id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.435 Rolnummer: A. 234881/XIV-38847 Zaak: Arrest 258435 - Tucht (openbaar ambt) - 12/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-10 19:20 Fiche Arrest nr 258.435 van 12 januari 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.435 van 12 januari 2024 in de zaak A. 234.881/XIV-38.847 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5391 BIERBEEK/BOUTERSEM/HOLSBEEK/LUBBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopoldlaan I-straat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van 24 september 2021 van de meergemeentezone waarbij de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker met inhouding van 10% van de brutowedde voor de duur van vier maanden wordt verlengd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 252.890 van 4 februari 2022 is akte verleend van de afstand van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Bij arrest nr. 257.696 van 20 oktober 2023 werd het debat heropend, werd aan de partijen een termijn gegeven om een bijkomende memorie in te dienen en werden de partijen opgeroepen voor een nieuwe terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december 2023 om 14.00 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cara Janssens, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dennis Fransen, die loco advocaat Tom De Gendt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 257.696 van 20 oktober
- Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Vooraf
- In het tussenarrest nr. 257.696 van 20 oktober 2023 werd het debat heropend inzake de volgende aangelegenheid: “Uit de voorgaande feitelijke context blijkt dat de voorlopige schorsing opgelegd aan verzoeker werd opgeheven met ingang van 16 december
- Partijen betwisten niet dat bij de sluiting van het debat (aansluitend) aan verzoeker geen tuchtstraf werd opgelegd. Artikel 65 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) luidt: ‘Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. Indien in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in weddeschaal, ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt, dan heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de voorlopige schorsing is ingegaan; het bedrag van de tijdens de voorlopige schorsing eventueel ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf; indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.’ In het licht van wat voorafgaat, rijst bijgevolg ambtshalve de vraag of krachtens wat in artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet is bepaald, de bestreden beslissing, voor het niet door de verwerende partij opgeheven gedeelte van 1 oktober 2021 tot 16 december 2021, niet van rechtswege geacht moet worden ab initio uit het rechtsverkeer te zijn verdwenen. In voorkomend geval rijst ook de vraag of niet moet worden vastgesteld dat het beroep geen voorwerp meer heeft. Deze vraag is evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze is aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Daar het een element betreft dat desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 Standpunt van de partijen
- In de memorie na het tussenarrest nr. 257.696 van 20 oktober 2023 voert verzoeker aan dat zijn beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp is ingevolge de toepassing van artikel 65 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Hij voert ter adstructie van dit standpunt aan dat de bestreden beslissing werd opgeheven met ingang van 16 december 2021 en dat “aansluitend” aan de voorlopige schorsing geen tuchtstraf werd opgelegd. Er is – lees: op het ogenblik dat hij zijn memorie indiende – ten aanzien van verzoeker nog geen definitieve tuchtbeslissing genomen, en zelfs indien de hogere tuchtoverheid alsnog een tuchtstraf oplegt – wat inmiddels het geval blijkt zoals door de beide partijen ter terechtzitting werd bevestigd –, is dat alleszins niet “aansluitend” aan de voorlopige schorsing. Verzoeker besluit dat, doordat de hogere tuchtoverheid na het einde van de voorlopige schorsing anderhalf jaar wachtte om een tuchtprocedure te starten, de “intrekking van de voorlopige schorsing van rechtswege gebeurd” is.
