id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.458 Rolnummer: A. 232344/IX-9804 Zaak: Arrest 258458 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-22 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-06-10 19:28 Fiche Arrest nr 258.458 van 16 januari 2024 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.458 van 16 januari 2024 in de zaak A. 232.344/IX-9804 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Damen kantoor houdend te 2600 Berchem Elisabethlaan 122 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 november 2020, strekt tot nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Justitie van 1 oktober 2020 waarbij XXXX, stagedoende penitentiair bewakingsassistent bij de gevangenis te Antwerpen, ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-1/36 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
- Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Evi De Doncker, die loco advocaat Walter Damen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Rutger Robijns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op de website van SELOR verschijnt in de zomer van 2018 een vacature als penitentiair bewakingsassistent bij het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen bij de federale overheidsdienst Justitie (DG EPI). Wat de selectietesten betreft, staat in het vacaturebericht het volgende te lezen : “Functiespecifieke screening: deel 2 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-2/36
- Interview + schriftelijke proef: Het interview evalueert of je gedragsgerichte en technische competenties overeenkomen met de jobvereisten. Er worden ook vragen gesteld over je motivatie, je interesse en je voeling met het werkterrein. (…) Je online-cv in ‘Mijn Selor’ wordt gebruikt als bijkomende informatie voor het interview.” Nog in het vacaturebericht staat onder “Aanstellingsvoorwaarden” het volgende te lezen: “Aanstellingsvoorwaarden Als je geslaagd bent voor deze selectie, moet je – om benoemd te worden – op de aanstellingsdatum: (….) Een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking.” 3.
- Op 2 augustus 2018 verstuurt verzoeker een e-mail naar de verwerende partij waarin hij een vraag stelt betreffende de aanstellingsvoorwaarden. Hij schrijft: “Ik heb een blanco strafregister (na eerherstel) maar ben zelf ooit veroordeeld en opgesloten geweest in de gevangenis. Maak ik een kans om door de screening te komen?”. Voorts vermeldt hij ook zijn beroepservaring als bewakingsagent, politieagent en preventieadviseur arbeidsveiligheid niveau
- 3.
- Na een tweede e-mail waarbij hij zijn vraag herneemt, ontvangt verzoeker op 22 augustus 2018 een eerste reactie van de stafdienst P&O, cel Selectie en Loopbaan van de verwerende partij. Door de administratief assistente wordt meegedeeld dat zij nog geen uitsluitsel gekregen heeft van de directie vermits ze nog geen zicht hebben op de gepleegde feiten. De e-mail vermeldt dat verzoeker zich in tussentijd kan inschrijven om zich kandidaat te stellen. In de daaropvolgende maanden stuurt verzoeker nog vier e- mails met de vraag of er al meer geweten is en met de vraag of “uw diensten een antwoord kunnen formuleren alvorens ik de stap zet om mee te doen aan de selectieproeven”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-3/36 Uiteindelijk wordt op 13 november 2019 door de stafdienst P&O geantwoord dat verzoeker kan deelnemen aan de proeven. Dezelfde dag reageert verzoeker per e-mail en wijst erop dat “[m]ijn vraag (…) echter [is] of ik door de screening geraak nadien”. Ook diezelfde dag luidt het antwoord van de stafdienst P&O van de FOD Justitie als volgt: “Voorafgaand aan een indiensttreding raadplegen wij het strafregister. Indien u ondertussen over een blanco strafblad beschikt en geen nieuwe feiten heeft gepleegd, zal er geen probleem zijn”. 3.
- Hierna neemt verzoeker deel aan de wervingsprocedure bij Selor en de daaropvolgende sollicitatie. Hij slaagt in het wervingsexamen ANGPBA, als eerste laureaat. 3.
- Op 9 juni 2020 beslist de voorzitter van het directiecomité om, onder anderen, verzoeker met ingang van 1 juli 2020 toe te laten tot de stage in de hoedanigheid van penitentiair bewakingsassistent bij de buitendiensten van het DG EPI. Zijn standplaats wordt Antwerpen. 3.
- Op 15 juli 2020 vindt een eerste functioneringsgesprek plaats, in aanwezigheid van (de vertegenwoordiger van de) directeur AJ, hiërarchisch meerdere KB, functionele chef KB en de P&O correspondent TVL. In het verslag van dit gesprek staat het volgende te lezen : “Afspraken met betrekking tot de bijdrage aan de teamprestaties Afspraak/doelstelling Dit gesprek komt er naar aanleiding van het detentieverleden van de medewerker dat ondertussen bekend werd bij de collega’s. [R] heeft na 2 veroordelingen en een detentie van 3 jaar eerherstel gekregen en kon via die weg in dienst treden als PBA. Een collega heeft [R] herkend van toen hij zelf nog in Mechelen werkte, en [R] daar verbleef als gedetineerde, op die manier ging ‘het verhaal’ snel rond en hadden we een gesprek met [R] over zijn beweegredenen om met zijn bagage ervoor te kiezen in de gevangenis te gaan werken. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-4/36 Stand van zaken [R] is nog maar net begonnen aan zijn stage, hij presteerde op 14/7 zijn eerste werkdag. Een collega herkende [R] dus als ex-gedetineerde, en [R] herkende een gedetineerde als jeugdkennis omdat ze samen in een voetbalploeg hebben gezeten. We hebben op dit moment 2 bezorgdheden: 1) De reactie van de collega’s wanneer ze (via mekaar?) nota nemen van het gerechtelijke verleden van [R]. We weten dat personeelsleden hard kunnen zijn voor mekaar en we vermoeden dat de ‘verhalen’ die over [R] de ronde zullen gaan, of op internet te vinden zijn een zeker wantrouwen zullen opwekken bij de collega’s. Wanneer dit wantrouwen zich ostentatief manifesteert zou dit het werk van [R] kunnen beïnvloeden. 2) De houding van [R] ten aanzien van situaties of mensen die hij nog kent vanuit zijn detentieperiode, gaat hij voldoende weerbaarheid hebben om aan deze situaties correct en professioneel het hoofd te kunnen bieden. Gemaakte afspraken 1) Wanneer collega’s [R] op de man af naar zijn verleden vragen, zal [R] hier niet over liegen. Hij hoeft niet in detail te gaan maar het is ook beter voor het vertrouwen dat hij het niet ontkent. Er is veel informatie vrij op het internet te vinden, met naam en toenaam, dus die zaken ontkennen zal alleen maar meer wantrouwen kweken bij collega’s. 2) Wanneer collega’s verder doorvragen over de manier waarop hij met zulke bagage toch is kunnen beginnen als PBA, zal [R] de collega’s doorverwijzen naar [AJ] of [KB] – zij zullen dan in naam van EPI spreken, het is niet aan [R] om te verantwoorden waarom EPI hem aangeworven heeft. 3) Wanneer [R] gedetineerden herkent van zijn verleden, komt hij dit steeds met naam en toenaam melden zodat we hier zoals voorgeschreven correct schriftelijk nota van kunnen nemen. 4) Net zoals van alle andere stagiairs verwachten we van [R] ook dat hij alle regels en afspraken nakomt, en zijn job professioneel en correct uitvoert. Hij krijgt een eerlijke kans zoals iedereen om zich te bewijzen. Wanneer hij langs zijn kant vindt dat hij die eerlijke kans niet krijgt, kan hij ons dat komen melden. We zullen hem langs onze kant ook evalueren op zijn doen en laten, net zoals bij alle stagiairs gebeurt.” 3.
- Met een brief van 21 augustus 2020 wordt verzoeker door de verwerende partij uitgenodigd voor een verhoor in het kader van een onregelmatige benoeming op basis van artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘betreffende het statuut van het rijkspersoneel’ (hierna: het statuut van het rijkspersoneel). ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-5/36 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-6/36 Deze brief vermeldt: “U wordt verhoord omdat uw benoeming onregelmatig bevonden wordt op basis van artikel 16, § 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het Statuut van het Rijkspersoneel. Hierin staat dat het gedrag van de kandidaat moet overeenstemmen met de vereisten van de beoogde betrekking. U werd veroordeeld voor feiten die verband hielden met uw functie van politieagent. Dit is zeer relevante informatie aangezien politieagent en PBA [beide] een veiligheidsfunctie inhouden. Hoewel u eerherstel ontvangen heeft en nu dus een blanco strafregister heeft, is dit nog steeds belangrijke informatie om mee te delen. U heeft echter bewust uw werkervaring bij de politie weggelaten op uw CV en op het sollicitatiegesprek ook bewust hierover gezwegen, wetende dat dit een invloed zou hebben op uw sollicitatie.” 3.
- Op 25 augustus 2020 ontzegt de directeur-generaal van het DG EPI verzoeker de toegang tot de inrichting van Antwerpen en tot het OCPP Brugge-Merksplas op basis van artikel 32 van de wet van 23 maart 2019 ‘betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel’. De beslissing herhaalt de sub 3.7 geciteerde passage uit de brief van 21 augustus 2020 in verband met de vastgestelde feiten en oordeelt dat, gelet op deze feiten, de aanwezigheid van verzoeker de orde en de veiligheid van de inrichting in gedrang brengt. 3.
