feiten voor te stellen alsof hij als politiefunctionaris een verkeersinbreuk moest afhandelen. Met zijn opdrachten als politiefunctionaris hebben de feiten niets vandoen. Ze betreffen het louter raadplegen door verzoeker van zichzelf en zijn persoonlijk voertuig in een volledige private context, los van elke uitoefening van zijn ambt. Het nagaan door verzoeker of hij geseind stond om “via deze weg de boete te kunnen vereffenen” is geen “politionele reden” om de algemene nationale gegevensbank (ANG) te raadplegen, maar een loutere privéreden, nog daargelaten of wat verzoeker aanduidt als een “politionele reden” zou volstaan om deze databank te mogen raadplegen. In zoverre verzoeker nog argumenteert dat de raadpleging op zich wettig was en dat enkel de afhandeling van de zaak beter was doorgegeven aan een collega, waarbij hij verwijst naar de in artikel 23 van de deontologische code opgenomen plicht tot onpartijdigheid, kan hij evenmin worden gevolgd. XIV-38.709-15/35 Artikel 23 van de Deontologische Code bepaalt: “Art.
- Onverminderd de verplichting om onmiddellijk de dringende maatregelen te treffen die nodig zijn om de veiligheid en het goede verloop van de latere handelingen te waarborgen, handelen de personeelsleden die persoonlijk betrokken zijn bij een zaak waarbij hun onpartijdigheid ter discussie kan worden gesteld, deze zaak niet zelf af. Zij doen, desgevallend via hun chef een beroep op andere collega’s om de ambtsplichten uit te voeren of voort te zetten.” Uit deze bepaling volgt dat, wanneer een personeelslid persoonlijk betrokken is bij een zaak waarbij zijn partijdigheid ter discussie kan worden gesteld, hij de zaak niet zelf afhandelt. Verzoeker meent dat bij het vereffenen van een boete zijn (on)partijdigheid niet ter discussie kan worden gesteld, daar men de verkeersboete vereffent of niet. Verzoeker wou echter vooral nagaan of hij “geseind” stond omwille van het niet betalen van de boete, naar eigen zeggen om via die weg de boete te betalen. De persoonlijke betrokkenheid van verzoeker is te dezen dus duidelijk en, bovendien, dat zijn partijdigheid daarbij ter discussie kon worden gesteld, kon voorafgaand aan de niet toegelaten opzoeking geenszins worden uitgesloten.
- In de memorie van wederantwoord voert verzoeker verder aan dat om van misbruik van databanken te spreken, verzoeker bewust misbruik zou moeten hebben gemaakt. Ook dit argument wordt niet gevolgd. Verzoeker is tuchtrechtelijk gestraft wegens het opzoeken van zichzelf en de nummerplaat van zijn persoonlijk voertuig in de algemene nationale gegevensbank (ANG) zonder dat dit kadert binnen een opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie. Enig intentioneel element is niet vereist om die feiten als een tuchtfeit te kunnen kwalificeren. Het loutere feit van tekort te komen aan de beroepsplichten is bijgevolg in rechte voldoende opdat tuchtrechtelijk kan worden ingegrepen, zonder dat de hogere tuchtoverheid bij haar kwalificatie van verzoekers handelen als tuchtvergrijp moet aantonen of bewijzen dat verzoeker bewust handelde. XIV-38.709-16/35 Verzoeker werpt verder op dat hij “handelde in zijn hoedanigheid van politieambtenaar 24/24”. Het doet er volgens hem niet toe welke opdracht je al dan niet uitvoert op het moment van de raadpleging, zolang er maar een geldige “politionele reden” is voor de raadpleging. Ook dit argument wordt niet gevolgd. Verzoeker kan niet in redelijkheid staande houden dat hij optrad in zijn hoedanigheid van politieambtenaar, met andere woorden, in de uitoefening van zijn ambt. Hij verklaarde immers met de raadpleging te willen nagaan of hij geseind stond wegens een verkeersinbreuk in zijn privésfeer en erkende niet belast te zijn met enige opdracht daartoe, zodat niet, laat staan ernstig, kan worden betwist dat verzoeker niet heeft gehandeld binnen een opdracht van gerechtelijke of bestuurlijke politie. Het is niet omdat verzoeker het ambt van politieambtenaar bekleedt, dat alles wat hij doet moet worden beschouwd als zijnde in de uitoefening van dat ambt. Het zichzelf en zijn persoonlijk voertuig raadplegen in de algemene nationale gegevensbank (ANG) om na te gaan of hij stond geseind, heeft met de uitoefening van zijn ambt niets vandoen.
- In de mate dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van zijn in het verzoekschrift ontwikkelde middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet ontvankelijk.