- In de memorie na het tussenarrest nr. 257.696 van 20 oktober 2023 repliceert de verwerende partij dat artikel 65 van de tuchtwet geenszins kan worden geïnterpreteerd in die zin dat het beroep zonder voorwerp is, louter omdat er geen tuchtstraf werd opgelegd “in aansluiting op” de voorlopige schorsing. Er werd immers wel degelijk een zware tuchtstraf opgelegd, wat impliceert dat de voorlopige schorsing niet als ingetrokken kan worden beschouwd. Dat de tuchtstraf niet in onmiddellijke aansluiting op de voorlopige schorsing werd opgelegd, doet daaraan zowel volgens de tekst als de geest van artikel 65 van de tuchtwet geen afbreuk. Indien de verwerende partij zou hebben gewild dat de voorlopige schorsing ab initio uit het rechtsverkeer zou verdwijnen, dan had ze de voorlopige schorsing ingetrokken in plaats van opgeheven. Ofschoon artikel 65 van de tuchtwet zou kunnen worden geïnterpreteerd in die zin dat de voorlopige schorsing als ingetrokken moet worden beschouwd wanneer in aansluiting op die voorlopige schorsing geen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 tuchtstraf wordt opgelegd, is deze “strikte interpretatie” te dezen volgens de verwerende partij om twee redenen niet van toepassing. Ten eerste zou die interpretatie onmogelijk zijn, daar de voorlopige schorsing betrekking had op een samenloop van verschillende feiten, zodat het onmogelijk is om één uniek momentum vast te stellen “waarop de bepaling ‘in aansluiting op’ moet bij aansluiten”. De verwerende partij meent dat, mocht zij een tuchtstraf hebben opgelegd “in aansluiting op” de voorlopige schorsing, zij artikel 7 van de tuchtwet zou hebben geschonden, daar zij uit die bepaling afleidt dat zij een uitspraak in alle strafprocedures moest afwachten, alvorens voor alle feiten samen een tuchtprocedure te starten. Ten tweede moet artikel 65 van de tuchtwet teleologisch worden geïnterpreteerd: deze bepaling heeft tot doel de weerslag van de voorlopige schorsing op de tuchtstraf te regelen, en niet omgekeerd. Voorts werpt de verwerende partij op dat de vordering van verzoeker niettemin niet-ontvankelijk is, zoals uiteengezet in haar eerdere procedurestukken, omdat verzoeker geen belang meer heeft bij het beroep. Beoordeling
- Artikel 65 van de tuchtwet luidt als volgt: “Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald. Indien in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting in weddeschaal, ontslag van ambtswege of afzetting opgelegd wordt, dan heeft de tuchtstraf uitwerking ten vroegste met ingang van de dag waarop de voorlopige schorsing is ingegaan; het bedrag van de tijdens de voorlopige schorsing eventueel ingehouden wedde wordt in mindering gebracht op het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf; indien het bedrag van de ingehouden wedde groter is dan het bedrag van het weddeverlies verbonden aan de tuchtstraf, wordt het verschil door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.”
- De bestreden beslissing werd door het politiecollege op 21 december 2021 opgeheven met ingang van 16 december
- Op dat ogenblik werd, “aansluitend” aan de voorlopige schorsing die aldus eindigde op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 16 december 2021, dit is met ingang van 17 december 2021, geen tuchtstraf opgelegd. Ten onrechte voert de verwerende partij in haar memorie na het tussenarrest aan dat deze vaststelling niet geheel overeenstemt met de realiteit, omdat een tuchtprocedure werd gestart. Nog daargelaten dat ook die tuchtprocedure niet “aansluitend” werd gestart, doch slechts ruim een jaar later, meer bepaald op 17 maart 2023 met de betekening van het inleidend verslag, kan het starten van een tuchtprocedure niet worden gelijkgesteld met het opleggen van een tuchtstraf. Meer nog, zelfs op het ogenblik van de indiening van de memorie na het tussenarrest, legt de verwerende partij nog geen tuchtbeslissing voor; de tuchtprocedure bevindt zich op dat ogenblik nog in de fase waarbij aan verzoeker het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad werd betekend. Ter terechtzitting bevestigen partijen dat inmiddels wel een straf werd opgelegd, doch dit noopt niet tot een andere beoordeling. Ingevolge de toepassing van artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet wordt de bestreden beslissing, voor het niet door de verwerende partij opgeheven gedeelte van 1 oktober 2021 tot 16 december 2021, als ingetrokken beschouwd en moet de ingehouden wedde door de overheid aan verzoeker worden terugbetaald. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het beroep geen voorwerp meer heeft. De nietigverklaring van de bestreden beslissing kan immers niets toevoegen aan wat reeds gelet op de concrete feitelijke context volgt uit de toepassing van artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet. Uit die bepaling die inhoudt dat de voorlopige schorsing als ingetrokken wordt beschouwd, volgt van rechtswege dat de bestreden voorlopige schorsing (in de mate ze niet reeds was opgeheven), geacht moet worden ab initio uit het rechtsverkeer te zijn verdwenen.
