← België

Arrest 258436 - Tucht (openbaar ambt) - 12/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.436 Rolnummer: A. 234835/XIV-38843 Zaak: Arrest 258436 - Tucht (openbaar ambt) - 12/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-10 19:20 Fiche Arrest nr 258.436 van 12 januari 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.436 van 12 januari 2024 in de zaak A. 234.835/XIV-38.843 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5383 MAASLAND kantoor houdend te 3680 Maaseik Maastrichtersteenweg 21 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de meergemeentezone van 22 augustus 2021 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.436 XIV-38.843-1/7 Bij arrest nr. 257.621 van 13 oktober 2023 werd de memorie van antwoord uit het debat geweerd, het debat heropend en aan de partijen een termijn gegeven om een bijkomende memorie in te dienen en werden de partijen opgeroepen voor een nieuwe terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december 2023 om 14.00 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Cynthia Persoons, die loco advocaat Marlies De Raeve verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 257.621 van 13 oktober
  5. Er wordt naar verwezen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging: regelmatigheid van het verzoek tot voortzetting van de verwerende partij Vooraf
  6. In het tussenarrest nr. 257.621 van 13 oktober 2023 werd het debat heropend inzake de volgende aangelegenheid: “In het licht van wat voorafgaat, rijst bijgevolg ambtshalve de vraag of de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, die zegt uit te gaan van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.436 XIV-38.843-2/7 het politiecollege, doch uitsluitend door de burgemeester-voorzitter is ondertekend, wel degelijk uitgaat van het bevoegde orgaan van de politiezone, met name het politiecollege. Deze vraag is evenwel niet door de partijen aangevoerd of ter sprake gebracht, noch onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. Ze is aldus niet het voorwerp geweest van een tegensprekelijk debat. Daar het een element betreft dat desgevallend de beslechting van het beroep kan beïnvloeden, houdt het recht op tegenspraak in dat de partijen hierover debat moeten kunnen voeren (zie mutatis mutandis EHRM 16 februari 2006, Prikyan en Angelova / Bulgarije, punt 42; EHRM 5 september 2013, Čepek / Tsjechische Republiek, punt 45).” Standpunt van de partijen
  7. De verwerende partij heeft geen memorie, noch enig stuk ingediend na het tussenarrest nr. 257.621 van 13 oktober
  8. Evenmin was zij aanwezig of vertegenwoordigd ter terechtzitting.
  9. Verzoeker heeft een aanvullende memorie ingediend. Hierin voert verzoeker aan dat, indien er door de verwerende partij geen uittreksel uit de notulen van het politiecollege wordt bijgebracht waaruit blijkt dat het politiecollege tijdig zijn akkoord heeft betuigd met de verzending van de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, hieruit volgt dat dit procedurestuk niet uitgaat van het bevoegde orgaan, met name het politiecollege. In dat geval kan er volgens verzoeker geen rekening worden gehouden met die laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. Beoordeling
  10. Overeenkomstig artikel 11, tweede lid, van de van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) worden in de meergemeentezones de respectieve bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen inzake de organisatie en het beheer van het lokaal politiekorps uitgeoefend door het politiecollege. Overeenkomstig artikel 297, § 1, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ vertegenwoordigt het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.436 XIV-38.843-3/7 buitengerechtelijke gevallen en beslist dit orgaan om in rechte op te treden namens de gemeente. Uit het samenlezen van deze bepalingen volgt aldus dat de meergemeentezone in gerechtelijke procedures slechts rechtsgeldig kan worden vertegenwoordigd door het politiecollege.