- In zijn memorie van wederantwoord breidt verzoeker het eerste middel uit met de schending van artikel 7 en van artikel 56 van de tuchtwet. Het auditoraat besluit tot de niet-ontvankelijkheid van deze uitbreiding van het eerste middel op grond van de volgende overwegingen: “Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een middel dat voor het eerst wordt opgeworpen in de memorie van wederantwoord of laatste memorie in beginsel niet XIV-38.709-17/35 ontvankelijk. Evenwel mag een nieuw middel alsnog worden aangevoerd indien dit middel is gesteund op gegevens waarvan verzoekende partij pas na inzage van het neergelegd administratief dossier kennis kon krijgen (o.a. RvS, 1 april 2010, nr. 202.704). De uitbreiding van het middel betreft hier de naar mening van verzoeker kunstmatige opsplitsing in drie tuchtdossiers (schending artikel 7 tuchtwet) en de verjaring van de tuchtvordering (schending van artikel 56 tuchtwet). Deze wettigheidskritieken waren reeds opgenomen in het ontwerp van verzoekschrift dat verzoeker aan zijn toenmalige raadsman heeft overgemaakt. Het is aldus duidelijk dat de verzoeker reeds bij het indienen van het verzoekschrift kennis had van de gegevens op grond waarvan hij de schending van de artikelen 7 en 56 van de tuchtwet steunt. In zoverre de verzoeker het eerste middel in zijn memorie van wederantwoord uitbreidt met de schending van artikel 7 en 56 van de tuchtwet uitbreidt, voert hij een nieuw middel aan dat reeds in het verzoekschrift had kunnen aangevoerd worden. Dit nieuw middel is wegens laattijdigheid onontvankelijk.”
- Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het verwijt aan het auditoraat dat deze “zich verschuilt achter procedurele excuses om de zaak niet ten gronde te hoeven onderzoeken” en tot het hernemen en parafraseren van de feitelijke kritieken en argumenten uiteengezet in de memorie van wederantwoord. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de uitbreiding van het eerste middel niet-ontvankelijk.
- In de laatste memorie voegt verzoeker aan de uitbreiding van het eerste middel nog toe dat het onwettig is en “in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur” om een uitspraak te doen of een inleidend verslag op te stellen zonder te wachten op de einduitspraak van de vonnisgerechten. Om dezelfde redenen als vermeld in het hiervoor geciteerde auditoraatsverslag, is ook deze uitbreiding van het eerste middel niet-ontvankelijk.
- Het eerste middel is deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond. XIV-38.709-18/35 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, alsook de schending van artikel 41 van het Handvest van de Europese Unie en van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat de opgelegde tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal “in zeer kennelijke onredelijke verhouding” staat tot de tuchtfeiten. Verzoeker meent dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de situationele context waarin de feiten zich hebben afgespeeld en dat “ongemotiveerd” een zeer zware tuchtstraf werd opgelegd. Hij zet verder uiteen dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met het eenmalig karakter van de feiten, het blanco strafblad en de felicitaties, de (geringe) ernst van de feiten, het principe “gelijke feiten – gelijke straffen” waarmee verzoeker doelt op de disproportionaliteit van de strafmaat, en tot slot, de weerslag van de feiten op de werking van de dienst en op het aanzien van de dienst bij het publiek.
- In de memorie van wederantwoord herneemt en parafraseert verzoeker allereerst wat hij in het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft uiteengezet. Hij benadrukt dat de tuchtoverheid verplicht is rekening te houden met de jurisprudentiegegevensbank, waaruit blijkt dat de strafmaat disproportioneel is. Verder zet verzoeker op omstandige wijze nieuwe feitelijke gegevens en argumenten uiteen ter nadere verduidelijking van de situationele context waarin de tuchtfeiten zich hebben afgespeeld. Volgens verzoeker is dat van belang om de verzachtende omstandigheden te kunnen “distilleren”. In zijn betoog wijst verzoeker erop dat de feiten aangaande pesterijen en schuldig hulpverzuim jegens hem in de doofpot worden gestopt en zet hij omstandig en met verwijzing naar concrete voorvallen uiteen dat hij het slachtoffer is van een “heksenjacht”, waarbij hij voortdurend wordt belaagd met administratieve en gerechtelijke dossiers, zodat XIV-38.709-19/35 een onmogelijke werksituatie wordt gecreëerd. Tot slot breidt hij ook het tweede middel uit met de schending van artikel 7 van de tuchtwet, omdat in strijd met deze bepaling één tuchtdossier in drie tuchtdossiers werd gesplitst.