- De verwerende partij voert in haar memorie na het tussenarrest verschillende argumenten aan ter adstructie van het standpunt dat het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring niet teloor is gegaan. Geen van deze argumenten wordt gevolgd, zoals hierna wordt uiteengezet. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 Allereerst zet de verwerende partij uiteen dat artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet niet van toepassing is, omdat “wel degelijk een tuchtsanctie werd opgelegd”. Dit standpunt faalt in feite, daar op het ogenblik dat de verwerende partij de memorie indiende waarin ze dit standpunt vertolkt, aan verzoeker (nog) geen tuchtstraf werd opgelegd. De tuchtprocedure bevond zich blijkens de neergelegde stukken op dat ogenblik nog in de fase, waarbij aan verzoeker het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad werd betekend. Ter terechtzitting bevestigen partijen dat inmiddels wel een straf werd opgelegd, doch dit noopt niet tot een andere beoordeling.
- Voorts voert de verwerende partij aan dat, indien zij zou hebben gewild dat de voorlopige schorsing ab initio uit het rechtsverkeer verdween, zij de bestreden beslissing zou hebben ingetrokken in plaats van opgeheven. Dit standpunt faalt in rechte, daar de intentie van de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing geen afbreuk doet, noch kan doen, aan wat van rechtswege volgt uit artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet, met name dat de voorlopige schorsing te dezen als ingetrokken wordt beschouwd.
- De verwerende partij werpt ook op dat de strikte interpretatie dat de voorlopige schorsing als ingetrokken moet worden beschouwd wanneer er in aansluiting op deze ordemaatregel geen tuchtstraf wordt opgelegd, niet kan worden toegepast omdat deze interpretatie in de praktijk onmogelijk zou zijn. Zij wijst erop dat de ordemaatregel betrekking had op een samenloop van verschillende feiten die het voorwerp vormden van verschillende gerechtelijke procedures, zodat het onmogelijk is “één uniek momentum” vast te stellen “waarop de bepaling ‘in aansluiting op’ moet bij aansluiten”. Dit standpunt faalt allereerst in feite. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de voorlopige schorsing initieel werd gebaseerd op het bestaan van vier ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 strafvervolgingen. Uiteindelijk, na de vrijspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, in twee van die strafvervolgingen en de seponering van een derde strafvervolging, bleef volgens de beslissing van het politiecollege van 21 december 2021 tot opheffing van de bestreden beslissing met ingang van 16 december 2021, slechts één strafvervolging over, met name wegens een reeks “verkeersinbreuken”. Het is enkel op basis van die “verkeersinbreuken” dat uiteindelijk een tuchtvervolging werd gestart, zij het geruime tijd na de opheffing van de voorlopige schorsing. Voor de feiten die het voorwerp vormden van de strafvervolgingen waarvoor hetzij een beslissing tot seponering volgde, hetzij een strafrechtelijke vrijspraak, werd geen tuchtvervolging gestart. Aldus wordt vastgesteld dat de feiten die ten laste worden gelegd in de tuchtprocedure, enerzijds wel degelijk mede de grondslag vormden voor de voorlopige schorsing, en anderzijds steunen op één en dezelfde strafvervolging. Het standpunt van de verwerende partij faalt echter ook in rechte. Noch artikel 65, noch enige andere bepaling van de tuchtwet, schrijft voor dat de tuchtstraf waarmee in toepassing van artikel 65 van de tuchtwet een definitieve rechtsgrond wordt verleend aan de voorlopige schorsing, op dezelfde feiten moet berusten als die ten grondslag lagen aan de voorlopige schorsing, hoewel dit te dezen, zoals hiervoor vastgesteld, wel degelijk het geval is.