- Op 3 september 2020 wordt verzoeker verhoord in het kader van een onregelmatige benoeming op basis van artikel 112, § 3, 1°, van het statuut van het rijkspersoneel. Bij dit verhoor zijn aanwezig de adviseur van de gevangenisdirecteur AJ, de technisch deskundige bewaking KB, de administratief deskundige KP, verzoeker en zijn advocate. In het proces-verbaal van verhoor staat het volgende te lezen: “Betrokkene wordt in kennis gesteld van het feit dat dit verhoor plaatsvindt in het kader van een onregelmatige benoeming op basis van artikel 112 § 3, 1° van het Statuut van hel Rijkspersoneel (KB 2 oktober 1937) waarbij een ambtshalve ontslag zonder vooropzeg kan worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-7/36 opgelegd. De feiten kort samengevat: Er werd vastgesteld dat u veroordeeld werd voor feiten die verband hielden met uw vroegere functie van politieagent. Dit is zeer relevante informatie voor de uitoefening van een veiligheidsfunctie. Hoewel u eerherstel heeft ontvangen en bijgevolg een blanco strafregister geniet, is dit nog steeds belangrijke informatie die u bewust heeft weggelaten op uw CV ingediend via Selor en tijdens het sollicitatiegesprek, wetende dat dit van invloed zou zijn op de sollicitatie en op de selectieprocedure. Dit was echter noodzakelijke informatie die op geen enkele andere manier had kunnen vernomen worden gezien uw blanco strafregister. Deze feiten zijn ter kennis gekomen van de directie op 13 juli
- AJ: Het gesprek zal vandaag over 2 zaken gaan. Het tweede deel is meer een formaliteit en hou ik als laatste. Om te beginnen gaan we het hebben over het feit dat er wat commotie ontstaan is over de indiensttreding van [verzoeker], waarbij op eerder ongelukkige wijze aan het licht is gekomen dat hij in het verleden strafrechtelijke feiten heeft gepleegd, daarvoor veroordeeld werd en in de gevangenis heeft gezeten. N.a.v. de commotie die daar onder de collega’s over ontstaan is en in alle eerlijkheid ook bij ons – niet zozeer in de zin dat we daar een probleem mee hadden maar eerder dat we dat dus niet wisten, waardoor voor ons alles pas uitgekomen is door herkenning van iemand die u nog in een ander statuut gezien heeft – hebben we dit dossier opnieuw bekeken en hebben we de selectieprocedure opnieuw onder de loep genomen. We hebben vastgesteld, wat betreft de hele concrete selectieprocedure voor de functie van pba zijnde het mondelinge examen, bespreken van het cv, werkervaring en motivatie en dergelijke meer, dat er noch in het mondelinge gesprek noch in de documenten die [verzoeker] heeft afgegeven, een melding werd gemaakt van zijn periode als politieagent noch van zijn periode als gedetineerde in de gevangenis, hetgeen ondertussen – in het licht van de gebeurtenissen afgelopen weken – toch minstens een formeler gesprek behoeft. We hebben er wel al informeel een paar keer met elkaar over gesproken maar aangezien er toch een aantal zaken lijken in te druisen tegen het statuut van het Rijkspersoneel en hoe een benoeming zou moeten verlopen, willen we daar vandaag formeel over spreken. Goed, ik heb de documenten bij, zowel het cv als de papieren die je moet invullen bij indiensttreding waarbij ook gevraagd wordt naar je werkverleden. Daar heb je nergens gesproken over je ervaring als politieagent noch over de periode in de gevangenis. Dat is eigenlijk onze belangrijkste vraag: goed wetende dat deze info heel belangrijk is, daar niks over zeggen, daar niks over schrijven, daar willen we toch wel meer uitleg over .... ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-8/36 [Verzoeker]: ik weet dat dit heel belangrijke info is. Daarom kan ik u zeggen dat ik voor mijn indiensttreding daarover gecommuniceerd heb met uw diensten. AJ: Kan je heel concreet zeggen welke dienst dit was? Was dit dan Selor? [Verzoeker]: Ik heb mijn vraag gericht aan het mailadres dat ik terug vond op de website van Selor. Maar het is de dienst P&O van de FOD Justitie die heeft geantwoord. Ik heb hier een klein overzichtje. Een eerste mail dateert van 2/8/2018 en we eindigen op 13/11/
- Ergens onderweg krijg ik een antwoord waarin men zegt: u kan deelnemen. Ik neem daar geen genoegen mee. Ik preciseer die vraag om echt zeker te zijn dat ik geen dingen doe waardoor ik in situaties als deze zou terechtkomen. Men benadrukt dan dat een blanco strafregister hebben en verder geen hangende zaken meer hebben, maakt dat ik kan deelnemen aan het examen. AJ: Dat zegt Selor? [Verzoeker]: Ik stuur dat via het adres dat ik vind bij Selor, maar als ik zie wie er antwoordt, is dat P&O van Justitie. Advocate: Die mails komen van de stafdienst P&O, klopt. Ik zal u de mails doorgeven, aub. [Verzoeker]: Ik was blij met dat antwoord. Ik wou dat echt wel graag doen. Ik denk dat mijn motivatie werd aangetoond door het geduld dat ik heb gehad. Daar is toch op geen enkel moment ergens een zweem te bekennen van een man die bewust iets wil achterhouden want ik preciseer het zelfs nog. De volgende stap is dan Selor en solliciteren. Op de website heb ik gezien dat er staat dat er geen ervaring vereist is en dat motivatie dubbel telt in de punten. Voor mij was dat dus duidelijk en kwam ik perfect in aanmerking om te mogen meedoen. Dus, in het verdere verloop van de procedure, heb ik bewust gekozen om enkel mijn laatste werkgever in te vullen. Bij een ernstige selectiedienst zou zoiets opvallen. Want, dan zegt die: hoe kan het nu dat een 43-jarige man maar 1 werkgever heeft gehad? Ook daar, als ik onder de radar wil blijven, dan zet ik er meerdere werkgevers op, hetgeen ook niet gelogen is. De andere had ik er ook kunnen opzetten. Dus, daar laat ik bewust niet alleen de politie weg maar ik laat alles weg. En ik denk: oké, geen ervaring vereist. Als er dan vragen zijn, ongetwijfeld, zullen ze dat dan wel vragen. Ik heb ook geen vrees, want ik ben ook open geweest, dus waarom zou ik. Dus, ik vul daar 1 werkgever in. Maar er komen geen vragen en ik denk dan: ze zullen het wel weten, maar het verder niet belangrijk vinden. Dan dat 2de puntje dat ik op site zie: motivatie. Als je in 2018 begint met mailen en in 2019 pas een antwoord krijgt en al die tijd tussenin geduldig wacht en af en toe eens vraagt naar de stand van zaken, dan ben je toch gemotiveerd? Ik doe uiteindelijk mee aan de testen: 1ste test in het Selorgebouw en de 2de test in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-9/36 de gevangenis van Antwerpen. Daar wordt met geen woord gerept over mijn verleden. Ik denk dan: die mensen weten dat. Ik bedoel: ik moet toch enorm opgevallen zijn bij de stafdienst, ook bij de directie. Ik kan toch niet onder de radar blijven. Ik vond het niet aan mij om daar tijdens dat gesprek opnieuw de aandacht op te vestigen. Ik kom per slot van rekening op dat ogenblik om mijn bekwaamheid aan te tonen. Ik denk trouwens dat dat aardig gelukt is want ik ben nr. 1 geëindigd op de ranking. Verder kan ik dan zeggen: ik ben gestart en heb ter goeder trouw gehandeld. Dat werkt in 2 richtingen. Ik ben ook ter goeder trouw geweest en heb er ook mijn tijd ingestoken na fiat van uw diensten. Dan komen we in de gevangenis van Brugge en ook daar wordt er geen woord over gerept. Ik loop daar gewoon rond. Ik ben niet staatsgevaarlijk en niet gevaarlijk voor EPI. En dan de eerste dag in Antwerpen, na het onthaal dat er is geweest. is er 's namiddags het feit dat ik geroepen wordt bij de directie, (…), en daar was een PA bij, (…) , en ja, daar zijn ze in shock. Daar kan ik alleen maar van zeggen: dat is uw probleem. Ik bedoel: ik begrijp dat ze overweldigd werden door de info en even niet wisten wat doen dus ik heb dan constructief zelf gezegd van: laat me dan maar naar huis gaan en doe de nodige telefoons. Drie uur later krijg ik het bericht dat het voor het Hoofdbestuur in orde is. Ik was daar ook vrij zeker van. Ik had die mails om aan te tonen dat ik correct had