- In de laatste memorie herneemt en parafraseert verzoeker allereerst wat hij in het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord heeft uiteengezet. Hij wijst ook op het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 15 juni 2020 waarbij hij voor alle tenlasteleggingen werd vrijgesproken. Verder breidt hij het feitelijke relaas dat de “heksenjacht” op verzoeker moet aantonen, reeds aangevat in de memorie van wederantwoord, uit met een omstandige uiteenzetting van recente feiten en gebeurtenissen. Beoordeling
- Verzoeker voert allereerst de schending aan van artikel 41 van het Handvest van de Europese Unie. Artikel 2, § 1, 3°, van de algemene procedureregeling zoals het luidde en van toepassing is op het voorliggende beroep, vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid dat volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch XIV-38.709-20/35 niet-onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 41 van het Handvest van de Europese Unie geschonden zou zijn. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht de tuchtoverheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de politieambtenaar tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten of aangevoerde verzachtende omstandigheden, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van de politieambtenaar daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat de tuchtoverheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten of verzachtende omstandigheden. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. XIV-38.709-21/35
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de proportionaliteit van de bestreden beslissingen uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissingen het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskennen.
- Verzoeker maakt geen duidelijk onderscheid tussen de schending van de formelemotiveringsplicht en de schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker leidt de schending van de formelemotiveringsplicht af uit het feit dat niet afdoende rekening is gehouden met een aantal elementen bij het bepalen van de strafmaat, met als gevolg dat die strafmaat onredelijk en onevenredig is. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. XIV-38.709-22/35
- De strafmaat is in de bestreden beslissing als volgt formeel gemotiveerd: “Gelet op de bepalingen van de Tuchtwet, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 13, 38 en 38sexies; Gelet op de conclusies opgenomen in punt 5; Gelet dat de tuchtfeiten bedoeld in punt 3 vaststaan en aan u worden toegerekend, dat ze krachtens de motivering uiteengezet in punt 6 een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van art. 3 van de Tuchtwet; Gelet dat een zware tuchtsanctie te verantwoorden is aangezien de tuchtfeiten te zwaarwichtig zijn om enkel bestraft te worden met een aanmaning of een formele afkeuring in de zin van de Tuchtwet; Gelet dat de tuchtfeiten die u verweten worden principieel door een ontslag kunnen gestraft worden; Gelet echter op uw blanco blad der tuchtstraffen op het moment van het plegen van de tuchtfeiten, dat als verzachtende omstandigheid in rekening moet worden gebracht; Gelet dat de zware tuchtsanctie van de terugzetting in weddeschaal te verantwoorden is wanneer meerdere waarden, normen of fundamentele principes eigen aan de Geïntegreerde Politie geschonden werden; dat u uw beroepsplichten niet heeft nageleefd, waaronder de voorbeeldfunctie, de integriteitsplicht en de plicht om de wetten en reglementen na te leven, door het in respectievelijk de ANG en de DIV opzoekingen van uzelf en de nummerplaat van uw persoonlijk voertuig, buiten enige opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie; Gelet dat de zware tuchtsanctie van de terugzetting in de weddeschaal de kans biedt tot bezinning over de deontologische verplichtingen en verantwoordelijkheden ten opzichte van de bevolking en de organisatie; gelet dat hierdoor de kans wordt geboden om zichzelf opnieuw te bewijzen in het raam van de deontologische principes, waarden en normen van de Geïntegreerde Politie;”
- Uit deze formele motivering van de strafmaat in de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid van oordeel is dat de tuchtfeiten te zwaarwichtig zijn om enkel met een aanmaning of formele afkeuring te worden bestraft, daar die feiten principieel met een ontslag kunnen worden bestraft. De hogere tuchtoverheid neemt echter het blanco tuchtstraffenblad als verzachtende omstandigheid in aanmerking en legt de terugzetting in weddeschaal op, omdat verzoeker zijn beroepsplichten inzake voorbeeldfunctie, integriteitsplicht en de plicht om de wetten en reglementen te respecteren niet heeft nageleefd. Voorts overweegt de hogere tuchtoverheid nog dat deze straf verzoeker de kans biedt tot bezinning. Verzoeker kan aldus uit de formele motivering afleiden waarom de tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal werd opgelegd. Deze formele XIV-38.709-23/35 motivering voldoet aan de vereisten voor een afdoende formele motivering in de zin van de wet van 29 juli
- Verzoeker werpt op dat geen rekening wordt gehouden met het eenmalig karakter van de feiten. Verzoeker zet evenwel niet uiteen waarom de formelemotiveringsplicht en het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel geschonden zouden zijn omdat niet expliciet in overweging wordt genomen dat de feiten een eenmalig karakter hebben. Dat de feiten een eenmalig karakter hebben, zegt immers niets over de mogelijke ernst van de feiten, zodat uit het eenmalig karakter van de feiten niet ipso facto volgt dat de formelemotiveringsplicht en het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel geschonden zouden zijn. Een positieve formele motivering volstaat overigens, hetgeen inhoudt dat verzoeker in de tuchtbeslissing zelf de motieven moet kunnen terugvinden op grond waarvan een bepaalde tuchtstraf werd opgelegd. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel in rechte.