- De strikte interpretatie dat iedere tuchtstraf “in aansluiting op” een eventuele voorlopige schorsing zou moeten worden uitgesproken, is volgens de verwerende partij ook in strijd met de geest van de tuchtwet, zoals die blijkt uit het samenlezen van artikel 7, eerste lid, artikel 32, eerste lid, en artikel 56, tweede lid van de tuchtwet. De ordemaatregel van de voorlopige schorsing steunde immers op verschillende feiten, doch de tuchtoverheid kan slechts één tuchtprocedure starten, met name wanneer zij door de gerechtelijke overheid in kennis is gesteld van de gerechtelijke beoordeling van de “laatste feiten”. Indien de hogere tuchtoverheid een tuchtstraf zou hebben opgelegd in aansluiting op de voorlopige schorsing, dan zou zij artikel 7, eerste lid van de tuchtwet hebben geschonden. De hogere tuchtoverheid heeft zorgvuldig gehandeld door de voorlopige schorsing niet langer te handhaven dan noodzakelijk, maar tegelijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 een uitspraak in alle strafprocedures af te wachten alvorens overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de tuchtwet voor alle feiten een tuchtprocedure te starten. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Artikel 7, van de tuchtwet bepaalt: “Wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, kan tegen dat personeelslid slechts één tuchtprocedure worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één enkele tuchtstraf. Wanneer aan het personeelslid in de loop van een tuchtprocedure een nieuw tuchtvergrijp wordt toegerekend, wordt wegens dat tuchtvergrijp een nieuwe tuchtprocedure aangespannen, zonder dat de lopende procedure daardoor gestuit wordt. In geval van samenhang wordt het nieuwe tuchtvergrijp evenwel behandeld tijdens de lopende procedure.” Die bepaling regelt de samenloop van tuchtvergrijpen. Er is sprake van samenloop van tuchtvergrijpen wanneer een personeelslid verschillende tuchtvergrijpen heeft gepleegd, terzelfdertijd of op verschillende tijdstippen, zonder dat hiervoor reeds een tuchtstraf werd uitgesproken. Beoogd wordt aldus het geval waarin verschillende tuchtvergrijpen, die elk afzonderlijk een tuchtvervolging kunnen genereren, aan een personeelslid ten laste worden gelegd. Het eerste en tweede lid van artikel 7 van de tuchtwet bepalen wanneer bij samenloop al dan niet een nieuwe tuchtprocedure moet worden ingeleid. De algemene regel (eerste lid) is dat, wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, slechts één tuchtprocedure kan worden aangespannen en slechts een enkele tuchtstraf kan worden opgelegd. Uitzondering vormt het geval waarin reeds een procedure is opgestart voor een tuchtvergrijp: behoudens in het geval van samenhang (derde lid), wordt in dat geval voor het nieuwe tuchtvergrijp een afzonderlijke, nieuwe tuchtprocedure aangespannen die de lopende procedure niet stuit (tweede lid). ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847 Voor alle tuchtvergrijpen die volgens de tuchtoverheid op een bepaald ogenblik aan een personeelslid worden toegerekend, moet bijgevolg één procedure worden gevoerd. In logica betekent dit dat, wanneer een tuchtoverheid en tuchtvordering aanvangt door de kennisgeving van een inleidend verslag, daarin alle tenlasteleggingen moeten worden opgenomen waarvan de tuchtoverheid voldoende kennis heeft. Met andere woorden, artikel 7 verzet er zich tegen dat de feiten die konden worden opgenomen in het inleidend verslag maar het niet zijn, nog het voorwerp kunnen uitmaken van een afzonderlijke tuchtprocedure. Wezenlijk voor de toepassing van artikel 7 van de tuchtwet is bijgevolg het tijdstip van de toerekening van het tuchtvergrijp aan het personeelslid: dit is het ogenblik waarop de tuchtoverheid een voldoende klare kijk heeft op het bestaan van de feiten en op de mogelijke aanrekening ervan aan het personeelslid zodat zij in staat is om door het opstellen van een inleidend verslag de aanzet te geven voor het