gehandeld. Ik kom dus terug werken, ik ben blij en vol goeie moed. En een kleine twee weken later, op een zaterdagmorgen, is er daar dan opnieuw ophef. Ze willen plots niet meer met mij werken. Ik word ook gevraagd om bij de adjudanten te komen, dat was toen [PV] en een vrouw ... [DR] denk ik. Die zeggen mij: niemand wil met u werken. Ja, ik snap dat nu ook wel dat een organisatie dan moet verder draaien. Ze zeggen: ga naar huis want de gevangenis moet verder werken. Ik heb daar begrip voor getoond, ik vond al dat het lang duurde vooraleer de opening werd georganiseerd, dus ik was akkoord om naar huis te gaan en rustig af te wachten. Dat heb ik al die tijd gedaan, en nu zitten we hier. AJ: Klopt, zo is het gegaan. Maar, los van het feit dat je voor de testen begonnen bent je verleden wat geschetst hebt en fiat gekregen hebt om mee te doen aan de examens, als het dan gaat over het mondeling gesprek en het peilen naar uw motivatie, is toch de eerste vraag die in ons opkomt: wat motiveert u om deze job te willen doen, want je weet dat dat tot een confrontatie gaat leiden met je verleden. Wat maakt dat je zegt: Ik heb dat er allemaal voor over? Dat is natuurlijk volgens mij een zeer belangrijke vraag. Zoals je zelf zegt, motivatie weegt sterk door als 1 van de criteria waarop men beoordeeld wordt. Ik vind dat, omwille van het feit dat de jury niet op de hoogte was van je verleden bij de politie en in de gevangenis omdat het niet op je CV vermeld stond, dat men dus niet de kans heeft gehad om u te vragen wat u motiveert als ex-politieagent en ex- gedetineerde om nu de job van PBA te willen uitvoeren. Dat is een absolute cruciale vraag die niet is kunnen gesteld geworden tijdens dat gesprek, omdat uw CV er geen melding van maakte. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-10/36 [Verzoeker]: Wat kan ik daar van zeggen ... Ik kan alleen maar zeggen en herhalen dat ik gekozen heb voor 1 werkgever op te geven en dat ervaring niet vereist was. Het is niet aan mij om te waken over de kwaliteit van een sollicitatiegesprek. U kan de tekortkomingen die op dat moment daar zijn, niet aan mij toeschrijven, denk ik dan in alle eerlijkheid. AJ: Maar u vindt niet dat u zelf dat onderwerp had moeten aansnijden? Advocate: Meneer heeft op voorhand de moeite gedaan om dat expliciet te melden. Hij heeft de bevestiging gekregen dat dat oké was en hij kon deelnemen. Ik denk dat hij er dan rechtmatig mocht van uitgaan dat dat niet perse een must was om dat nog zelf op te werpen. Omdat er inderdaad met die bepaalde diensten gecommuniceerd is en om dat je dan wel kan verwachten dat die info ook doorgaat. Als men dergelijke mondelinge gesprekken organiseert, men stelt vragen bij de sollicitatie, had men bij de certificaten en diploma's die hij had behaald, ook wel bepaalde zaken kunnen opmerken en zelf ook opmerken dat er maar 1 werkgever stond en had men zelf de link kunnen leggen om daar misschien ook vragen over te stellen. Ik denk dat de verantwoordelijkheid niet geheel bij meneer kan gelegd worden. Hij heeft de moeite gedaan op voorhand en niet zomaar 1 mailtje gestuurd, Hij heeft meerdere mails gestuurd over de periode van 1 jaar omdat hij de zekerheid wou van : Ik kan hier deelnamen en dat kan hier goed uitdraaien voor mij want anders start ik er gewoon niet mee. Had hij dit op voorhand geweten, dan had hij dit waarschijnlijk niet gedaan. AJ: Maar goed ja, die redenering kan je natuurlijk ook omdraaien. Je kan zeggen : de selectiejury had het moeten weten, maar je kan ook zeggen: de kandidaat had het moeten vertellen of noteren. Je wéét namelijk dat het een gevoelige kwestie is want anders ga je die mails op voorhand allemaal niet sturen, dan doe je gewoon mee met je blanco strafblad. Maar goed, je voelt aan: dit moet ik toch even voorleggen, hier moet ik toch even extra bevestiging voor vragen, dus daaruit blijkt toch dat je beseft dat het geen alledaagse kwestie is. In dat opzicht kan je dus jouw redenering ook omdraaien en zeggen: als je aanvoelt dat het belangrijk is, dat het iets is dat extra aandacht verdient, waarom vermeld je dat niet in je CV of andere papieren die je invult? Waarom zwijg je daarover tijdens een gesprek ? Net zoals jij dan zegt: de selectiejury had er naar moeten vragen, kunnen wij toch ook zeggen: jij had het moeten vertellen ? Advocate: Absoluut, maar het is wel net die cruciale informatie die hij wel zelf heeft meegedeeld aan de bevoegde instanties en dat is effectief wel bij de FOD Justitie terechtgekomen. Meneer mag er dan echt wel op vertrouwen dat dit wordt doorgegeven. Op zo'n sollicitatie is het de bedoeling om het beste van jezelf te geven en als je zo'n dingen dan extra gaat vermelden, is dat misschien toch ook niet de beste zet op zo'n moment. Dus, ik kan de redenering van meneer daarin wel volgen. Het is absoluut niet zo dat hij dat bewust verzwegen heeft of wou achterhouden. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-11/36 Dat heeft hij ten allen tijde willen vermijden. Oké, je kan dit zeggen dat hij het misschien zelf had kunnen aanhalen maar oké dat heeft hij nu niet gedaan, we kunnen de tijd niet terug draaien, maar hij heeft echt wel moeite gedaan, dat is zeer duidelijk, om iedereen correct te informeren. [Verzoeker]: Mag ik daar ook nog iets aan toevoegen? Ik ben in mijn eer hersteld. Ik zit daar aan tafel en daar zit iemand van Selor en ik heb ook nog een zekere privé. Ik denk dat ik open genoeg ben geweest. Ik ben in eer hersteld. Ik denk dat je dat ook wel mag respecteren en niet van mij mag verwachten dat ik zomaar aan gelijk welke tafel ga opwerpen : hou er rekening mee dat... Ik heb ter goeder trouw gehandeld, meer kan ik daar niet over zeggen, ik heb niets verzwegen met kwade bedoelingen. Advocate: Meneer heeft op dat vlak ook de nodige verantwoordelijkheid willen nemen door dat net te melden en hij heeft de nodige stappen gezet. Eerherstel krijg je niet zomaar, daar wordt over beslist door 3 magistraten. Dat is een hele procedure. Daarop vertrouwende dat daar deftig is naar gekeken en de info gekend zou zijn, vond hij het niet opportuun om het zelf nogmaals op te werpen. AJ: Ja, enerzijds is er een blanco strafregister, dat is aanwezig. Maar anderzijds is er nog een deontologische code en geschiktheid voor het beroep. Dat is bij de politie en andere veiligheidsdiensten ook zo. lk geef nu een voorbeeld van de Staatsveiligheid. Daar kan je perfect een blanco strafregister voorleggen maar daar worden ook je verleden, je entourage, je houding, je morele waarden gecontroleerd. Zit daar een kink in de kabel, dan krijg je alsnog de job niet. Dat is bij ons ook zo. Vandaag weten we wel wat we toen niet wisten. Want ik lees in je eerste mail dat je schrijft : ik heb een blanco strafregister maar ben ooit veroordeeld en opgesloten geweest. Wat daar niet bijstaat is dat minstens een deel van de feiten zich hebben voorgedaan tijdens de uitoefening van uw job als politieagent. Dat is een bewakings- en beveiligingsfunctie. Dit had minstens doorsproken moeten worden. Je hebt ooit in de bewaking/beveiliging gewerkt en daar is het misgegaan. Je vraagt opnieuw een bewakings/beveiligingsfunctie. Wat maakt dat wij er kunnen van uitgaan dat het niet opnieuw zal misgaan? Dat is een onderwerp dat minstens had moeten kunnen besproken worden voor de aanwerving, en daar hebben we het niet over kunnen hebben, volgens ons omwille van het feit dat er onvoldoende openheid aan de dag werd gelegd tijdens de selectieprocedure. Advocate: Absoluut, dat gesprek is er niet geweest, dat is niet besproken geworden. Ik kan langs jullie zijde jullie bezorgdheid echt begrijpen. Meneer is hier ook vandaag, hij is zeer meewerkend en transparant en wil geen dingen bewust verzwijgen. Hij wil er alsnog in gesprek over gaan en wil er zeer open over zijn. De feiten dateren van een hele tijd terug. Oké, dat had besproken moeten