- Verzoeker voert ook aan dat de tuchtoverheid geen rekening houdt met zijn blanco tuchtverleden en niet motiveert waarom de lichtst mogelijke tuchtstraf niet volstaat. In zoverre verzoeker aanvoert dat wel wordt verwezen naar het blanco strafblad, maar dat toch zonder enige motivering de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd, mist dit argument feitelijke grondslag, daar het blanco strafblad net in aanmerking genomen wordt om niet het ontslag van ambtswege, maar de terugzetting in weddeschaal op te leggen. In zoverre verzoeker de formelemotiveringsplicht geschonden acht doordat de bestreden beslissing niet motiveert waarom niet de lichtst mogelijke tuchtstraf wordt opgelegd, geeft hij aan deze plicht een draagwijdte die deze niet heeft. De formelemotiveringsplicht reikt te dezen niet zover dat hij de XIV-38.709-24/35 hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten uitdrukkelijk te motiveren waarom geen andere (zwaardere of lichtere) straf wordt opgelegd. Een positieve formele motivering volstaat, hetgeen inhoudt dat verzoeker in de tuchtbeslissing zelf de motieven moet kunnen terugvinden op grond waarvan een bepaalde tuchtstraf werd opgelegd, wat te dezen het geval is. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel in rechte.
- Verder voert verzoeker aan dat uit een vergelijking met de jurisprudentiegegevensbank volgt dat hij, in verhouding tot de ernst van de feiten, onevenredig zwaar wordt gestraft. Uit zijn analyse blijkt dat de waarschuwing de maximumstraf zou mogen zijn, daar “in alle gevallen” slechts een lichte tuchtstraf wordt gegeven, zelfs indien de feiten door omstandigheden zoals samenhang of herhaling zwaarder zijn dan de hem ten laste gelegde feiten. Verzoeker benadrukt dat de tuchtoverheid rekening moet houden met de jurisprudentiegegevensbank om willekeur te vermijden. Deze argumenten overtuigen evenmin. De jurisprudentiegegevensbank waarnaar verzoeker verwijst, is deze bedoeld in artikel 65quater van de tuchtwet. Deze gegevensbank wordt bijgehouden door de Tuchtraad, verzamelt anoniem alle genomen tuchtbeslissingen en werd gecreëerd ten bate van de leden van de Tuchtraad en van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst (Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2000-01, nr. 1173/001, 18). Verzoeker toont niet aan, te meer nu elke individuele zaak met inachtneming van de eigen merites ervan, geval per geval en in concreto, moet worden beoordeeld, dat de tuchtoverheden verplicht zouden zijn om “rekening te houden” met de jurisprudentiegegevensbank, die blijkens de parlementaire voorbereiding een louter documentaire en informatieve functie heeft. Zelfs indien met verzoeker wordt aangenomen dat in “de meeste gevallen” een lichte tuchtstraf wordt opgelegd, zoals volgens verzoeker blijkt uit XIV-38.709-25/35 het door hem neergelegde verslag van het vast comité P, én dat aan die vaststelling enige indicatieve waarde ter bepaling van de strafmaat moet worden gehecht, dan nog blijkt uit de uittreksels uit de jurisprudentiegegevensbank door verzoeker neergelegd, dat in heel wat gevallen voor gelijkaardige feiten een terugzetting in weddeschaal of een ontslag van ambtswege werd opgelegd. Er werd met andere woorden in een aantal gevallen ook een zware tuchtstraf opgelegd voor gelijkaardige feiten, wat overigens ook blijkt uit het verslag van het vast comité P. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid een beslissing heeft genomen die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde concrete omstandigheden tot hetzelfde besluit zou komen. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat elke tuchtzaak in concreto moet worden beoordeeld, waaruit volgt dat de vaststelling dat in de “meeste” gevallen voor gelijkaardige feiten een lichte tuchtstraf wordt opgelegd, op zich niet belet dat de tuchtoverheid te dezen een zware tuchtstraf oplegt.
