← België

Arrest 258443 - Niet begeleide minderjarigen - 15/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.443 Rolnummer: A. 238353/VII-41905 Zaak: Arrest 258443 - Niet begeleide minderjarigen - 15/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-23 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-10 19:25 Fiche Arrest nr 258.443 van 15 januari 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.443 van 15 januari 2024 in de zaak A. 238.353/VII-41.905 In zake : Nasratullah IBRAHIMKHEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoit Dhondt kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 28 november 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoit Dhondt, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 14 november 2022 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 30 november 2005. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. Op 18 november 2022 ondergaat verzoeker in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 18-11-22 minstens ouder is dan 18 jaar”. De dienst Voogdij beslist op 29 november 2022 op grond van het voormelde medisch onderzoek verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-2/24 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 3 en 8 iuncto 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM), van de artikelen 2 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 1, 7, 18, 24.2 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 3 en 12 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: kinderrechtenverdrag), van de artikelen 25 en 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 5. In een eerste middelonderdeel “de bijstand van een voogd en geïnformeerde toestemming” citeert verzoeker artikel 7 van de voogdijwet, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-3/24 artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 en artikel 25.1 en 25.5 van richtlijn 2013/32. Hij merkt op dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en in die hoedanigheid is aangemeld bij de dienst Voogdij. Verzoeker voert aan dat artikel 7 van de voogdijwet niet de omzetting vormt van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 maar wel richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. De door de dienst Voogdij georganiseerde leeftijdstest vormt een toepassing van het voornoemde artikel 25.5. De aanstelling van een voogd voor een verzoeker om internationale bescherming die aangeeft minderjarig te zijn, valt onder het Unierecht. Verzoeker vervolgt dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 gepaard gaat met een appreciatiebevoegdheid. Hij acht artikel 7 van de voogdijwet hiermee in strijd omdat het geen enkele marge voorziet doch een verplichting inhoudt om een medische leeftijdstest uit te voeren zodra de dienst Vreemdelingenzaken twijfel uit over de opgegeven leeftijd. De beperking van de discretionaire bevoegdheid heeft een impact op de evenredigheid van de bestreden beslissing. Artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 vereist de onmiddellijke aanstelling en bijstand van een voogd, hetgeen blijkt uit de structuur en de logica van deze bepaling, waarbij pas later een medische leeftijdstest kan worden overwogen in geval van twijfel. Verzoeker verwijst hierover onder meer naar standpunten van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind (hierna: VN-Kinderrechtencomité), het Fundamentel Rights Agency en de Europese Commissie en naar het arrest van Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2022 in de zaak 5797/17, Darboe en Camara tegen Italië. Te dezen heeft verzoeker geen voogd noch opvang gekregen voordat de leeftijdstest werd afgenomen. Verzoeker werd niet correct geïnformeerd over de leeftijdstest en de gevolgen ervan, noch over de mogelijkheid deze test te weigeren en de gevolgen daarvan. Er kan niet worden geverifieerd of de in de “fiche niet-begeleide minderjarige” aangegeven informatie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-4/24 wel klopt. Verzoeker beschikte niet over een voogd of een advocaat zodat hij niet met de nodige procedurele garanties zijn toestemming voor de leeftijdstest kon geven en geen sprake kan zijn van een vrije, geïnformeerde toestemming. Een leeftijdstest die wordt afgenomen terwijl verzoeker de gevolgen van dergelijke test niet begrijpt, gebeurt niet met respect voor zijn recht op privéleven en zijn hoger belang als kind. Op grond van het voorgaande acht verzoeker ook artikel 8 van het EVRM en artikel 12 van het kinderrechtenverdrag geschonden. 