opstarten van een tuchtvordering. Het gebruik van de term “toerekening” in het eerste lid van artikel 7 van de tuchtwet verwijst aldus naar de daadwerkelijke tenlastelegging, hetgeen gebeurt in het inleidend verslag. Daargelaten de vaststelling dat te dezen de tuchtprocedure niet werd gestart voor verschillende feiten die het voorwerp vormden van verschillende strafprocedures, doch voor de “verkeersinbreuken”, voorwerp van één strafvervolging, en het probleem van samenloop dus niet aan de orde is, beletten noch artikel 7 van de tuchtwet, noch de andere door de verwerende partij aangehaalde bepalingen, de hogere tuchtoverheid, indien zij meende daartoe reden te hebben, reeds eerder een tuchtprocedure te starten voor feiten die (mede) het voorwerp vormden van de initiële voorlopige schorsing, ook al konden de feiten betreffende de “verkeersinbreuken” volgens de hogere tuchtoverheid nog niet worden toegerekend aan verzoeker. In tegenstelling tot wat de verwerende partij aanneemt, gebiedt artikel 65 van de tuchtwet overigens niet dat een tuchtstraf in aansluiting op een voorlopige schorsing “moet” worden uitgesproken; artikel 65 van de tuchtwet regelt enkel het lot van de voorlopige ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847- schorsing indien in aansluiting op deze ordemaatregel geen tuchtstraf wordt opgelegd, wat in principe niet belet dat op een later tijdstip alsnog een tuchtstraf wordt opgelegd. Bijgevolg is artikel 65 van de tuchtwet niet in strijd met de geest van de tuchtwet, noch met andere bepalingen van de tuchtwet.
- De verwerende partij voert voorts aan dat artikel 65 van de tuchtwet teleologisch moet worden geïnterpreteerd. Volgens de verwerende partij was het bedoeling van de wetgever om de weerslag van de preventieve schorsing op de tuchtstraf te regelen en niet omgekeerd. Een strikte interpretatie dat een voorlopige schorsing als ingetrokken moet worden beschouwd als zij niet onmiddellijk wordt gevolgd door een tuchtstraf, kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn. Ook dit argument faalt. Uit de letter van artikel 65 van de tuchtwet volgt dat, indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd of geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, de voorlopige schorsing als ingetrokken wordt beschouwd en de eventueel ingehouden wedde door de overheid aan de betrokkene wordt terugbetaald. In het algemeen Nederlands taalgebruik betekent “aansluitend”: “zonder tussenpoos volgend op iets” (Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal). Uit de door de verwerende partij aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat artikel 65 van de tuchtwet tot doel heeft aan te geven “hoe de voorlopige schorsing na afloop van de tucht- of strafprocedure moet worden verrekend” (Parl.St. Kamer 1998-99, nr. 1965/1, 21). Dat is precies wat artikel 65 van de tuchtwet regelt. De voorlopige schorsing is immers een tijdelijke, bewarende ordemaatregel, die noodzakelijk moet resulteren, hetzij in een tuchtstraf, hetzij in een beslissing waarbij de voorlopige schorsing wordt beëindigd. Indien de voorlopige schorsing “aansluitend” wordt gevolgd door een zware tuchtstraf, geeft deze tuchtstraf een definitieve rechtsgrond aan de voorlopige schorsing. Wordt een lichte tuchtstraf, geen tuchtstraf of niet aansluitend een tuchtstraf opgelegd, dan wordt de voorlopige schorsing ongedaan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847- gemaakt. Er valt niet in te zien en de verwerende partij toont niet aan, waarom de tekst van artikel 65 van de tuchtwet niet in overeenstemming zou zijn met de bedoeling van de wetgever. In dit verband werpt de verwerende partij nog op dat de woorden “in aansluiting op” enkel relevant zijn om terugwerkende kracht te kunnen verlenen aan de tuchtstraf. Het is evenwel niet omdat het aansluiten van de tuchtstraf aan de voorlopige schorsing een voorwaarde is om aan de tuchtstraf, als uitzondering op de