- Nog volgens verzoeker motiveert de hogere tuchtoverheid niet waarom de feiten te zwaarwichtig zijn om enkel met een aanmaning of formele afkeuring te worden bestraft. De formele motivering is volgens verzoeker te “generalistisch” en te “bombastisch” en hij werpt de vraag op of een schorsing niet meer aangewezen was indien het de bedoeling was dat verzoeker zich zou bezinnen over zijn deontologische verplichtingen. Het argument dat de hogere tuchtoverheid louter vermeldt dat de feiten te zwaarwichtig zijn om te bestraffen met een aanmaning of formele afkeuring, zonder enige motivering, wordt tegengesproken door de formele motivering: de hogere tuchtoverheid motiveert dit door er op te wijzen dat de feiten principieel met een ontslag kunnen worden bestraft. Vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht volstaat een positieve motivering, wat inhoudt dat de verzoeker in de bestreden beslissing de motieven op grond waarvan de bepaalde tuchtstraf werd opgelegd moet kunnen aantreffen. Dit is hier het geval: de feiten komen principieel in aanmerking voor ontslag, maar omwille van het blanco XIV-38.709-26/35 tuchtverleden wordt de terugzetting in weddeschaal opgelegd. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven ter zake nog nader te expliciteren of te verantwoorden. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering en een andere standpunt ter zake heeft, maakt die daarom niet onwettig. Ook het gegeven dat verzoekers eigen feitelijke beoordeling van de strafmaat verschilt van die van de hogere tuchtoverheid, toont niet aan dat deze bij het bepalen van de strafmaat de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid heeft overschreden.
- Onder de noemer “gelijke feiten – gelijke straffen” speculeert verzoeker dat de bestreden zware tuchtstraf in de toekomst een poging tot ontslag doet vermoeden. Verzoeker verwijst ook naar het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal voor de Tuchtraad die een ontslag van ambtswege voorstelde, omdat hij de voorgestelde zware tuchtstraf te licht bevond, wat volgens verzoeker “te gek voor woorden” en intimiderend is. Personeelsleden zouden daardoor immers gaan aarzelen om nog databanken te raadplegen. Tot slot haalt verzoeker het door hem neergelegde verslag van het vast comité P aan, om daaruit af te leiden dat hij disproportioneel werd gestraft. Verzoekers argumenten zijn loutere veronderstellingen over de toekomst die de wettigheid van de bestreden beslissing niet aantasten. Daarenboven wordt opgemerkt dat de inspecteur-generaal slechts een adviserende bevoegdheid heeft ten aanzien van de Tuchtraad, zodat diens opinie evenmin de wettigheid van de bestreden beslissing aantast, te meer die opinie niet werd gevolgd, noch door de Tuchtraad, noch door de hogere tuchtoverheid. In zoverre verzoeker steunt op het verslag van het vast comité P, om daaruit af te leiden dat hij disproportioneel werd gestraft, wordt vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat de hogere tuchtoverheid verplicht zou zijn om met dit verslag rekening te houden bij de bepaling van de strafmaat. Voorts wordt herhaald dat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover reikt dat hij de tuchtoverheid ertoe zou verplichten uitdrukkelijk te motiveren waarom geen andere (zwaardere of XIV-38.709-27/35 lichtere) straf wordt opgelegd. Een positieve formele motivering volstaat, hetgeen inhoudt dat verzoeker in de tuchtbeslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan een bepaalde tuchtstraf werd opgelegd. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel in rechte.
- Tot slot voert verzoeker nog aan dat geen rekening werd gehouden met het feit dat de tuchtfeiten geen weerslag hadden op het aanzien van de dienst bij het publiek, omdat het vereffenen van boetes nu eenmaal “een duidelijke politionele opdracht, die zelfs moet uitgevoerd worden” is. Zelfs indien met verzoeker zou worden aangenomen dat de feiten geen weerslag hebben “op het aanzien van de dienst bij het publiek” – en waarbij hij klaarblijkelijk abstractie maakt van het feit dat het raadplegen door een politieambtenaar van een (politionele) gegevensdatabank voor private doeleinden wel degelijke het vertrouwen van het publiek in die openbare dienst kan aantasten –, toont dit op zich niet aan dat de hogere tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid heeft overschreden.
- In zoverre verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord en laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, zoals onder meer de schending van artikel 7 van de tuchtwet, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- In zoverre verzoeker in de laatste memorie zeer uitvoerig het feitelijke relaas over de “situationele context” dat de “heksenjacht” op hem moet aantonen, uitbreidt, waarbij verzoeker “in eerste instantie” ook nog verwijst naar een bij die laatste memorie als stuk 48 bijgevoegde uiteenzetting van 220 pagina’s, wordt opgemerkt dat een laatste memorie van een verzoeker die in het XIV-38.709-28/35 auditoraatsverslag in het ongelijk wordt gesteld, ertoe strekt die verzoeker de gelegenheid te geven om zijn standpunt te doen kennen, zowel ten aanzien van de voorstelling die het bevoegde lid van het auditoraat geeft van de feitelijke en de juridische toedracht van de zaak, als ten aanzien van de oplossing van de opgeworpen rechtsvragen die het auditoraat voorstelt. De laatste memorie doet aldus de laatste stand kennen van de stellingen en argumenten van verzoeker. Dergelijke uitbreiding waarbij verzoeker in en als bijlage bij de laatste memorie over de “situationele context” uitweidt, kan niet worden ingepast in wat hiervoor is vermeld. Die uiteenzetting wordt om die reden uit het debat geweerd.