6. In een tweede middelonderdeel “met betrekking tot de nauwkeurigheid en evenredigheid van de test” herhaalt verzoeker dat hem geen voogd werd toegewezen vóór het uitvoeren van de leeftijdstest. Er werden geen verklaringen afgenomen van verzoeker noch werd enig ander (bijvoorbeeld psycho-affectief of multidisciplinair) onderzoek gevoerd en er werden evenmin inlichtingen ingewonnen via diplomatieke posten. De verwerende partij heeft verzoekers identiteitsdocument niet bekeken. Verzoeker voert aan dat op grond van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 het minst ingrijpende medisch onderzoek moet worden georganiseerd, volgens het Europees Asielagentschap pas nadat alle andere mogelijkheden om de leeftijd te schatten zijn uitgeput. Het VN-Kinderrechtencomité vereist dat niet enkel met het fysieke voorkomen maar ook met de psychische maturiteit van de betrokkene rekening wordt gehouden. Ook het EHRM wijst in zijn hoger genoemd arrest van 21 juli 2022 op het belang van een holistische en multidisciplinaire leeftijdsschatting. Op grond van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 7 van de voogdijwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, evenals de in artikel 4 van richtlijn 2011/95 voorziene samenwerkingsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel, is ook de verwerende partij hiertoe gehouden. Tot slot is de verwerende partij op grond van artikel 3 iuncto artikel 13 van het EVRM verplicht verzoekers identiteit en leeftijd aan een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-5/24 Verzoeker laat gelden dat de beoordeling van de verklaarde leeftijd van een verzoeker om internationale bescherming, inclusief de betwisting hiervan, deel uitmaakt van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, dit overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), dat er de omzetting van is. Verzoekers leeftijd en identiteit behoren tot de kernelementen voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming die in direct verband staan met verzoekers geloofwaardigheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschouwt de leeftijdsbeslissingen van de dienst Voogdij als administratieve beslissingen waaraan het privilège du préalable kleeft en die worden geacht wettig te zijn zolang ze niet zijn vernietigd of ingetrokken. De asiel- en beroepsinstanties maken geen latere inschatting van de leeftijd. Indien de verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard, kan dit nochtans een tegenindicatie vormen voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas. Hier geldt ook de samenwerkingsplicht voor de lidstaten van de Europese Unie met de verzoeker om internationale bescherming, waarvoor verzoeker naar analogie verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wat het onderzoek naar de seksuele gerichtheid van de betrokkene betreft. Verzoeker leidt hieruit af dat een leeftijdsschatting met een zeer grote foutenmarge, zonder een verzoeker eerst uitgebreid te horen en zonder zijn documenten nauwkeurig en nauwgezet te onderzoeken, in strijd is met artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 13 van richtlijn 2005/85 van de Raad van 1 december 2005 ‘betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus’ (hierna: richtlijn 2005/85). Er is op zijn minst aanvullend onderzoek nodig, zoals de in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziene psycho-affectieve test, en dit voorafgaand aan een medische leeftijdstest. Het is onzorgvuldig en onredelijk om zonder enige motivering en zonder goede reden verzoekers identiteitsdocumenten, te dezen een foto van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-6/24 verzoekers taskara, buiten beschouwing te laten en zonder enig ander mogelijk onderzoek over te gaan tot een notoir onnauwkeurige test. Indien een verzoeker beschikt over identiteitsdocumenten zou niet mogen worden overgegaan tot een leeftijdstest, alleszins niet totdat de valsheid van die documenten zou blijken. Verzoeker wijst verder op de noodzaak van een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals vereist door artikel 46.3 van richtlijn 2013/32 en op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, die een uitputtend en geactualiseerd (ex nunc) onderzoek vereist. De toetsingsbevoegdheid van de Raad van State is bij gebrek aan volle rechtsmacht veel beperkter en vormt derhalve geen effectief rechtsmiddel. Het VN-Kinderrechtencomité deelt die mening. 7. In een derde middelonderdeel “met betrekking de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de test en het voordeel van de twijfel” acht verzoeker de medische leeftijdstest “op zich onnauwkeurig en weinig precies”, hetgeen hij omstandig toelicht. Hij benadrukt het belang van het voordeel van de twijfel, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de psychologische maturiteit van de betrokkene en waarbij de laagst mogelijke leeftijd in aanmerking moet worden genomen. Vervolgens betwist verzoeker de interpretatie van de resultaten van zijn leeftijdstest. Dat overeenkomstig artikel 7, § 3, van de voogdijwet rekening moet worden gehouden met “de jongste leeftijd” wil zeggen dat de betrokkene als minderjarig moet worden beschouwd indien één van de drie tests een “relevante” leeftijd oplevert die onder de meerderjarigheidsgrens ligt. Verzoeker merkt op dat de “standaarddeviatie” aan beide zijden van de geschatte leeftijd 34,1 % bedraagt, waarna er met die resultaten nog eens 15,9 % ouder of jonger dan de standaarddeviatie zijn. Zelfs met een dubbele standaarddeviatie van 13,6 % aan beide zijden, vallen 2,2 % van de personen er aan weerszijden buiten. De jongste leeftijd bevindt zich extreem links op de leeftijdscurve, zodat de standaarddeviatie zou moeten worden vermenigvuldigd met drie. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-7/24 Verzoekers leeftijd zou volgens de radiografie van het sleutelbeen liggen op 26,7 jaar met een standaarddeviatie van 2,3 jaar. Op basis van de handpolsradiografie wordt besloten dat verzoeker een matuur skelet heeft, dat zich gemiddeld situeert op 18 jaar. Hierbij gaat het slechts om een gemiddelde en niet om een absolute ondergrens, waarbij verzoeker nog opmerkt dat de test enkel is gericht op de skeletleeftijd en niet op de effectieve leeftijd. Het orthopantomogram, op basis waarvan men tot een leeftijd van 17,7 jaar komt, wordt zonder geldige reden buiten beschouwing gelaten. Er wordt door de deskundige niet bewezen dat verzoeker kampt met een vertraagde ontwikkeling van de wijsheidstanden, minstens bestaat reële twijfel over de prevalentiegraad hiervan. De uitslag van het orthopantomogram stemt overeen met verzoekers verklaarde leeftijd. Verzoeker noemt de medische leeftijdstest nogmaals “te onnauwkeurig en weinig betrouwbaar”, onder meer omdat de standaardafwijking als ondergrens wordt gehanteerd terwijl ze slechts 68% van de testpopulatie beslaat en 32% uitsluit. Om deze reden acht verzoeker meteen de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen geschonden. Het uitvoeren van dergelijke test vormt een niet-rechtvaardigbare inmenging in verzoekers privéleven en, wat de mogelijkheid van gezinshereniging betreft, ook in zijn gezinsleven. Tussendoor merkt verzoeker nog op dat een beroep tegen de bestreden beslissing automatisch schorsend moet zijn, zodat hij ook tijdens de beroepsprocedure wordt behandeld als een minderjarige en het hoger belang van het kind toepassing blijft vinden. 8. In ondergeschikte orde vraagt verzoeker de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “1. Dient artikel 25.1 van richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) zo gelezen te worden dat een niet-begeleide minderjarige verzoeker internationale bescherming recht heeft op de bijstand van een voogd, ook al wordt er aan diens leeftijd getwijfeld en overweegt men een medische test in de zin van artikel 25.5 van de richtlijn af te nemen? ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-8/24 2. Dient artikel 25 van de Procedurerichtlijn zo gelezen te worden dat indien er een medische leeftijdstest in de zin van artikel 25.5 van de richtlijn wordt afgenomen de niet-begeleide minderjarige reeds vertegenwoordigd moet zijn door een voogd? 3. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zo gelezen te worden dat lidstaten een discretionaire marge moeten genieten om al dan niet over te gaan tot het afnemen van een leeftijdstest na het uiten van ernstige twijfel, en dient deze discretionaire marge conform het hoger belang van het kind, en algemene rechtsbeginselen als het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel uitgeoefend te worden? 4. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zo gelezen te worden dat het uiten van ernstige twijfel geen subjectief proces mag zijn dat louter voortvloeit uit een inschatting van het uiterlijk van de minderjarige, maar aan kwaliteitsstandaarden dient te beantwoorden, en zo ja, welke? 5. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn gelezen te worden in functie van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en geldt de samenwerkingsplicht bij de inschatting van de leeftijd van een verzoeker? 6. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn gelezen te worden in functie van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en houdt dit in dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de leeftijd dient te gebeuren door de bevoegde asielinstantie, of alleszins dezelfde instantie die de andere elementen vernoemd in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn beoordeelt? 7. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn gelezen te worden in functie van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en houdt dit dat de leeftijd niet enkel medisch mag ingeschat worden maar in relatie tot de andere materiële elementen vermeld in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn? 7 [lees: 8]. Dient er tegen een leeftijdsinschatting van een verzoeker internationale bescherming een ex nunc rechtsmiddel open te staan in de zin van artikel 46 lid 3 van de Procedurerichtlijn? 