id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.430 Rolnummer: A. 229508/X-17610 Zaak: Arrest 258430 - Sluitingen van vestigingen - 12/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-19 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 19:18 Fiche Arrest nr 258.430 van 12 januari 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.430 no lien 275172 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.430 van 12 januari 2024 in de zaak A. 229.508/X-17.610 In zake : Jeppe VERDOODT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Piet Rotsaert kantoor houdend te 8700 Tielt Deinsesteenweg 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD TIELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Peeters en Matthias Lierman kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse Steenweg 593 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- In zijn verzoekschrift tot nietigverklaring, ingediend op 5 november 2019, vordert verzoeker een schadevergoeding tot herstel om reden van de onwettigheid van de beslissing van de burgemeester van de stad Tielt van 6 september 2019 tot sluiting van de horecazaak D’Hespe te 8700 Tielt, Hoogstraat 2, tot en met 9 september
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 256.500 van 11 mei 2023 wordt het debat heropend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.430 X-17.610-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 november
- Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Piet Rotsaert, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Laure Proost, die loco advocaten Dirk Peeters en Matthias Lierman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft, behoudens wat de omvang van de schadevergoeding betreft, een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker baat in het centrum van Tielt café D’Hespe uit.
- Met een beslissing van 6 september 2019 sluit de burgemeester de horecazaak D’Hespe met toepassing van artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet, met onmiddellijke ingang tot en met 9 september
- Deze beslissing wordt op 11 september 2019 door het college van burgemeester en schepenen bevestigd.
- Bij arrest nr. 251.887 van 19 oktober 2021 vernietigt de Raad van State beide beslissingen, om reden dat aan verzoeker niet vooraf de gelegenheid werd geboden om zijn standpunt over de voorgenomen maatregel naar voor te brengen. X-17.610-2/8
- Verzoeker vordert schadevergoeding voor de schade die hij door de vernietigde beslissingen heeft geleden. IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de verzoeker
- Verzoeker vordert in eerste instantie een vergoeding voor het inkomstenverlies dat hij heeft geleden tijdens het weekend van vrijdag 6 tot maandag 9 september
- Verzoeker meent ter zake te kunnen uitgaan van de (gemiddelde) cijfers op weekbasis, vermits café D’Hespe enkel open is van donderdag tot zondag, én omdat de omzet op donderdag verwaarloosbaar is vermits donderdagavond in Tielt geen uitgaansavond is. Op basis van de omzetcijfers per kwartaal voor de jaren 2017 en 2018 en de brutowinst voor beide jaren, meent hij dat er voor het derde kwartaal van de jaren 2017 en 2018 kan worden uitgegaan van een gemiddelde brutowinst van 3.476,88 euro per week. Volgens verzoeker moet echter ook rekening gehouden worden met een globale groei van 10% voor het jaar 2019, én met het gegeven dat het eerste weekend van september een topweekend is, hetgeen een vermenigvuldiging met 1,5 zou verantwoorden. De gevorderde vergoeding ziet er dan als volgt uit : - Gemiddelde brutowinst derde kwartaal 2017 en 2018 : 3476,88 euro - Verhoging voor groei in 2019 (10%) : 3.824,57 euro - Vermenigvuldiging met 1,5 voor topweekend : 5.736,85 euro
- Verzoeker vordert ook een vergoeding voor reputatieschade. Hij houdt voor dat de bestreden beslissing en de publiciteit daaraan in de media ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.430 X-17.610-3/8 ernstige imagoschade met zich heeft meegebracht. De vernietigde maatregel doet volgens verzoeker “uitschijnen dat verzoeker de openbare orde zou verstoren en verantwoordelijk zou zijn voor alle overlast in de buurt”. Verzoeker wijst er in dat verband ook op dat café D’Hespe voornamelijk een jeugdcafé is, en de sluiting ook de reputatie van de uitbating bij de ouders van potentieel cliënteel aantast. Verzoeker begroot de reputatieschade ex aequo et bono op 5.000 euro. Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij houdt in eerste instantie voor dat de schade niet wordt bewezen. Zij betwist ook de relevantie van de kwartaalcijfers (als referentieperiode) en de brutowinst om de schade te begroten. Volgens de verwerende partij moet veeleer worden uitgegaan van de jaarcijfers en van de winstcijfers. Voorts houdt zij voor dat geen bewijs voorligt dat de omzet op een donderdagavond verwaarloosbaar zou zijn en dat donderdag wel degelijk een uitgaansavond is. Zij ziet ook niet in waarom het eerste weekend van september een topweekend zou zijn zodat daarvoor een factor 1,5 zou moeten worden toegepast.
- De verwerende partij betwist ook het bestaan van enige reputatieschade. Enkel de reputatieschade van verzoeker kan volgens de verwerende partij in aanmerking komen, niet die van de handelszaak zelf. Ook wordt gewezen op het gegeven dat verzoeker de zaak slechts sedert 2016 uitbaat. Mocht er reputatieschade zijn, dan vloeit die volgens de verwerende partij niet voort uit de vernietigde beslissingen, maar uit de ”vele vaststellingen en politionele tussenkomsten en vooral de feiten die eraan ten grondslag liggen”. X-17.610-4/8 Beoordeling
- Artikel 11bis, eerste lid, RvS-wet bepaalt: “Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang.”