- Het tweede middel is deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In de memorie van wederantwoord formuleert verzoeker een nieuw derde middel waarin hij de schending aanvoert van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1993 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de wet van 4 augustus 1993), alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In essentie voert verzoeker aan dat de werkgever niet binnen een redelijke termijn de nodige maatregelen heeft genomen in uitvoering van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus
- XIV-38.709-29/35 Beoordeling Exceptie inzake de ontvankelijkheid van het middel
- Het auditoraat besluit tot de niet-ontvankelijkheid van het derde middel op grond van de volgende overwegingen: “Deze wettigheidskritiek betreft in essentie de vaststelling van verzoeker dat de verwerende partij, nadat verzoeker zijn klacht wegens pesterijen ingediend heeft, de welzijnswet van 4 augustus 1996 niet gerespecteerd heeft, met name dat de hiërarchie nalaat de gepaste maatregelen te nemen nadat verzoeker zijn klacht wegens pesterijen had ingediend. Met betrekking tot dit argument wordt vastgesteld dat de klacht wegens pesterijen niet het voorwerp uitmaakt van huidig beroep en dat verzoeker evenmin verduidelijkt hoe de eventuele schending van artikel 32/2 van de welzijnswet van 4 augustus 1996 de hier bestreden beslissing onwettig zou maken. Hoe dan ook dateert de klacht wegens pesterijen van 14 augustus 2015 zodat verzoeker dit argument reeds in zijn verzoekschrift had kunnen en moeten aanvoeren, zodat het – met verwijzing naar hetgeen onder punt 3.
- is gesteld – als onontvankelijk moet worden afgewezen wegens laattijdigheid.” Onder punt 3.
- in het auditoraatsverslag, waarnaar in het hiervoor weergegeven citaat uit het auditoraatsverslag wordt verwezen, wordt vermeld: “Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een middel dat voor het eerst wordt opgeworpen in de memorie van wederantwoord of laatste memorie in beginsel niet ontvankelijk. Evenwel mag een nieuw middel alsnog worden aangevoerd indien dit middel is gesteund op gegevens waarvan verzoekende partij pas na inzage van het neergelegd administratief dossier kennis kon krijgen (o.a. RvS, 1 april 2010, nr. 202.704). […] In zoverre de verzoeker het eerste middel in zijn memorie van wederantwoord uitbreidt met […], voert hij een nieuw middel aan dat reeds in het verzoekschrift had kunnen aangevoerd worden. Dit nieuw middel is wegens laattijdigheid onontvankelijk.”
- Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het standpunt dat het auditoraat zich “vergist” en zich “verschuilt achter procedurele excuses om de zaak niet ten gronde te hoeven te onderzoeken”. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. XIV-38.709-30/35 In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het nieuwe derde middel niet-ontvankelijk. D. Nieuwe verzoeken in de memorie van wederantwoord Uiteenzetting van de verzoeken
- In de memorie van wederantwoord formuleert verzoeker allerlei nieuwe verzoeken. Hij voert vooreerst nieuwe gegevens aan die volgens verzoeker wijzen op een samenwerking tussen zijn voormalige advocaten en de verwerende partij en op basis waarvan hij een reeks onderzoeksvragen stelt aan de Raad van State. Daarnaast geeft verzoeker een uitgebreidere uiteenzetting van de feiten van pesterijen waartegen hij klacht heeft ingediend. In dat verband vraagt hij aan de Raad van State bijkomende onderzoekshandelingen. In fine van zijn memorie van wederantwoord vraagt verzoeker ook de onmiddellijke stopzetting van alle tegen hem genomen maatregelen en het stopzetten van de heksenjacht tegen hem, een uitspraak over de blijvende weigering van de kosteloze rechtsbijstand, alsook het doorsturen van het dossier naar de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie. Beoordeling Exceptie inzake de ontvankelijkheid van de verzoeken