8 [lees: 9]. Dient het uiten van toestemming en de informatieplicht over de leeftijdstest en de gevolgen hiervan, zoals bepaald in artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn, aan bepaalde standaarden en procedurele garanties te voldoen, zoals de bijstand van een voogd, een raadsman, een schriftelijk en gehandtekend verslag in een taal die de verzoeker begrijpt?” Beoordeling Eerste onderdeel van het enige middel 9. In de mate dat verzoeker verwijst naar richtlijn 2013/32, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat deze in haar artikel 1 uitdrukkelijk “de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming” beoogt. Zoals verzoeker terecht opmerkt, vormt de voogdijwet niet de omzetting van deze richtlijn. De voogdijwet dateert van vóór ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-9/24 de richtlijn en maakt geen onderscheid naargelang de betrokkenen “de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd” dan wel “niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”. Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming. 10. Artikel 25.1, a), van richtlijn 2013/32 legt de lidstaten op “zo snel mogelijk maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld”. Voor zover het Unierecht te dezen van toepassing zou zijn, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de voogdijwet de mogelijkheid niet uitsluit dat reeds een voogd wordt aangewezen indien er twijfel is over de voorgehouden leeftijd en de leeftijdstest nog moet worden uitgevoerd. Verder vermeldt het voornoemde artikel 25.1, a), enkel dat de vertegenwoordiger van de niet-begeleide minderjarige “zo snel mogelijk” moet worden aangesteld, zonder enige concrete termijn en met name zonder aan te geven dat dit moet gebeuren vooraleer tot een leeftijdsonderzoek wordt beslist of dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd, laat staan dat een op grond van een medisch onderzoek genomen leeftijdsbeslissing onwettig zou zijn om de enkele reden dat op dat ogenblik nog geen voogd was aangesteld. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat de dienst Voogdij op grond van artikel 6, § 2, van de voogdijwet de betrokkene meteen onder de hoede neemt vanaf zijn aanmelding bij de dienst Voogdij. In de verantwoording bij het amendement dat tot artikel 6, § 2, van de voogdijwet heeft geleid, heet het: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-10/24 “De beschermingsregeling bestaat uit twee fasen: De eerste fase bestaat erin dat de Dienst voogdij de vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn onder zijn hoede neemt. De tweede fase vangt aan op het tijdstip waarop de Dienst voogdij de voogd heeft aangewezen wanneer volgens hem vast is komen te staan dat de betrokken persoon voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 6 van het ontwerp. Ingeval een vreemdeling asiel aanvraagt of aan de grens of op het grondgebied wordt gevonden zonder de documenten op grond waarvan hij het grondgebied mag betreden of aldaar verblijven en hij verklaart minderjarig te zijn, neemt de Dienst voogdij onmiddellijk die persoon onder zijn hoede en plaatst hem tijdelijk onder haar bescherming tot wanneer zijn minderjarigheid is bevestigd, voor zover zij wordt betwist. Het betreft een overgangsperiode die zo kort mogelijk moet zijn.” Net omwille van deze eerste fase van de bescherming, blijkt te dezen dat de in de voogdijwet voorziene en op verzoeker toegepaste regeling geen schending vormt van artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 voor zover deze bepaling van toepassing zou zijn. 11. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32/EU kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Ook uit deze richtlijnbepaling blijkt niet dat een voogd moet zijn aangesteld alvorens een leeftijdsonderzoek kan worden ingesteld. Ze bevat geen enkele vermelding in die zin. Evenmin blijkt dat artikel 25 van richtlijn 2013/32 chronologisch zou moeten gelezen zoals verzoeker doet, namelijk dat eerst (artikel 25.1) een voogd moet worden aangesteld en dat in een later stadium en wanneer daaraan is voldaan pas een leeftijdsonderzoek (artikel 25.5) kan worden uitgevoerd. Zo hebben artikel 25.3 en 25.4 duidelijk betrekking op een latere fase dan de leeftijdsbeslissing, namelijk het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming en zelfs de mogelijke intrekking van die bescherming. Tot slot voorziet artikel 25.5 zowel de situatie met als zonder voogd waar het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-11/24 voorziet dat “de niet-begeleide minderjarige” moet worden geïnformeerd over het leeftijdsonderzoek (artikel 25.5, derde lid,

  1. a)van de richtlijn) en dat “de niet-begeleide minderjarige en/of zijn vertegenwoordiger” moet instemmen met het leeftijdsonderzoek (artikel 25.5, derde lid,