principiële niet-terugwerkende kracht van bestuurshandelingen, toch terugwerkende kracht te kunnen verlenen en de voorlopige schorsing zo als het ware op te slorpen en er een definitieve rechtsgrond aan te verlenen – hypothese die wordt geregeld in artikel 65, tweede lid, van de tuchtwet –, dat artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet niet onverkort van toepassing zou zijn in de andere hypothese dat met name aansluitend aan de voorlopige schorsing hetzij een lichte tuchtstraf, hetzij geen tuchtstraf wordt opgelegd, in welke beide gevallen de voorlopige schorsing als ingetrokken wordt beschouwd. De conclusie van de verwerende partij dat artikel 65 van de tuchtwet niet kan worden geïnterpreteerd alsof het beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp is, omdat geen tuchtstraf werd opgelegd in aansluiting op de voorlopige schorsing, kan om de hiervoor weergegeven redenen niet worden gevolgd.
- Voor zover verzoeker in zijn laatste memorie (vóór het tussen- arrest) aanvoert dat hij nog een belang behoudt bij de vernietiging van de bestreden beslissing omdat de financiële gevolgen van de opheffing van de bestreden beslissing nog niet integraal werden rechtgezet, en omdat verzoeker daarnaast ook morele schade, professionele en reputatieschade lijdt ingevolge de bestreden beslissing, is deze argumentatie, bij gebrek aan voorwerp van het beroep, niet meer aan de orde. Conclusie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847-
- Ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp is. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847- V. Kosten en rechtsplegingsvergoeding
- Ter terechtzitting voert de verwerende partij subsidiair aan dat indien het beroep zonder voorwerp zou worden verklaard, de kosten ten laste van verzoeker moeten worden gelegd, daar verzoeker de niet-ontvankelijkheid van de eigen vordering bepleit en zijn beroep aldus had kunnen “intrekken”. Dit verzoek in subsidiaire orde wordt niet ingewilligd. De bestreden beslissing werd door het politiecollege op 21 december 2021 opgeheven met ingang van 16 december
- Zoals hiervoor werd vastgesteld, heeft deze rechtshandeling tot gevolg dat het beroep zonder voorwerp is geworden. Het teloorgaan van het voorwerp van het beroep is derhalve uitsluitend aan de verwerende partij toe te schrijven. In de gegeven omstandigheden past het de kosten lastens de verwerende partij te leggen. Luidens artikel 67, § 1, eerste lid, van de algemene procedureregeling bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding (niet-geïndexeerd) 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro. Naar luid van artikel 67, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het basis-, minimum-of maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, of als de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend wordt en gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring. Artikel 67, § 2, derde lid, van hetzelfde besluit bepaalt echter dat er geen verhoging is verschuldigd, als de afdeling Bestuursrechtspraak beslist dat het beroep tot nietigverklaring onder meer ‘doelloos is’. Met toepassing van voornoemde bepalingen kan aan verzoeker een rechtsplegingsvergoeding worden toegekend daar hij door het zonder voorwerp worden van het beroep als de in het gelijk gestelde partij dient te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847- worden beschouwd. Een verhoging van het vast te stellen basisbedrag is overeenkomstig het bepaalde in het voornoemd artikel 67, § 2, derde lid, niet verschuldigd daar het ingediende beroep tot nietigverklaring doelloos is. Uit het voorgaande volgt dat aan verzoeker de basis- rechtsplegingsvergoeding dient te worden toegekend. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.435 XIV-38.847- PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.435 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.890 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.