- Het auditoraat onderzoekt elk van deze verzoeken en besluit tot de niet-ontvankelijkheid ervan op grond van de volgende overwegingen: “3.1 In zijn memorie van wederantwoord heeft verzoeker het over ‘nieuwe gegevens aan het licht gekomen na het indienen van het verzoekschrift’, met name ‘Groot vermoeden van samenwerking tussen de voormalige raadgevers van XIV-38.709-31/35 verzoeker, namelijk Meester [N.T.] en Meester [R.N.] met de verwerende partij. Op zijn minst werking in het voordeel van verwerende partij door de voormalige raadsmannen van verzoeker.’ In de toelichting hierbij stelt verzoeker onder meer dat Mr. [N.R.] bij het indienen van het verzoekschrift niet volledig overgenomen heeft wat verzoeker wou dat er in opgenomen werd. Nadat verzoeker hem hierop gewezen had, heeft Mr. [N.R.] op 25 mei 2021 de samenwerking stopgezet. De verzoeker verduidelijkt dan verder nog welke gevolgen dit gehad heeft voor de opvolging van een strafzaak en welke gevolgen de passiviteit van Mr. [N.R.] voor zijn zaken voor de Raad van State heeft gehad. De verzoeker vraagt daarom: ‘onderzoek naar: - De reden waarom beide advocaten dergelijke werkwijze gehanteerd hebben? - Of er communicatie geweest is tussen beide advocaten, verwerende partij, controlediensten, ..(tf., Mail,…) en welke afspraken er gemaakt werden? - Of er financiële/geldelijke voordelen (kosteloze rechtsbijstand …) geweest zijn om op dergelijke manier te handelen, mede door nazicht van eventuele geldelijke stortingen aan het adres van beide advocaten, uitgaande van verwerende partij?’ De verzoeker verwijst ook nog naar problemen inzake kosteloze rechtsbijstand in het kader van zijn klacht betreffende pesterijen op het werk. Beoordeling Deze argumenten of deze kritiek betreft de relatie tussen verzoeker en zijn raadsman(nen). De Raad van State heeft geen enkele bevoegdheid om tussen te komen naar aanleiding van eventuele deontologische en/of strafrechtelijke inbreuken die de advocaten van verzoeker zouden begaan hebben. Dit komt in voorkomend geval enkel de Orde van advocaten of de strafrechter toe. Er kan dan ook geen enkel gevolg gegeven worden aan de vraag van verzoeker om bijkomend onderzoek naar daden of handelingen van zijn advocaten. 3.2 Verzoeker geeft in zijn memorie van wederantwoord een uitgebreidere uiteenzetting van de feiten, inzonderheid met betrekking tot de feiten van pesterijen waartegen hij klacht heeft ingediend. In dat verband vraag hij ook ‘bijkomende onderzoekshandelingen’, die hij ook reeds aan de Tuchtraad gevraagd heeft: 1) welke onderzoeksdaden of maatregelen heeft de Tuchtraad verricht in het pestdossier? 2) waarom werd er geen tuchtonderzoek gevoerd naar CP [V.]? 3) waarom werd er geen tuchtonderzoek gevoerd naar CP [V.H.]? 4) Waarom laat de Tuchtraad toe dat er zaken in het persoonlijk dossier van verzoeker zitten die reeds verwijderd moesten zijn? 5) Waarom splitst de tuchtoverheid één tuchtdossier zonder motivering in drie dossiers, terwijl er samenhang is? 6) Verzoeker vraagt de overlegging van de schriftelijke verklaring die geleid heeft tot de annulering van zijn terugkeer naar het interventiekorps; 7) Waarom werd er tergend lang gewacht met het aanvatten van onderhavig onderzoek? 8) Welk gevolg wordt er gegeven aan het kennelijk onwettig bevel van Dirco [D.L.] van 27 december 2017? 9) Waarom wordt er in een vorig tuchtdossier van 24 april 2019 (zware tuchtstraf) niet gesproken over de ontvangst op 12 april 2019 van afschrift en toestemming tot inzage van het strafdossier? 10) Verzoek tot inzage strafdossier DGR/TIWK/2018/XXX/XXXX van 23 augustus 2018? Verzoeker vraagt ook nu in zijn memorie van wederantwoord ‘nieuwe bijkomende onderzoekshandelingen’: 1) verzoeker vraagt toevoeging aan de oorspronkelijke vraag van de hogere tuchtoverheid, waarop geantwoord is op 22 december 2019 dat [E.D.C.] doorverwezen werd naar de onderzoeksrechter; 2) Hoe en wanneer heeft de hogere tuchtoverheid van de vermeende feiten van misbruik van de databanken kennis gekregen, waardoor plots het gerechtelijk dossier opgevraagd wordt? 3) Tevens werd artikel 56 niet ingeroepen na inzage te hebben verkregen van het XIV-38.709-32/35 strafdossier waarvan inzage werd gevraagd op 23 mei 2018; verzoeker vraagt inzage van die nota van 23 mei 2018; 4) (de verzoeker herhaalt zijn vragen m.b.t. de contacten tussen zijn advocaten en de verwerende partij); 5) verzoeker vraagt onderzoek naar de bijkomende situaties die aantonen dat de heksenjacht bijlange nog niet voorbij is. Beoordeling In zoverre deze vragen tot bijkomend onderzoek betrekking hebben op de tuchtprocedure en/of de Tuchtraad, moet er op gewezen worden dat, wanneer de Raad van State gevat wordt door een verzoek tot nietigverklaring, hij niet op vraag van de verzoeker de ware toedracht van alle