  2. b)van de richtlijn). 12. Verzoeker beroept er zich op dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 een appreciatiebevoegdheid inhoudt omdat de lidstaten “kunnen” overgaan tot een leeftijdsonderzoek terwijl artikel 7 van de voogdijwet de dienst Voogdij ertoe verplicht een medisch onderzoek uit te voeren indien twijfel wordt geuit over de leeftijd van de betrokkene. Uit de term “kunnen” blijkt reeds de discretionaire marge die aan de lidstaten wordt gegeven om in het kader van een verzoek om internationale bescherming de leeftijd te laten vaststellen aan de hand van een medisch leeftijdsonderzoek. Dat in artikel 7, § 1, eerste lid, van de voogdijwet geen sprake is van het woord “kunnen”, maar dat erin wordt bepaald dat de dienst Voogdij onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts laat uitvoeren teneinde na te gaan of deze persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar wanneer die dienst of de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering twijfel koesteren omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, is geenszins in strijd met de richtlijn. De discretionaire marge heeft immers betrekking op het hebben van twijfels over de voorgehouden leeftijd, in welk geval krachtens artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 de leeftijd dient te worden nagegaan door middel van een medisch onderzoek. Het komt daarbij aan de lidstaten toe een dergelijk medisch onderzoek op te leggen om in geval van twijfel de leeftijd te laten vaststellen aan de hand van een medisch leeftijdsonderzoek. 13. Verder blijkt uit de op 14 november 2022 opgestelde “fiche niet-begeleide minderjarige” betreffende verzoeker dat de twijfel aan de opgegeven leeftijd is gesteund op verzoekers fysieke kenmerken, dat hem die twijfel werd meegedeeld, dat de dienst Vreemdelingenzaken heeft gevraagd een leeftijdsonderzoek uit te voeren, dat verzoeker een document heeft ontvangen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-12/24 betreffende het verloop van het leeftijdsonderzoek (in een voor verzoeker begrijpelijke taal, met alle informatie, ook over de gevolgen van (een weigering van) het leeftijdsonderzoek en dat verzoeker geen bezwaar heeft uitgeoefend tegen het uitvoeren van dergelijk onderzoek. Verzoeker stelt wel dat de juistheid van de inhoud van de voormelde fiche niet kan worden geverifieerd, doch hij brengt geen enkel element bij dat wijst op enige onjuistheid en hij heeft evenmin de valsheid van dat stuk aangevoerd. Uit het medisch verslag van 18 november 2022 blijkt nog dat verzoeker bij het leeftijdsonderzoek was vergezeld van personeel van de dienst Voogdij. In de gegeven omstandigheden valt ook niet in te zien hoe het leeftijdsonderzoek doorgang had kunnen vinden indien verzoeker er niet akkoord mee ging. In de voormelde omstandigheden blijkt evenmin dat verzoeker geen toestemming of geen geïnformeerde toestemming zou hebben gegeven voor een leeftijdsonderzoek. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van artikel 8 van het EVRM, noch van artikel 12 van het kinderrechtenverdrag. Wat het feit betreft dat verzoeker niet meteen bij zijn aanmelding een voogd kreeg toegewezen, dient nog te worden opgemerkt dat de termijn waarbinnen verzoeker wel onder de hoede stond van de dienst Voogdij maar er nog geen voogd was aangesteld en er twijfel bestond over verzoekers leeftijd, zo kort mogelijk is gehouden. Het leeftijdsonderzoek heeft immers plaatsgevonden op 18 november 2022, slechts 4 dagen nadat verzoeker had verklaard minder dan 18 jaar oud te zijn en de dienst Vreemdelingenzaken daarover twijfel had geuit. In het licht van het voorgaande is de verwijzing naar het door verzoeker aangehaalde arrest van het EHRM van 21 juli 2022 niet dienstig. In die zaak ging het immers om feiten die niet vergelijkbaar zijn met de huidige zaak, namelijk een leeftijdstest zonder dat de betrokkene behoorlijk was geïnformeerd en de overbrenging naar een opvangcentrum voor volwassenen voordat de uitslag van leeftijdstest definitief was en waar hij gedurende maanden werd vastgehouden. Tweede onderdeel van het enige middel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-13/24 14. Daargelaten de vraag of verzoeker zich te dezen kan beroepen op het Unierecht, sluit artikel 25 van richtlijn 2013/32, anders dan verzoeker voorhoudt, niet uit dat een medisch onderzoek wordt georganiseerd indien er twijfels zijn over de leeftijd van de betrokkene hoewel deze laatste een document overlegt ter staving van zijn voorgehouden geboortedatum. Te dezen heeft verzoeker overigens geen identiteitsdocument overgelegd: zoals aangegeven in de “fiche niet-geleide minderjarige” en zoals verzoeker zelf aangeeft, gaat het enkel om een foto van een taskara op verzoekers gsm. 15. Verzoeker verstaat onder het in artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 vermelde “minst ingrijpende onderzoek” dat eerst alle andere mogelijkheden moeten worden geprobeerd alvorens wordt overgegaan tot een medisch onderzoek. Deze interpretatie berust op een verkeerde lezing van de desbetreffende bepaling. Artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 voorziet enkel dat “[d]e lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming [kunnen] besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Er is geen sprake van een verplichting om eerst andere onderzoeken uit te voeren. De verwijzing in artikel 25.2 van dezelfde richtlijn naar het “minst ingrijpende onderzoek” heeft enkel betrekking op het in die bepaling vermelde “medisch onderzoek”. 16. Verzoeker beroept zich op artikel 46.3 van richtlijn 2013/32 dat bepaalt: “Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-14/24 Artikel 46.1 van richtlijn 2013/32 legt echter uitsluitend de mogelijkheid op van “een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie” tegen de volgende beslissingen: “