worden maar hij heeft dit niet met kwaad opzet achtergehouden of niet met die bedoelingen. Moesten er op dat gesprek ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-12/36 wel vragen over gesteld zijn, dan had hij die met plezier heel open en eerlijk beantwoord. Ook tijdens het verdere verloop van zijn opleiding en zijn stage zijn nooit moeilijkheden gebleken. Hij is als 1ste op de lijst uit de bus gekomen en dat geeft aan dat hij er ongelooflijk zijn best voor heeft gedaan Dat hij zich zeer goed gedragen heeft en dat er geen vragen konden worden bij gesteld. AJ: Oké, dan misschien nog een laatste vraag. Dus wetende wat we vandaag weten, hoe zie jij de toekomst? Ik ken je natuurlijk niet zo goed, maar heb toch beetje mensenkennis. Een harde bolster zal je waarschijnlijk wel zijn, veel mensen zouden in een situatie als deze de handdoek in de ring gooien. Het siert u dat je ervoor wilt gaan en u niet zomaar gewonnen geeft. Anderzijds moet de werkplaats een plaats zijn waar je je goed voelt en waar je, zeker in een beveiligingsfunctie, op collega's moet kunnen rekenen, waar je een zekere gemoedsrust moet hebben. Uw werk mag niet elke dag een strijdtoneel zijn, daar heeft toch niemand zin in? Ik vraag me dus af: hoe zie jij je toekomst in onze organisatie? Wetende dat alle info over jou in de krant gestaan heeft, dat jouw collega's op die manier gereageerd hebben toen die info uitkwam. Hoe zie je dat vanaf hier nog goedkomen ? [Verzoeker] : Het zal er wat van afhangen wat u met mij van plan bent, waar u mij zet of ontslaat. Dat zal er wat vanaf afhangen. Als ik terug naar het bewakingskader mag gaan, kan ik alleen maar hopen dat er daar begrip is en het zou zeer mooi kunnen zijn moesten de mensen die in eerste instantie zo gereageerd hebben, alles wat hebben laten rusten en zeggen: oké, iedereen verdient wel een tweede kans. Ten tweede zitten ze toch allemaal in een functie waar men moet streven naar re-integratie, daar moet je achter staan, er is een waardencharter met termen als rechtvaardigheid, menselijkheid. Het zou heel mooi zijn moesten er door gesprekken bv. door het hoofd van de bewaking, de vakbond of directie, moesten die mensen die zo gereageerd hebben, toch een andere visie ontwikkelen. Dat zou tof zijn. Dat zal niet bij iedereen lukken. Maar buiten dat ze mij eventueel zouden beginnen pesten, denk ik dat ik wel bestand ben tegen iets. Ik ben ervan overtuigd dat er zijn die zeggen: die heeft 16 jaar geleden iets gedaan, die verdient wel een tweede kans. Dus in zijn geheel hoop ik dat er begrip is als het bewakingskader wordt. En moest het een andere positie worden: als ik in een team maatschappelijk werkers kom of criminologen, dan zouden die dat met een ander referentiekader bekijken, die reacties zouden anders zijn, daar ben ik zeker van. Tja, die problematiek dan, ik kan niet beslissen, het is aan de werkgever. Ik wacht en ik hoop dat er iets moois uitkomt. De stress, die zal er zeker zijn. Ik zal me niet perse op mijn gemak voelen. Ik wil gerust alle vragen beantwoorden, een vragenrondje organiseren. Dat diegene die bezorgd zijn, hun vragen komen stellen. Ik moet dat eigenlijk niet, maar ik wil dit wel doen, tot op zekere hoogte. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-13/36 Advocate: Meneer is nog altijd zeer gemotiveerd. Dat blijkt zeer duidelijk uit zijn uiteenzetting. Hij beseft dat hij iets met zich meedraagt. Hij wil daar ook aan tegemoetkomen, hij heeft met niemand een probleem, of met die omgeving. Hij is 100 % gemotiveerd om er opnieuw in te stappen en om samen te kunnen werken met al die mensen. Hij is daar zeker toe bereid. Ik denk dat het een optie zou kunnen zijn om het op die manier te kunnen benaderen. [Verzoeker]: Ik wil nog iets toevoegen. Als men feiten pleegt en men wordt in verdenking gesteld en men moet voorkomen en dat duurt 3 à 4 jaar of 5 jaar, dan zeg de rechtbank soms: het maatschappelijk belang is nu na al die tijd minder, het is al zo lang geleden, we gaan een voorwaardelijke straf geven of een kleinere straf. Nu, ik ben 16 jaar geleden veroordeeld. Wat is het belang dan nog ? KB: Ik heb eigenlijk maar 1 bedenking en ook wel een vraag. In uw betoog hoor ik een soort dualiteit waarin u spreekt over het vertrouwen dat u wilt geven aan het personeel aanwezig op de werkvloer, de kansen die je wil geven, je wil vergeven, je wil kansen teruggeven aan de mensen die negatief naar u zouden gereageerd hebben. U spreekt over vertrouwen maar anderzijds blijkt dan dat u zelf niet volledig open was tijdens het interview wanneer er gepeild wordt naar uw motivatie? U bent nu eerlijk, dat klopt, maar u was niet volledig in de info die u gaf. Dat is toch net essentieel voor te kunnen peilen of u geschikt bent voor de job. U toont op geen enkel moment bv. referenties naar uw vroeger werk dat toch in de bewaking zat. Er is geen referentie naar je werkverleden, u verwijst daar niet naar. Dat is toch zeer bevreemdend. Net omdat je zelf zegt dat je vertrouwen vraagt en wil geven, dan moet je toch open zijn over alle aspecten van je verleden. Dan zegt u dat u bewust heeft gekozen om maar een deel te tonen van wie je bent. Advocate: Op dat moment moest dat andere deel niet noodzakelijk belicht worden. Meneer ging ervan uit dat dit geweten was. Het is jammerlijk dat dit zo verlopen is en het is gebeurd maar we kunnen het niet terugdraaien. Maar dat is wel hoe hij dat effectief op dat moment heeft gepercipieerd en aangepakt heeft. AJ: De STAR-methode die tijdens de mondelinge selectieprocedures wordt toegepast, bestaat erin dat mensen niet hypothetisch vragen moeten beantwoorden maar effectief reële voorbeelden moeten geven uit de praktijk en voorbeelden uit hun vorig werkverleden. Er wordt gepeild naar capaciteiten en er wordt gevraagd naar bv. kan je een voorbeeld geven hoe je iets in team hebt moeten aanpakken, hoe je absolute discretie moest aan de dag leggen aan de hand van concrete voorbeelden uit de praktijk, ... Ook in die voorbeelden heb je niet naar de periode als politieagent verwezen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-14/36 [Verzoeker]: Ik denk dat een recent verleden interessanter is. Ik denk dat ik nog perfect weet welke voorbeelden ik gegeven heb. Ik ben ook zorgkundige en ben in contact gekomen met mensen in de psychiatrie. Ik heb daar een interventie gedaan die uit de hand aan het lopen was op de gang. Dat was een man die eigenlijk aan het doorflippen was en waar ze allemaal bang van hadden. Ik heb de situatie aangepakt. En dat andere, over discretie, ik heb bij mijn laatste werkgever als vertrouwenspersoon gewerkt. Ik was preventieadviseur niveau
- Ik heb daar psychosociale risicoanalyse gedaan. Anoniem. Nooit iets uitgelekt. Ik had naar de politie kunnen verwijzen, dat is een appreciatie, ik had dit kunnen doen. Ook naar de bewaking had ik kunnen verwijzen van in mijn verleden als 18- jarige. Maar men kiest, het is een momentopname. Je zit in een drive. Ik zit niet meer te denken aan mijn CV bij Selor, dat is een invuloefening. Dat is echt niet bewust. Dus, ik heb dat echt anders gezien. Ik heb dat gezien als motivatie is het belangrijkste. En, een panel van 3 of 4 met een spervuur van vragen. Als er vragen komen, dan komen ze. Ze weten het. Als dat een antwoord kan zijn op uw vraag. KB: Tja, niet echt, omdat ik er nog altijd van overtuigd ben dat een vertrouwensband begint met volledige openheid en eerlijkheid. [Verzoeker]: Die is er geweest. Ik kan dat niet anders zeggen. AJ: Oké, dat in verband met luik
- Tenzij er nog iemand iets extra wil aan toevoegen.(eventjes stilte) Oké, dit voor luik
- De directie verklaart dat betrokkene een kopie van het proces-verbaal van dit verhoor zal ontvangen en informeert hem dat hij over een termijn beschikt van 10 kalenderdagen vanaf de ontvangst van hel proces-verbaal om zijn eventuele opmerkingen over te maken.” 3.