feitelijkheden vaststelt. De Raad is er in dat geval enkel toe gerechtigd de bestreden beslissing te vernietigen. Als wettigheidsrechter is de Raad van State op grond van artikel 14, § 1 RvS-wet enkel bevoegd om binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil een onwettig gebleken administratieve rechtshandeling nietig te verklaren. Hij is dan geen rechter die in hoger beroep kennis neemt van de betwisting die een verzoekende partij heeft met een bestuur en die een eigen beslissing vermag te stellen (o.a. RvS, 2 augustus 2019, nr. 245.274). Indien de verzoeker van oordeel is dat er zich in de tuchtprocedure en/of in de procedure voor de Tuchtraad onwettigheden hebben voorgedaan, dan had hij deze wettigheidskritiek tijdig in een middel in het verzoekschrift moeten formuleren. […] 3.6 In fine van zijn memorie van wederantwoord vraagt verzoeker de Raad niet alleen de bestreden beslissing te vernietigen, maar tevens de ‘onmiddellijke stopzetting van alle maatregelen en ophouden met heksenjacht ten opzichte van verzoeker, omwille van het grote gevaar waarin verzoeker verkeer[t]’, alsook ‘een uitspraak aangaande de blijvende weigering van de kosteloze rechtsbijstand aan verzoeker’. Beoordeling Met betrekking tot deze bijkomende verzoeken wordt vastgesteld dat de Raad zonder rechtsmacht is: de Raad is niet bevoegd om enige beslissing te nemen in het kader van de klacht wegens pesterijen. Met betrekking tot de vraag om een uitspraak aangaande de blijvende weigering van kosteloze rechtsbijstand wordt – de vraag daargelaten of de Raad zake bevoegd zou kunnen zijn – vastgesteld dat deze blijvende weigering niet het voorwerp uitmaakt van huidig beroep tot nietigverklaring. Het voorwerp van het beroep dient in het verzoekschrift omschreven te worden aangezien de grenzen van de rechtsstrijd en de eventuele vernietiging bepaalt. Deze omschrijving van het voorwerp kan later niet meer gewijzigd worden vermits dit zou ingaan tegen artikel 2, § 1, 3° van het algemeen procedurereglement en vermits het een fair verloop van de rechtsstrijd in de weg zou staan (RvS, 13 januari 2014, nr. 226.019).”
- Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het standpunt dat het auditoraat zich “vergist” en zich “verschuilt achter procedurele excuses om de zaak niet ten gronde te hoeven te onderzoeken”. Hij meent dat het “frappant” is dat bijzonder kort na een nieuw conflict met Dirco D.L. het auditoraatsverslag wordt opgesteld. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. XIV-38.709-33/35 In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de nieuwe verzoeken in de memorie van wederantwoord niet-ontvankelijk. Verzoekers betoog in de laatste memorie dat hij pas kennis nam van de “vermoedelijke wanpraktijken” van zijn raadsmannen na het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring en dat hij het weigeren van rechtsbijstand wel kan aanvechten op basis van artikel 159 van de Grondwet, noopt niet tot een andere conclusie, daar deze argumentatie geen afbreuk doet aan de hiervoor aangehaalde bevindingen in het auditoraatsverslag. E. Nieuw verzoek in de laatste memorie Uiteenzetting van het verzoek
- In de laatste memorie vraagt verzoeker bijkomend de herziening van het vorige tuchtdossier gekend onder rolnummer G/A 228.441/XIV-38.086 en vraagt hij de “intrekking van deze zware tuchtstraf”. Beoordeling
- Verzoekers beroep tot nietigverklaring in de zaak met rolnummer G/A 228.441/XIV-38.086 werd verworpen bij arrest nr. 247.218 van 4 maart 2020 nadat werd vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbrak, daar verzoeker niet tijdig een memorie van wederantwoord aan de griffie had toegestuurd. Dit beroep tot nietigverklaring is bijgevolg definitief afgehandeld. Artikel 31 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, voorziet weliswaar in een beroep tot herziening dat een XIV-38.709-34/35 buitengewoon rechtsmiddel is, doch verzoeker toont niet aan dat voldaan is aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden die artikel 31 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, formuleert. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op elf januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, waarnemend voorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Chantal Bamps XIV-38.709-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div