- Om met toepassing van artikel 11bis RvS-wet een schadevergoeding tot herstel te kunnen verkrijgen, moet een onwettigheid van een besluit zijn vastgesteld en dient er een causaal verband te bestaan tussen dit onwettig besluit en de geleden schade. De verzoekende partij moet haar vordering staven met concrete elementen, die de Raad van State toelaten de schade vast te stellen. Het komt de verzoekende partij toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat zij aanvoert, waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid.
- De onwettigheid van de beslissing tot sluiting staat vast. Evenmin kan worden betwist dat het café dat door verzoeker wordt uitgebaat, ten gevolge van de vernietigde beslissingen werd gesloten van vrijdag 6 september 2019 tot maandag 9 september
- Indien de onwettige beslissingen niet genomen waren, zou het café niet gesloten zijn geweest, en zou verzoeker op die dagen inkomsten hebben kunnen verwerven. Het verlies aan inkomsten tijdens de verplichte sluiting is een schade die voor vergoeding in aanmerking komt.
- Met verzoeker kan aangenomen worden dat de cijfers voor het derde kwartaal het meest valabele uitgangspunt zijn voor de begroting van het verlies dat verzoekers zaak tussen 6 en 9 september 2019 heeft geleden. Uit het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.430 X-17.610-5/8 overzicht van de omzetcijfers voor 2017, 2018 en 2019 blijkt dat in het derde kwartaal meer omzet wordt gerealiseerd dan in de andere kwartalen.
- Met verzoeker kan ook worden aangenomen dat voor de begroting van de schade moet worden uitgegaan van de brutowinst, dit is de omzet verminderd met de kosten voor aankopen en personeel. Uit de door verzoeker overgemaakte documenten blijkt dat er voor het derde kwartaal 2017 een gemiddelde wekelijkse brutowinst werd gerealiseerd van 3.570,03 euro en dat dit voor het derde kwartaal 2018 neerkwam op 3.383,72 euro. De gemiddelde wekelijkse brutowinst voor het derde kwartaal van de jaren 2017-2018 bedraagt zodoende 3.476,88 euro.
- Het is redelijk om dit bedrag als uitgangspunt te nemen voor de bepaling van de gemiddelde wekelijkse brutowinst voor het derde kwartaal van
- De door verzoeker bepleite aanname dat de brutowinst voor het jaar 2019 met 10% zou zijn gestegen, kan niet worden bijgetreden, nu een dergelijke toename van de brutowinst niet nader aan de hand van concrete cijfers wordt onderbouwd.
- Ook de aanname dat het eerste weekend van september traditioneel een topweekend is en dat dit een toepassing van een factor 1,5 op de weekomzet zou verantwoorden, kan bij gebrek aan concrete verantwoording niet worden gevolgd.
- Verzoeker toont niet aan dat de omzet op een donderdagavond “verwaarloosbaar” is, en dat dus zonder meer abstractie mag worden gemaakt van het gegeven dat de zaak van verzoeker op donderdag 5 september 2019 wel nog geopend was. Terecht merkt de verwerende partij in dat verband ook op dat de zaak van verzoeker op donderdag allicht niet geopend zou zijn, indien de omzet verwaarloosbaar zou zijn. X-17.610-6/8 Het komt de Raad – mede in het licht van de door verzoeker verstrekte gegevens – wel als plausibel voor dat de vrijdag- en de zaterdagavond een substantieel grotere omzet genereren dan de donderdag- en de zondagavond. Bij gebreke aan concrete indicaties komt het als billijk voor om aan te nemen dat er op vrijdag en zaterdag 80 % van de vierdaagse omzet wordt gegenereerd, en dat de omzet op donderdag en zondag elk niet meer dan 10 % ervan vertegenwoordigt. Dat verantwoordt dat voor de sluiting van vrijdag 6 tot maandag 9 september een vergoeding van 90% van de weekomzet wordt toegekend, hetzij een bedrag van 3.476,88 euro x 90 % = 3.129,19 euro.
- Wat betreft de door verzoeker ingeroepen reputatieschade wordt aangenomen dat het verkrijgen van een vernietigingsarrest waarmee erga omnes wordt vastgesteld dat de sluiting van 6 tot 9 september 2019 onwettig was omdat verzoeker niet vooraf werd gehoord, op zich reeds een morele voldoening verschaft. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de imagoschade die hij beweert te hebben geleden niet reeds door het tussengekomen vernietigingsarrest werd hersteld.
- Verzoekende partij vraagt om de schadevergoeding te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet tot de uiteindelijke dag van betaling. Er is geen reden om deze vraag af te wijzen. De verzoekende partij heeft dan ook recht op vergoedende intresten vanaf 9 mei 2019 tot aan de datum van voorliggend arrest. Hij heeft bovendien recht op verwijlintresten vanaf de datum van het voorliggend arrest tot de volledige betaling van het bedrag van de schadevergoeding. BESLISSING
- De Raad van State veroordeelt de stad Tielt tot betaling van een schadevergoeding aan de heer Jeppe Verdoodt ten bedrage van 3.129,19 euro, te vermeerderen met vergoedende intresten aan de wettelijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.430 X-17.610-7/8 intrestvoet vanaf 9 mei 2019 tot heden en met verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf heden tot de volledige betaling van het bedrag van de schadevergoeding.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.610-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.430 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.887 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.500 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div