- Op 1 oktober 2020 neemt de voorzitter van het directiecomité de volgende beslissing: “Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, meer bepaald artikel 16,2° en artikel 112, §3, 1°; Gelet op het Besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie van 9 mei 2018 houdende overdracht van bevoegdheid en van handtekening inzake personeel voor de centrale diensten, de Veiligheid van de Staat en de buitendiensten van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen; Gelet op het besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van 1 juli 2020 waarbij de heer [RB] vanaf 1 juli 2020 wordt toegelaten tot de stage in de hoedanigheid van penitentiair bewakingsassistent bij het Directoraat-generaal EPI Penitentiaire Inrichtingen (gevangenis van Antwerpen) van de Federale Overheidsdienst Justitie; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-15/36 Gelet op de beslissing van de Directeur-generaal EPI waarbij betrokkene de toegang tot de inrichting ontzegd wordt vanaf 25 augustus 2020; Gelet op de uitnodigingsbrief dd. 20 augustus 2020 waarbij de heer [RB] wordt uitgenodigd voor een verhoor op 3 september 2020 teneinde hem toe te laten zijn verweermiddelen te doen gelden aangaande het verzwijgen van zijn vroegere veroordeling, hetgeen mogelijks als een geval van arglist of bedrog in de zin van artikel 112, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het Statuut van de Rijksambtenaren kan worden beschouwd en bijgevolg aanleiding kan geven tot het ambtshalve en zonder vooropzeg verliezen van de hoedanigheid van ambtenaar; Gelet op het proces verbaal van verhoor dd. 3 september 2020, afgenomen van de heer [RB] door de directie van de gevangenis van Antwerpen in het kader van een ontslag op basis van artikel 112 § 3, 1° van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; Gelet op de bevestiging van ontvangst van het proces-verbaal van het verhoor op 22 september 2020; Overwegende dat de heer [RB] tijdens het verhoor van 3 september 2020 zijn verweermiddelen heeft kunnen doen gelden; Overwegende dat uit de notulen van het verhoor van 3 september 2020 ressorteert dat betrokkene vroeger strafrechtelijk veroordeeld is voor feiten die verband hielden met zijn functie van politieagent en dat hij hiervoor eerherstel heeft gekregen en nu een blanco strafblad heeft; Overwegende dat betrokkene zowel op zijn CV als op het sollicitatiegesprek niets vermeld heeft over zijn werkervaring bij de politie en zijn strafrechtelijke veroordeling; Overwegende dat politieagent en penitentiair bewakingsassistent beiden een veiligheidsfunctie betreffen en dat deze werkervaring nochtans in aanmerking kwam; Overwegende dat betrokkene zijn vroegere strafrechtelijke veroordeling bewust heeft verzwegen; Overwegende dat het niet onredelijk is te overwegen dat een strafrechtelijke veroordeling die bovendien verband hield met zijn vroegere functie als politieagent in het kader van een selectie voor de functie van penitentiair bewakingsassistent essentiële informatie betreft; Overwegende dat betrokkene redelijkerwijze kon voorspellen dat een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-16/36 strafrechtelijke veroordeling een invloed kon hebben op zijn toelating tot de stage en op de daaruit vloeiende mogelijke benoeming als federaal ambtenaar en het aldus essentiële informatie betreft; Overwegende dat er dan ook sprake is van bedrog, of minstens arglist, in hoofde van betrokkene door het bewust verzwijgen van zijn veroordeling; Overwegende artikel 112 § 3, 1° van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel dat stelt dat de ambtenaar van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest; Overwegende dat overeenkomstig artikel 112 § 4 van het bovenvermeld koninklijk besluit artikel 112, § 3, 1° ook van toepassing is op stagiairs; Overwegende dat deze termijn niet geldig is in geval van arglist of bedrog vanwege de ambtenaar; Overwegende dat de onregelmatigheid van toelating tot de stage van betrokkene bijgevolg nog mag worden vastgesteld buiten de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; Overwegende artikel 16, 2° van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel dat stelt dat niemand tot Rijksambtenaar kan worden benoemd indien hij niet voldoet aan de algemene toelaatbaarheidsvereiste dat zijn gedrag moet overeenstemmen met de vereisten van de beoogde betrekking; dat deze toelaatbaarheidsvereiste bovendien uitdrukkelijk werd opgenomen in het selectiereglement voor de selectie van penitentiair bewakingsassistenten; Overwegende dat een strafrechtelijke veroordeling een indicatie kan zijn dat men niet voldoet aan deze toelaatbaarheidsvereiste; Overwegende dat het bewust verzwijgen van een strafrechtelijke veroordeling getuigt van een gedrag dat onverenigbaar is met het bekleden van een functie binnen het federaal ambt, welke een hoge graad van moraliteit vereist in hoofde van diegene die ze bekleedt en waarbij waarden zoals oprechtheid en betrouwbaarheid zeer belangrijk zijn; Overwegende dat de toelating tot de stage van de heer [RB] in de hoedanigheid van penitentiair bewakingsassistent dan ook onregelmatig is; Overwegende dat er dan ook moet worden vastgesteld dat hij de hoedanigheid van ambtenaar ambtshalve en zonder vooropzeg verliest; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-17/36 BESLUIT: Enig artikel: De heer (…), geboren op (…), stagedoende penitentiair bewakingsassistent bij de gevangenis te Antwerpen, verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar.” Dat is de bestreden beslissing. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-18/36 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 16, § 1, 2°, 17bis en 112, § 3, 1°, van het statuut van het Rijkspersoneel, de artikelen 1 tot 4 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat hij geenszins bewust zijn strafrechtelijke veroordeling heeft verzwegen. Hij wijst erop herstel in eer en rechten te genieten waardoor hij over een blanco strafregister beschikt. Herstel in eer en rechten beoogt een volledige reclassering van een veroordeelde. Er wordt een einde gemaakt aan de negatieve gevolgen die voortvloeien uit de vermelding van de veroordeling in het strafregister. De bestreden beslissing schendt dan ook de ratio legis van het herstel in eer en rechten en ze miskent het gezag van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij de aanvraag tot herstel in eer en rechten werd ingewilligd. Voorts wijst verzoeker erop dat het aan Selor toeviel om tijdens de wervingsgesprekken alle nuttige informatie te verkrijgen en een voldoende grondig onderzoek te voeren naar het verleden van de kandidaten, minstens de expliciete vraag voor te leggen naar zulk een verleden, hetgeen niet is gebeurd. Gelet op het herstel in eer en rechten kon men van verzoeker niet verwachten zonder meer zijn strafrechtelijk verleden ongevraagd voor te leggen. Verzoeker stelt dat hij nooit oneerlijk is geweest over zijn verleden en dat hij zich alert, nauwkeurig en niet nalatig gedroeg wat betreft het verifiëren van mogelijke obstakels bij de wervingsprocedure. Verzoeker stelt dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-19/36 het hem niet verweten kan worden dat hij enige informatie bewust verzweeg voor Selor gezien hij trachtte contact met hen op te nemen teneinde zijn vraag betreffende zijn strafrechtelijk verleden beantwoord te zien. Hij heeft immers die vraag en het hiermee eventueel gepaard gaande probleem in de navolgende screening gericht aan het opgegeven e-mailadres op de site van Selor. Hij besluit dat niet hij is tekortgekomen doch wel Selor dan wel de FOD Justitie. Zelf heeft hij volledig transparant gehandeld. Tot slot stelt hij dat in de bestreden beslissing op geen enkele wijze afdoende wordt gemotiveerd waarom ze gerechtvaardigd is. Nergens wordt gestaafd dat er sprake is van bedrog of arglist. 5.
- De verwerende partij werpt op dat het eerste middel onontvankelijk is in de mate dat verzoeker zich beroept op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in hoofde van Selor. Selor ressorteert onder de FOD Beleid en Ondersteuning en is niet betrokken in het geding. De FOD Justitie die wel partij is in het geding, kan verzoeker niet aanspreken omwille van een beweerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel tijdens de screening van kandidaten. Deze screening gebeurde door Selor, die los van de FOD Justitie opereert, zodat de screening niet toerekenbaar is aan de FOD Justitie. 5.
- Ten aanzien van de gegrondheid van het eerste middel betoogt de verwerende partij dat uit het verhoor van verzoeker blijkt dat hij essentiële informatie heeft achtergehouden die Selor niet uit zijn blanco strafregister en evenmin uit zijn algemene mededeling aan de stafdienst P&O DG EPI in augustus 2018 kon afleiden. Noch in de mondelinge gesprekken, noch in de documentatie in het kader van de screening bij Selor werd over deze informatie gesproken door verzoeker. Volgens de verwerende partij was verzoeker zich ervan bewust dat het essentiële informatie betreft. Dit blijkt ook uit het feit dat hij hieromtrent op voorhand heeft gepolst. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-20/36 Het feit dat de stafdienst P&O aangegeven heeft dat men kan deelnemen aan de screening als men een blanco strafregister kan voorleggen, vormt geen vrijgeleide om essentiële informatie met betrekking tot de functie achter te houden. Een mededeling in het kader van een algemene vraag ter informatie staat niet gelijk aan het meedelen van concrete informatie in het kader van een specifieke vacature of screening. Door er in het kader van zijn selectie niet de aandacht op te vestigen, kon bij de screening niet concreet worden gepolst naar de beweegredenen als ex-politieagent en ex-gedetineerde. 5.3.
- Met betrekking tot de materiëlemotiveringsplicht en de schending van de artikelen 16, 2°, 17bis en 112, § 3, 1°, van het statuut van het Rijkspersoneel merkt de verwerende partij op dat op grond van deze bepalingen slechts kan worden besloten tot het ambtshalve en zonder vooropzeg verlies van de hoedanigheid van ambtenaar, indien is voldaan aan twee voorwaarden. 5.3.