  3. a)een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:
  4. i)om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire beschermingsstatus;
  5. ii)om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2; iii) aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 43, lid 1;
  6. iv)om een behandeling niet uit te voeren krachtens artikel 39;
  7. b)een weigering om de behandeling van een verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 27 en 28 te hervatten;
  8. c)een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming krachtens artikel 45.” De bestreden beslissing die er uitsluitend toe strekt op grond van een leeftijdsschatting vast te stellen of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, valt niet onder artikel 46 van richtlijn 2013/32, zodat verzoeker zich alleen al om die reden niet dienstig op deze richtlijnbepaling kan beroepen. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat noch artikel 25.5 van deze richtlijn noch enige andere bepaling de vereiste van een rechtsmiddel met een ex nunc-beoordeling tegen een beslissing zoals de thans bestreden beslissing voorziet. 17. Artikel 4 van richtlijn 2011/95 heeft betrekking op de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming. De bestreden beslissing, die louter een leeftijdsschatting inhoudt en niet is genomen door een asielinstantie, valt daar niet onder. Artikel 48/6 van de vreemdelingenwet heeft uitsluitend betrekking op de door “een verzoeker om internationale bescherming” bij te brengen “elementen ter staving van zijn verzoek” en dit bij de “met het onderzoek van het verzoek belaste instanties”. De bestreden beslissing is niet genomen door dergelijke instantie en houdt ook geen verband met het voorgaande doch betreft ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-15/24 slechts een voorafgaande schatting of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en aldus al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. 18. Indien de thans bestreden beslissing ertoe zou leiden dat in een beslissing omtrent het verzoek om internationale bescherming verzoekers verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard en dit zou worden beschouwd als een tegenindicatie voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas, kan verzoeker daartegen alsnog de rechtsmiddelen uitputten waarover hij beschikt, met de mogelijkheid van een beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van een cassatieberoep bij de Raad van State tegen de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 19. Verzoekers omstandige kritiek die betrekking heeft op de beoordeling van de voorgehouden leeftijd in het licht van een verzoek om internationale bescherming is dan ook niet dienstig, net omdat de thans bestreden beslissing geen uitstaans heeft met de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Om dezelfde reden is ook verzoekers verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende het onderzoek naar de seksuele gerichtheid van een verzoeker om internationale bescherming te dezen niet dienstig. 20. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-16/24 Dat in dergelijke gevallen uitdrukkelijk een leeftijdsonderzoek wordt voorzien, houdt niet in dat de bestreden beslissing op zich het evenredigheidsbeginsel zou schenden. Voor zover verzoekers grief in wezen kritiek op de wet vormt, is ze niet-ontvankelijk. In de mate dat verzoeker zich richt tegen de “notoir inaccurate medische leeftijdsschatting, kan worden verwezen naar de behandeling van het derde middelonderdeel infra. 21. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de informatie uit de overgelegde documenten (te dezen beperkt tot een foto op gsm van een taskara) wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Dat het VN-Kinderrechtencomité hierover een ander standpunt zou hebben ingenomen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. 22. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-17/24 23. Verzoeker laat gelden dat de verwerende partij op grond van artikel 3 iuncto 13 van het EVRM verplicht is “een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek” te voeren naar zijn identiteit en leeftijd. Er kan worden verwezen naar de beoordeling supra waarmee verzoekers kritiek tegen het uitgevoerde leeftijdsonderzoek reeds werd verworpen, evenals naar de beoordeling van het derde middelonderdeel infra. Verzoeker licht niet anders toe op welke wijze het door artikel 3 van het EVRM opgelegde verbod van folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen zou zijn geschonden met de bestreden beslissing, die enkel een leeftijdsschatting inhoudt. Derde onderdeel van het enige middel 24. Verzoeker benadrukt in het algemeen de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Met die algemene kritiek toont hij niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-18/24 van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op datum van 18-11-2022 minstens ouder is dan 18 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Bovendien wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet onafhankelijk van de gebruikte methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Voor wat het orthopantomogram betreft, gaat het volgens de in het onderzoek gebruikte techniek om “een leeftijd van 17.7 jaar” waarbij een “95% predictie-interval […] 16.1 – 19.8 jaar [is], met een kans van 40% dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Met verwijzing naar “de algemene gebitsstatus, de maturiteit van het handpolsgewricht en het ontwikkelingsstadium van het claviculaire gewricht” mag er volgens de deskundige van uitgegaan worden “dat de ontwikkeling van de wijsheidstanden in de boven- en onderkaak sterk vertraagd verloopt”. Volgens de deskundige is het “onmogelijk om de ontwikkeling van de wijsheidstanden correct in te schatten, doch op basis van handpols en clavicula lijkt het aannemelijk om er van uit te gaan dat betrokkene minstens ouder is dan 18 jaar”. Wat de radiografie van de sleutelbeenderen betreft, wordt in het onderzoek besloten tot “een gemiddelde leeftijd van 26,7 jaar met een standaarddeviatie van 2,3 jaar”. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Zoals hoger eveneens werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. In het deskundig verslag wordt duidelijk aangegeven waarom de geschatte leeftijd niet wordt bepaald op de leeftijd volgens het orthopantomogram, waarin een leeftijd van meer dan 18 jaar overigens niet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-19/24 wordt uitgesloten. Verzoeker toont niet aan dat de eindconclusie in strijd is met de bevindingen van de deelonderzoeken. Verzoeker toont met de algemene stelling dat de leeftijdstest “op zich onnauwkeurig en weinig precies” is, geen gebrek aan in het te dezen uitgevoerde leeftijdsonderzoek waarop de bestreden beslissing is gesteund. Zoals reeds aangegeven, gaat het enerzijds enkel om een schatting en niet om een nauwkeurige leeftijdsbepaling en is die schatting net gesteund op een door artsen uitgevoerd meervoudig onderzoek. Anderzijds gaat het om een duidelijke conclusie en blijkt uit de bewoordingen van het medisch verslag dat er in hoofde van de arts geen twijfel over bestaat dat verzoeker ouder dan 18 jaar is. Verzoekers verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende het onderzoek naar de seksuele gerichtheid van een verzoeker om internationale bescherming houdt geen verband met en doet dan ook geen afbreuk aan het voorgaande. De bestreden beslissing betreft immers geen uitspraak over een verzoek tot internationale bescherming. Verzoeker ontkracht derhalve niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Gezien de duidelijke conclusie van het leeftijdsonderzoek, diende verzoeker niet “het voordeel van de twijfel” te worden gegeven, waarop hij zich beroept. 25. Om de leeftijdsschatting te bekritiseren gaat verzoeker nog in op de betekenis van het begrip normaalverdeling in de statistiek. De in het leeftijdsonderzoek toegepaste standaardafwijking geeft echter de correctie (in jaren) weer die moet worden toegepast op de geschatte leeftijd om tot de jongste ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-20/24 (of minimum-)leeftijd te besluiten. Verzoekers betoog doet geen afbreuk aan de toegepaste en nader toegelichte schattingen en correcties in het medisch verslag. Verzoeker mag het dan “bijzonder opmerkelijk” vinden dat op korte tijd meerdere gevallen voorkomen van een vertraagde ontwikkeling van de wijsheidstanden bij Afghaanse jongeren, daarmee maakt hij niet de onjuistheid van de desbetreffende vaststellingen in het medisch verslag aannemelijk. 26. Waar verzoeker laat gelden dat de beroepsprocedure bij de Raad van State tegen de bestreden beslissing niet schorsend werkt waardoor ze geen effectief rechtsmiddel zou vormen, gaat hij voorbij aan de mogelijkheden om een schorsing van de tenuitvoerlegging en voorlopige maatregelen te vragen, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Bovendien is de vraag naar het bestaan van een schorsend rechtsmiddel te dezen niet relevant, gelet op het feit dat met het onderhavige arrest uitspraak ten gronde wordt gedaan over verzoekers beroep tot nietigverklaring en uit de behandeling van het middel blijkt dat verzoekers kritiek tegen de leeftijdsschatting ongegrond is. Tot slot kan worden verwezen naar punt 18 supra, wat betreft de rechtsmiddelen waarover verzoeker beschikt. In de mate dat verzoeker een rechtsmiddel met toetsing van de evenredigheid vraagt, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State ook als annulatierechter bevoegd is om zich uit te spreken over de evenredigheid van een voor hem aangevochten beslissing doch dat verzoeker te dezen geen schending van het evenredigheidsbeginsel aantoont, louter omdat hij op grond van een leeftijdsonderzoek wordt beschouwd als ouder dan 18 jaar. Prejudiciële vragen 27. In ondergeschikte orde vraagt verzoeker 9 prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ze zijn in punt 8 supra weergegeven en worden hierna in dezelfde volgorde behandeld, voor zover zou worden aangenomen dat het Unierecht van toepassing is. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-21/24 28. Voor de eerste prejudiciële vraag kan worden verwezen naar punt 10 e.v. supra. Daaruit blijkt dat artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 de lidstaten wel oplegt “zo snel mogelijk maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger”, doch zonder enige termijn op te leggen, en dat verzoeker te dezen meteen “onder de hoede” van de dienst Voogdij is geplaatst. Hierbij kan ook worden gewezen op de vaststelling dat het leeftijdsonderzoek reeds 4 dagen na verzoekers aanmelding en leeftijdsverklaring heeft plaatsgevonden. Voor de tweede prejudiciële vraag kan worden verwezen naar de punten 10 tot en met 13 supra. Daaruit blijkt dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 de lidstaten wel een aantal verplichtingen oplegt maar niet noodzakelijk de aanstelling van een voogd vooraleer een leeftijdsonderzoek plaatsvindt. Er blijkt eveneens uit dat te dezen aan die waarborgen is voldaan, minstens dat verzoeker het tegendeel niet aannemelijk maakt, zodat de voorgestelde prejudiciële vraag niet relevant is voor de oplossing van het geschil. Voor de derde prejudiciële vraag kan worden verwezen naar onder meer punt 12 supra. Verzoeker gaat uit van een verkeerde lezing van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32, zodat de in het licht daarvan voorgestelde prejudiciële vraag niet relevant is voor de oplossing van het geschil. Met betrekking tot de vierde prejudiciële vraag blijkt duidelijk dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 geen “kwaliteitsstandaarden” voorziet en dat te dezen de twijfel aan verzoekers verklaarde leeftijd werd geuit op grond van een objectief element, zijnde verzoekers fysieke kenmerken. Net omdat de voornoemde richtlijnbepaling geen “kwaliteitsstandaarden” voorziet, is het antwoord op de prejudiciële vraag niet vereist voor de oplossing van het geschil. Voor de vijfde tot en met de zevende prejudiciële vraag kan worden verwezen naar onder meer punt 17 supra, waarin is vastgesteld dat artikel 4 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-22/24 van richtlijn 2011/95 niet van toepassing is op de bestreden beslissing. Het antwoord op de voorgestelde vragen is derhalve niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Voor de achtste prejudiciële vraag kan worden verwezen naar onder meer punt 16 supra, waaruit blijkt dat artikel 46.3 van richtlijn 2013/32 evenmin van toepassing is op de bestreden beslissing. Het antwoord op de voorgestelde vraag is derhalve niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Voor de negende prejudiciële vraag kan worden verwezen naar onder meer punt 13 supra. Nu blijkt dat aan de in artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 gestelde waarborgen is voldaan, is het antwoord op de voorgestelde prejudiciële vraag niet relevant voor de oplossing van het geschil. 29. De door verzoeker voorgestelde prejudiciële vragen worden niet gesteld. V. Kosten – rechtsplegingsvergoeding 30. Zoals verzoeker terecht opmerkt, vallen de kosten van het “medisch onderzoek” overeenkomstig artikel 7, § 1, derde lid, van de voogdijwet ten laste van de overheid die het heeft gevraagd, te dezen de dienst Vreemdelingenzaken. De kosten van de huidige procedure, waaronder de rechtsplegingsvergoeding, vormen echter geen kosten van het medisch onderzoek maar van het jurisdictionele beroep tegen de desbetreffende leeftijdsbeslissing. Naar luid van artikel 30/1, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een rechtsplegingsvergoeding worden toegekend die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van “de in het gelijk gestelde partij”. Op grond van artikel 30/1, § 2, tweede lid van die ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-23/24 gecoördineerde wetten wordt de rechtsplegingsvergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet, zoals te dezen verzoeker, beperkt tot het minimumbedrag, zoals overigens gevraagd door de verwerende partij. Verzoeker verwijst naar artikel 20 van richtlijn 2013/32 doch deze bepaling heeft betrekking op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming en beroepsprocedures tegen beslissingen dienaangaande. Het beroep tot nietigverklaring van de thans bestreden beslissing valt daar hoe dan ook niet onder. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.443 VII-41.905-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.443 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.