  11. Artikel 29 van de wet van 7 december 1998 bepaalt: “In de meergemeentezone wordt de functie van secretaris van de politieraad en van het politiecollege door een lid van het personeel van het administratief en logistiek kader van het lokaal politiekorps of van een gemeentelijke administratie van de zone vervuld. Hij wordt respectievelijk aangeduid door de politieraad of het politiecollege. Hij stelt de notulen van de raad en van het college op en zorgt voor de overschrijving ervan. De korpschef van de lokale politie is belast met de voorbereiding van de zaken die aan de politieraad of aan het politiecollege worden voorgelegd en woont de vergaderingen van de raad en het college bij. De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en door de secretaris getekend. De notulen vermelden alle besproken onderwerpen alsook het gevolg dat werd gegeven aan die punten waaromtrent geen beslissing werd genomen. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen. De briefwisseling uitgaande van de politieraad en het politiecollege wordt door de voorzitter ondertekend en door de korpschef medeondertekend tenzij daarvoor delegatie wordt verleend.” De laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van de verwerende partij is ingediend door de politiezone “voor wie optreedt, het Politiecollege van de Politiezone [M.], vertegenwoordigd door haar burgemeester-voorzitter de heer [J.T.]”. Zij werd digitaal ondertekend door J.T., met vermelding van zijn hoedanigheid van burgemeester-voorzitter van het politiecollege van de politiezone [M.]. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging zegt uit te gaan van het politiecollege, doch uitsluitend door de burgemeester-voorzitter is ondertekend. Dit procedurestuk werd niet alleen niet ondertekend overeenkomstig artikel 29 van de wet van 7 december 1998, er ligt – nadat de verwerende partij daartoe de gelegenheid werd geboden –, evenmin een uittreksel uit de notulen van het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.436 XIV-38.843-4/7 politiecollege voor waaruit blijkt dat het politiecollege tijdig zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) het betrokken procedurestuk. De verwerende partij toont aldus niet aan dat de laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging uitgaat van het bevoegde orgaan. Conclusie
  12. De laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van de verwerende partij wordt uit het debat geweerd. V. Toepassing van artikel 30, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies van de algemene procedureregeling
  13. Gelet op artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) “kan” de beslissing waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt volgens een versnelde rechtspleging nietig worden verklaard indien noch de verwerende partij, noch degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, een verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld.
  14. De voortzetting van het geding moet regelmatig zijn, wat te dezen inhoudt dat ze moet uitgaan van de verwerende partij, vertegenwoordigd op de rechtens vereiste wijze door het daartoe bevoegde orgaan.
  15. Uit wat voorafgaat en inzonderheid uit het weren uit het debat van het verzoek tot voortzetting, volgt dat de verwerende partij niet op regelmatige wijze een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend. Er is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.436 XIV-38.843-5/7 derhalve reden om toepassing te maken van het in artikel 30, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingestelde vermoeden, met dien verstande dat, zoals in het arrest van de algemene vergadering van de Raad van State van 14 december 2018 (RvS (A.V.), nr. 243.249, 14 december 2018) is gesteld, in het voornoemde artikel 30, § 3, en in artikel 14quinquies van de algemene procedureregeling slechts een bevoegdheidstoewijzing wordt gelezen om, afhankelijk van de vaststelling van een onwettigheid, via een versnelde rechtspleging tot nietigverklaring over te gaan. Het valt derhalve de kamer toe om te oordelen of te dezen het in het auditoraatsverslag gegrond bevonden eerste middel, de vernietiging van de bestreden beslissing verantwoordt en om desgevallend via deze versnelde procedure tot nietigverklaring over te gaan.
  16. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad van State geen reden om geen toepassing te maken van de bevoegdheidstoewijzing in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en in artikel 14quinquies van de algemene procedureregeling.
  17. Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van artikel 37 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet) daar de tuchtoverheid niet uiterlijk binnen vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 35 bedoelde termijn van dertig dagen een uitspraak heeft gedaan, noch haar beslissing heeft meegedeeld binnen die termijn van vijftien dagen. Het auditoraat valt dit standpunt bij en besluit dat het eerste middel gegrond is.
  18. Ook de Raad van State ziet, na eigen onderzoek, geen reden om deze beoordeling niet bij te vallen. Het eerste middel is in de aangeven mate gegrond. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.436 XIV-38.843-6/7 BESLISSING
  19. De Raad van State vernietigt de beslissing van de korpschef van de politiezone Maasland van 22 augustus 2021 waarbij aan verzoeker de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd.
  20. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
  21. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.436 XIV-38.843-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.436 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.