- Wat de eerste voorwaarde betreft, inzake de onregelmatigheid van de toelating tot de stage, wordt in de motivering van de bestreden beslissing, overeenkomstig artikel 16, 2°, van het statuut van het Rijkspersoneel, overwogen dat niemand tot rijksambtenaar mag worden benoemd indien hij een gedrag vertoont dat niet in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. Deze toelaatbaarheidsvereiste is ruim geformuleerd zodat elke aanwijzing van een gedrag dat niet strookt met de vereisten van de beoogde betrekking aanleiding kan geven tot het niet vervuld zijn van deze voorwaarde, en tot de niet-benoeming van de betrokkene. Een strafrechtelijke veroordeling kan een indicatie vormen dat iemand niet beantwoordt aan de toelaatbaarheidsvereiste, zeker voor de functie van penitentiair bewakingsassistent. Inbreuken in verband met drugs, diefstal en afpersing getuigen van een gedrag dat onverenigbaar is met die functie, die als veiligheids- en voorbeeldfunctie een hoge graad van moraliteit vereist. In casu blijkt uit de bestreden beslissing dat de vroegere veroordeling in de hoedanigheid van politieagent redelijkerwijs een dergelijke indicatie kan uitmaken. Vooral het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-21/36 feit dat deze veroordeling (als essentiële informatie) bewust werd verzwegen, doet concluderen dat niet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarde van betrouwbaarheid en oprechtheid is voldaan. Door in de bestreden beslissing te oordelen dat een strafrechtelijke veroordeling, maar ook het bewust verzwijgen van deze veroordeling niet stroken met het gedrag dat van een penitentiair beambte wordt verwacht, heeft de Belgische Staat volgens de verwerende partij niet onredelijk gehandeld. Dat verzoeker eerherstel heeft gekregen, is volgens de verwerende partij niet relevant. Ondanks het feit dat hij een blanco strafregister heeft, ressorteert zijn eerdere veroordeling in de praktijk nog steeds effect. Dit is gebleken, waar er, bijna twintig jaar na zijn veroordeling, toch commotie op het werk is ontstaan. Dit is een element waar de Belgische Staat rekening mee moet houden. Zij staat immers in voor de goede orde en veiligheid in haar instellingen. Indien een vroegere veroordeling een impact kan hebben op personeel of gedetineerden, en hier een risico aan is verbonden, dient een werkgever hiermee rekening te (kunnen) houden. 5.3.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, is er naar het oordeel van de verwerende partij sprake van bedrog, of minstens arglist. Volgens de verwerende partij erkent verzoeker het bestaan van zijn strafrechtelijk verleden niet spontaan te hebben meegedeeld aan de Belgische Staat. Verzoeker wijt dit aan de Belgische Staat zelf die er hem in de wervingsprocedure bij Selor of voorafgaand aan de aanvang van zijn stage niets over heeft gevraagd. De kandidaat weet echter bij zijn deelname aan de selectie van penitentiair beambte aan de hand van de vacature en het selectiereglement wat de functie inhoudt (het gaat om een veiligheidsfunctie), welke competenties zijn vereist (waaronder integer en loyaal zijn) en welke voorwaarden moeten zijn vervuld om te worden aangesteld (op datum van indiensttreding een gedrag ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-22/36 vertonen in overeenstemming met de eisen van de beoogde betrekking). Uit deze elementen weet de kandidaat (of behoort hij althans te weten) dat een strafrechtelijke veroordeling een invloed kan hebben op de toelating tot de stage en zijn benoeming én het aldus essentiële informatie betreft. Er kan daarbij niet worden verwacht dat de selectiecommissie van Selor, noch de FOD Justitie in het kader van de indiensttreding, tussen de lijnen gaat lezen. Van dergelijke essentiële informatie kan redelijkerwijze verwacht worden dat de kandidaat deze uit eigen beweging meedeelt, zonder dat hij hieromtrent expliciet wordt bevraagd. De Belgische Staat heeft zijn stilzwijgen dan ook terecht beschouwd als een bewust en opzettelijk stilzwijgen. De verwerende partij verwijst naar arrest nr. 201.861 van de Raad van State en concludeert hieruit dat wanneer geen volledige informatie wordt gegeven over een gerechtelijk verleden en de informatie substantieel was voor de beoordeling van de toelatingsvereiste ‘een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking’ en voor de indiensttreding, een overheid terecht mag oordelen dat de aanstelling onregelmatig was en mag aannemen dat een dergelijke handelswijze leidt tot bedrog. De verwerende partij stelt dat verzoeker twee jaar voor aanvang van zijn stage heeft aangegeven aan de stafdienst P&O, cel Selectie en Loopbaan van het DG EPI dat hij was veroordeeld, in de gevangenis had gezeten en ondertussen eerherstel had gekregen, maar dat geen duiding werd gegeven over het hoe of wat van zijn veroordeling. Deze informatie werd niet bezorgd aan Selor. Dit blijkbaar omwille van het feit dat er slechts een contactadres van de FOD Justitie bij de vacature was vermeld, hoewel er steeds contactgegevens publiek beschikbaar zijn voor Selor. De verwerende partij heeft echter uitdrukkelijk in augustus 2018 vermeld dat men geen zicht had op de gepleegde feiten. Er wordt nergens melding gemaakt dat de stafdienst P&O zelf een onderzoek zou voeren – enkel het strafregister wordt geraadpleegd – zodat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-23/36 verzoeker de toedracht van de feiten waarvoor hij veroordeeld was kenbaar moest maken. Vanuit de FOD Justitie (niet de dienst Selor) kwam een melding dat men met een blanco strafblad, en zonder nieuwe veroordeling, kan solliciteren (via Selor). Meer wordt er niet meegedeeld. Nergens wordt vermeld dat men aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden voor het ambt voldoet. Volgens de verwerende partij wist verzoeker in november 2019 dus dat er geen concreet zicht was op zijn eerdere veroordeling en dat dit via het blanco strafregister ook niet te achterhalen was. Zijn summiere toelichting, zonder detail, was al anderhalf jaar eerder meegedeeld aan een administratief assistent bij de FOD Justitie, die geen deel uitmaakte van de dienst Selor die instaat voor het selectieproces en ressorteert onder een andere federale overheidsdienst. Verzoeker heeft zich derhalve wel bezondigd aan bedrog, met name door bewust concrete informatie achter te houden. De verwerende partij stelt dat inspiratie kan worden gevonden in de privésector, alwaar artikel 13 van CAO nr. 38 bepaalt dat de sollicitant ertoe gehouden is om te goeder trouw aan de selectieprocedure mee te werken en alle noodzakelijke gegevens over beroeps- en studieverleden te verschaffen, wanneer deze betrekking hebben op de aard en uitoefeningsvoorwaarden van de functie. Het vermelde artikel 13 houdt een spreekplicht in voor de werknemer. In het kader van een arbeidsovereenkomst kan er sprake zijn van bedrog wanneer een werknemer bewust foutieve informatie meedeelt tijdens de sollicitatie. Ook een gekwalificeerd of opzettelijk stilzwijgen houdt een schending van de spreekplicht in. Het verzwijgen van belangrijke informatie, waarvan de sollicitant weet dat deze essentieel is voor de werkgever, maakt bedrog uit. 5.
- Tot slot antwoordt de verwerende partij op de beginselen van behoorlijk burgerschap waarnaar verzoeker in zijn annulatieberoep verwijst. Verzoeker meent als een normaal, zorgvuldige en redelijke burger te hebben gehandeld. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-24/36 In casu heeft verzoeker niet tijdig volledige informatie meegedeeld over zijn strafrechtelijk verleden, noch aan Selor, noch aan de FOD Justitie. De FOD Justitie werd anderhalf jaar voorafgaand aan de indiensttreding door een vrij algemeen bericht bevraagd. Verzoeker lag zelf aan de bron van het probleem. Hij heeft de nodige, concrete informatie bewust verzwegen en er was voor het bestuur geen mogelijkheid kennis te hebben van de specifieke strafrechtelijke veroordeling wegens het blanco strafregister. 6.
- Verzoeker argumenteert in zijn memorie van wederantwoord dat het logisch is dat hij informatie vroeg bij de FOD Justitie. Voor vragen met betrekking tot de wervingsprocedure had verzoeker zich ongetwijfeld tot Selor gericht, doch met vragen omtrent de weerslag van zijn verleden op zijn toekomstige werkprestaties wist verzoeker dat hij zich voor nuttige antwoorden best kon richten tot de FOD Justitie zelf, omdat deze een beter zicht heeft op zijn dienst dan de ambtenaren van Selor. Verzoeker voert aan dat Selor, als bij volmacht, het zorgvuldigheidsbeginsel voor de FOD Justitie uitoefent. Hij doet zijn onderzoek op zulke wijze dat de FOD Justitie dit niet, dan wel niet even diepgaand moet voeren en toch minstens ten dele kan berusten in de kwaliteit en aanstelbaarheid van de hem aangeleverde kandidaten. Dit ontslaat de FOD Justitie niet integraal van zijn eigen zorgvuldigheidsvereisten en de verplichting zijn beslissing te stoelen op pertinente gegevens. Daar deze gegevens reeds meermaals waren toegestuurd door verzoeker en gelet ook op de beschikbaarheid van artikelen over verzoekers verleden op het internet, was het voor de FOD Justitie zonder meer mogelijk de feiten waarvoor verzoeker herstel in eer en rechten verkregen heeft te achterhalen. 6.
- Dit herstel in eer en rechten geeft volgens verzoeker aan dat niet alleen de straf is toegepast en uitgezeten maar ook dat de persoon aan wie dit is verleend, toont wederom een functioneel lid te zijn van de maatschappij. Artikel 634 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat herstel in eer en rechten ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-25/36 voor het toekomende alle gevolgen van de veroordeling doet ophouden in de persoon van de veroordeelde. Herstel in eer en rechten beoogt de volledige reclassering van de veroordeelde. Verzoeker verwijst naar rechtspraak van de Raad van State waaruit volgt dat de overheid nog rekening mag houden met feiten die door de strafrechter niet meer in aanmerking mogen worden genomen, maar dat die feiten wel een bijzonder onderzoek vergen om uit te maken of de concrete misdraging van de betrokkene nog mag worden betrokken bij de problematiek waarmee de administratieve overheid geconfronteerd is en, zo ja, waarom het tijdsverloop niet belet dat met die feiten nog rekening kan worden gehouden. Met betrekking tot het bedrog of de arglist, benadrukt verzoeker dat hij geenszins erkent dat hij zijn strafrechtelijk verleden niet spontaan zou hebben meegedeeld, zoals blijkt uit het e-mailverkeer. Er kan geen sprake zijn van arglist of bedrog wegens omissie van de details met betrekking tot zijn verleden daar hij deze zeer openlijk gecommuniceerd heeft en zich niet eens beroept op zijn privileges verleend door eerherstel. De FOD Justitie kan verzoeker moeilijk kwalijk nemen dat hij ruime tijd voor de procedure reeds via veelvuldige e-mails informatie wenste in te winnen met betrekking tot zijn verleden en dat de FOD Justitie de informatie die hij vrijwillig had meegedeeld uit het oog is verloren. Verzoeker heeft nooit betracht zijn veroordelingen te minimaliseren of te verbergen. Bovendien hoort het niet vrijwillig expliciteren van zijn strafrechtelijk verleden logischerwijze bij het privilege van herstel in eer en rechten en dient elke vraag omtrent het strafrechtelijk verleden tijdens de selectieprocedure zo beantwoord te worden dat deze geen invloed heeft of kan hebben, dan wel buiten elke toepassing blijft, daar de wetgever betracht met het herstel in eer en rechten alle gevolgen van dit strafrechtelijk verleden te doen ophouden. Enige andere verwachting zou dit recht zo uithollen dat het herstel in eer en rechten de facto zonder bestaansreden zou zijn en een louter waardeloze ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-26/36 formaliteit wordt. Daarbij kan verzoeker aantonen dat hij in de jaren vóór de aanstelling goed gedrag vertoonde. Hij werd in 2005 veroordeeld en kwam in 2008 vrij, met vijf jaar voorwaarden, die een ordentelijk verloop kenden. De proefperiode om het herstel in eer en rechten te verkrijgen bedroeg vijf jaren. In 2018 achtte de kamer van inbeschuldigingstelling deze periode als voldaan en zijn gedrag als van dien aard dat hij het herstel in eer en rechten verdiende. Men kan dus niet stellen dat verzoekers gedrag een momentopname is en bijgevolg is de verwijzing naar arrest nr. 208.384 van de Raad niet aan de orde. De verwijzing door de Belgische Staat naar de spreekplicht vervat in CAO nr. 38 als grond waarop men kan besluiten dat verzoeker zich schuldig gemaakt zou hebben aan bedrog, wordt weerlegd door het publieke karakter van de strafrechtelijke veroordelingen van verzoeker. Deze zijn ten tijde van de veroordeling gepubliceerd, via krantenartikelen en op het internet. Zodoende zijn deze voor het publiek bekend en vallen ze niet onder deze spreekplicht, aangezien men redelijkerwijs mag verwachten dat elke normale, zorgvuldige en redelijke werkgever deze artikelen zou tegenkomen bij de eerste opzoeking omtrent de kandidaat-werknemer. Bijgevolg kan absoluut geen sprake zijn van bedrog op grond van een spreekplicht.
- In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de procedure tot het verkrijgen van herstel in eer en rechten overeenkomstig de artikelen 621 en volgende Sv een strikte procedure betreft, onderworpen aan strenge voorwaarden, waaronder het doorlopen van de proeftijd (tussen drie en tien jaar), de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraffen, de betaling van de geldboetes en kosten en vergoeding van de burgerlijke partijen en slachtoffers. Louter op basis van feiten van achttien jaar geleden, waarvoor verzoeker zijn straf uitzat en een eerherstel verkreeg, kan niet worden geoordeeld dat zijn gedrag niet in overeenstemming zou zijn met de eisen van de beoogde betrekking. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-27/36
- In haar laatste memorie legt de verwerende partij de nadruk op de spreekplicht van de sollicitant, en stelt zij dat het niet onredelijk of onzorgvuldig is dat de overheid enkel voortgaat op officiële uittreksels uit het strafregister en verwacht dat de sollicitant het initiatief neemt om op vrijwillige basis essentiële en concrete informatie met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden voor te leggen, zowel in het kader van de selectie, als in het kader van de benoeming of aanstelling. De verwerende partij stelt dat niet in redelijkheid verwacht kan worden dat de FOD Justitie de toelating tot de stage koppelt aan de e-mails van verzoeker. Wat betreft het herstel in eer en rechten betoogt de verwerende partij dat artikel 634 Sv. enkel spreekt over het ophouden van de gevolgen van de strafrechtelijke veroordeling, maar niet inhoudt dat de feiten waarop de veroordeling steunt, geacht moeten worden niet langer te bestaan. De feiten mogen buiten het strafrecht in aanmerking worden genomen. Ten aanzien van het bedrog stelt de verwerende partij dat “fraus omnia corrumpit” vereist dat er opzettelijk een bedrieglijke handeling wordt gesteld teneinde een verbintenis tot stand te brengen of af te dwingen met de bedoeling een ander rechtssubject schade toe te brengen. Volgens de verwerende partij is dit hier het geval. Het gaat hier over het bewust verzwijgen van essentiële informatie om zich in een ander daglicht voor te (kunnen) stellen teneinde in aanmerking te komen voor een specifieke functie, om voor zichzelf derhalve een voordeel te genereren, zonder daarbij rekening te houden met de eventuele nadelige gevolgen van het achterwege laten van deze essentiële informatie, in casu voor de werkgever, de collega’s en de omgeving waarin de betrokkene zijn job uitoefent. Beoordeling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-28/36
- De door verzoeker, in samenhang met de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, geschonden geachte bepalingen van het statuut van het rijkspersoneel luiden : “Art.
- Niemand kan tot Rijksambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hierna volgende algemene toelaatbaarheidsvereisten : § 1 (…) 2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; Art. 17bis. §
- Bij het organiseren van een vergelijkende selectie stelt de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de vereisten inzake diploma's of studiegetuigschriften en, in voorkomend geval, aan de vereiste inzake minimumleeftijd of aan de bijzondere vereisten inzake beroepsbekwaamheid. §
- Zodra de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een gegadigde niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan een van de algemene of bijzondere toelaatbaarheidsvereisten die gelden voor de graad waarnaar de betrokkene mededingt, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing en van de redenen ervan. […] Art.
- § 1.- (…). § 2.- (…) § 3.- Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar : 1° van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; deze termijn is niet geldig in geval van arglist of bedrog vanwege de ambtenaar; (…) § 4.- Dit artikel is van toepassing op de stagiairs.”
- Het thans bestreden besluit is genomen op grond van de artikelen 16, 2°, en 112, § 3, 1°, van het statuut van het Rijkspersoneel. Voor de toepassing van artikel 112, § 3, 1°, van dit statuut is niet enkel vereist dat wordt vastgesteld dat de benoeming onregelmatig was. Indien deze onregelmatigheid niet wordt vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, verliest de ambtenaar enkel ambtshalve en zonder vooropzeg de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-29/36 hoedanigheid van ambtenaar “in geval van arglist of bedrog vanwege de ambtenaar”.
- Op 1 juli 2020 werd verzoeker toegelaten tot de stage in hoedanigheid van penitentiair bewakingsagent ter uitvoering van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van 9 juni
- De bestreden beslissing is genomen op 1 oktober
- De termijn voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen de toelating tot de stage was op dat ogenblik bijgevolg in ieder geval verstreken.
- Om te voldoen aan artikel 112, § 3, 1°, van het statuut van het rijkspersoneel, in samenhang met de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, is bijgevolg vereist dat er uit de beslissing en de stukken van het dossier blijkt dat er werkelijk bestaande en concrete feiten voorliggen, die voldoende bewezen zijn, zodat hieruit enerzijds de onregelmatigheid van de benoeming én anderzijds het bedrog of de arglist blijkt. Deze voorwaarden moeten cumulatief vervuld zijn.
- Wat de voorwaarde van de onregelmatigheid van de benoeming betreft, volgt uit artikel 16, 2°, van het statuut van het Rijkspersoneel dat niemand tot rijksambtenaar kan worden benoemd, indien hij niet voldoet aan de algemene toelaatbaarheidsvereiste dat zijn gedrag moet overeenstemmen met de vereisten van de beoogde betrekking. Deze toelaatbaarheidsvereiste werd bovendien uitdrukkelijk opgenomen in het selectiereglement voor de selectie van penitentiair beambten. Deze toelaatbaarheidsvereiste is dermate ruim geformuleerd, dat elke aanwijzing van een gedrag dat niet strookt met de vereisten van de beoogde betrekking, aanleiding kan geven tot het niet vervuld zijn van deze voorwaarde en tot de niet-benoeming van de betrokkene. Dit betekent dan ook dat een strafrechtelijke veroordeling een indicatie kan zijn dat niet is voldaan aan deze toelaatbaarheidsvereiste. Indien een kandidaat voor een bepaalde functie een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen, dient te worden nagegaan of de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-30/36 betrokkene wel voldoet aan de algemene toelaatbaarheidsvereiste van artikel 16, 2°, van het statuut van het Rijkspersoneel, rekening houdend met de feiten en gedragingen die aan die strafrechtelijke veroordeling ten grondslag liggen. Hij moet niet alleen op de datum van zijn indiensttreding een gedrag vertonen dat overeenstemt met de vereisten van de beoogde betrekking. Ook gedragingen in het verleden kunnen in rekening worden gebracht bij het beoordelen van het al dan niet in aanmerking komen voor een stage of benoeming.
- Daarbij komt dat de specifieke functie van penitentiair bewakingsassistent een veiligheids- en voorbeeldfunctie is, die een hoge graad van moraliteit vereist in hoofde van diegene die ze bekleedt.
- In de motivering van de bestreden beslissing mag dan ook worden overwogen dat een strafrechtelijke veroordeling een indicatie kan zijn dat de kandidaat niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvereiste, alsook dat het bewust verzwijgen van een strafrechtelijke veroordeling getuigt van een gedrag dat onverenigbaar is met het bekleden van een functie binnen het federaal ambt, welke een hoge graad van moraliteit vereist in hoofde van diegene die ze bekleedt en waarbij waarden zoals oprechtheid en betrouwbaarheid zeer belangrijk zijn.
- Het feit dat verzoeker een blanco strafregister heeft als gevolg van het verkrijgen van een herstel in eer en rechten doet hieraan geen afbreuk. Herstel in eer en rechten met betrekking tot veroordelingen heeft niet tot gevolg dat het de verwerende partij a priori verboden zou zijn bij de uitoefening van de bevoegdheid die haar in het kader van de van toepassing zijnde wetgeving is opgedragen, hoe dan ook nog rekening te houden met de feiten die tot de veroordelingen hebben geleid. Dit is in het bijzonder het geval bij het beoordelen of de betrokkene voldoet aan de toelaatbaarheidsvereiste van het hebben van een gedrag dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-31/36 Hieraan doet overigens geen afbreuk het feit dat de voorwaarde van artikel 16, § 1, 2°, van het statuut van het Rijkspersoneel in de tegenwoordige tijd is geformuleerd. Voorwaarde is daarbij wel dat duidelijk is dat de overheid bij de beoordeling steunt op de feiten die tot de veroordeling hebben geleid, en niet op de veroordelingen als dusdanig. Tevens moet de overheid met genoegzame zorgvuldigheid hebben nagegaan of de feiten, niettegenstaande het tijdsverloop en het herstel in eer en rechten met betrekking tot veroordelingen nog altijd nuttig kunnen betrokken worden bij de beoordeling waarvoor zij staat.
- Gelet op de aard van de destijds gepleegde feiten, gerelateerd aan het specifieke karakter van de beoogde betrekking, is dit in casu wel degelijk het geval. Dit wordt gestaafd door de persartikelen die verzoeker zelf voorlegt in zijn verzoekschrift teneinde de anonimisering te verkrijgen, en waaruit blijkt dat hij als toenmalig politieagent veroordeeld werd voor afpersing, drughandel en oplichting. De specifieke functie van penitentiair bewakingsassistent betreft een veiligheids- en voorbeeldfunctie, die een hoge graad van moraliteit vereist in hoofde van diegene die ze bekleedt. Door te oordelen dat de door verzoeker gepleegde inbreuken niet stroken met het gedrag dat van een penitentiair bewakingsbeambte wordt verwacht, heeft de verwerende partij niet onredelijk gehandeld. De verwerende partij is in alle redelijkheid tot de vaststelling gekomen dat de benoeming van verzoeker onregelmatig is, daar ze is gebeurd in strijd met de algemene toelaatbaarheidsvereiste dat het gedrag van de te benoemen ambtenaar moet overeenstemmen met de vereisten van de beoogde betrekking, gelet op zijn strafrechtelijke veroordeling omwille van inbreuken op onder andere de drugwetgeving en dit in zijn functie van politieagent. De verwerende partij mocht in redelijkheid oordelen dat verzoeker, gelet op de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-32/36 specifieke functie van penitentiair bewakingsassistent, niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 16, § 1, 2°, van het statuut van het Rijkspersoneel.
- Wat de tweede voorwaarde van de aanwezigheid van bedrog of arglist in hoofde van verzoeker betreft, voert de bestreden beslissing aan dat verzoeker “zowel op zijn CV als op het sollicitatiegesprek niets vermeld heeft over zijn werkervaring bij de politie en zijn strafrechtelijke veroordeling” en dat verzoeker “zijn vroegere strafrechtelijke veroordeling bewust heeft verzwegen”. De beslissing stelt dat “het niet onredelijk is te overwegen dat een strafrechtelijke veroordeling die bovendien verband hield met zijn vroegere functie als politieagent in het kader van een selectie voor de functie van penitentiair bewakingsassistent essentiële informatie betreft” en “dat betrokkene redelijkerwijze kon voorspellen dat een strafrechtelijke veroordeling een invloed kon hebben op zijn toelating tot de stage en op de daaruit vloeiende mogelijke benoeming als federaal ambtenaar en het aldus essentiële informatie betreft”. Op grond hiervan stelt de bestreden beslissing dat er sprake is van “bedrog, of minstens arglist” in hoofde van verzoeker.
- Zowel bedrog als arglist veronderstellen dat verzoeker wetens en willens verkeerde informatie heeft verstrekt of essentiële informatie heeft achtergehouden teneinde de verwerende partij te misleiden. Ze vereisen bijgevolg beide een bedrieglijk opzet en de wil om de andere partij om de tuin te leiden. Er is enkel sprake van bedrog of arglist wanneer zowel het materieel bestanddeel van een kunstgreep of list, als het moreel bestanddeel van de uitdrukkelijke bedoeling om te misleiden, aangetoond zijn. Het komt de partij die zich erop beroept toe het bedrog of de arglist aan te tonen.
- Het enkele feit bewust bepaalde informatie, ook essentiële informatie, niet mee te delen, volstaat niet om het handelen van een partij als bedrog of arglist te beschouwen. Een eventuele fout of nalatigheid in hoofde van een partij kan niet zonder meer gelijkgesteld worden met bedrog of arglist. Zoals ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-33/36 gezegd moet ook de wil om te misleiden voldoende aangetoond zijn.
- Het gedrag van verzoeker in de loop van de selectie en aanwervingsprocedure is van aard te concluderen dat de wil om te misleiden in hoofde van verzoeker niet als aangetoond kan worden beschouwd. Met verzoeker kan immers vastgesteld worden dat hij vrijwillig aan zijn toekomstige eventuele werkgever heeft meegedeeld dat hij in het verleden als politieagent heeft gewerkt, dat hij in het verleden veroordeeld is geweest, dat hij effectief opgesloten is geweest in de gevangenis en dat hij nadien herstel in eer en rechten heeft gekregen. Aan de dienst waarvan hij in redelijkheid mocht aannemen dat die instond voor de beoordeling van de toelaatbaarheid tot de stage of de benoeming, stelde verzoeker uitdrukkelijk de vraag of hij gelet op zijn verleden een kans maakte om door de screening te geraken. Op deze vraag kreeg hij uitdrukkelijk de bevestiging dat er geen probleem zou zijn, indien hij over een blanco strafblad beschikt en geen nieuwe feiten heeft gepleegd. In de door verzoekers verstuurde e-mails wordt aldus uitdrukkelijk het verband gelegd tussen zijn gevangenisstraf en niet enkel de toegang tot de proeven, maar ook de kans op slagen in de screening. Er kan geen kwade trouw geacht worden te zijn aangetoond in hoofde van verzoeker wanneer hij, gelet op de mededeling van de stafdienst P&O van de verwerende partij, aannam dat zijn strafrechtelijk verleden geen probleem zou vormen en hij dit niet op eigen initiatief opnieuw ter sprake moest brengen. Ook het latere gedrag van verzoeker, in het bijzonder tijdens het functioneringsgesprek in de beginperiode van de stage, wijst niet op de wil tot misleiden. Er is niet voldoende aangetoond dat de handelswijze van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-34/36 verzoeker ingegeven was door de wil om te misleiden, noch dat ze een dermate grove fout uitmaakt, dat ze gelijk te stellen zou kunnen zijn aan bedrog of arglist met het oog op het misleiden van de verwerende partij.
- De tweede voorwaarde voor de toepassing van artikel 112, § 3, 1°, van het statuut van het Rijkspersoneel kan bijgevolg niet worden geacht vervuld te zijn.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring voert verzoeker aan dat hem werd gemeld dat zijn strafrechtelijk verleden geen probleem zou opleveren en dat de verwerende partij zelf een onderzoek zou voeren naar dat verleden. Volgens verzoeker zijn de voorwaarden vervuld opdat (de schending van) het vertrouwensbeginsel kan worden ingeroepen. Vooreerst mocht hij, gelet op de mededeling van de stafdienst P&O van de verwerende partij erin berusten dat zijn strafrechtelijk verleden geen probleem zou vormen. In die wetenschap verwierf hij het ambt van stagedoende penitentiair bewakingsassistent. Tot slot wijst hij erop dat er geen gewichtige redenen bestaan om hem dat voordeel te ontnemen. Tot slot wijst hij nogmaals op het herstel in eer en rechten en stelt hij dat aan zijn integriteit niet kan worden getwijfeld. Beoordeling
- Het middel kan niet leiden tot een ruimere vernietiging dan het gegrond bevonden eerste middel, en behoeft dan ook geen verder onderzoek. BESLISSING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-35/36
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst Justitie van 1 oktober 2020 waarbij XXXX, stagedoend penitentiair bewakingsassistent bij de gevangenis te Antwerpen, ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar verliest.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien januari tweeduizend vierentwintig door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.458 IX-9804-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.458 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div