id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.460 Rolnummer: A. 235590/XIV-38954 Zaak: Arrest 258460 - Tucht (openbaar ambt) - 16/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-10 19:29 Fiche Arrest nr 258.460 van 16 januari 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.460 no lien 275199 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.460 van 16 januari 2024 in de zaak A. 235.590/XIV-38.954 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie van de Federale Gerechtelijke politie van 22 december 2021 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.954-1/8 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daphné Van Eynde, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 12 januari 2021 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op, met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 3.
- Op 21 mei 2021 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal uit te spreken. Tegen dat voorstel dient verzoeker geen verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. XIV-38.954-2/8 3.
- Op 22 december 2021 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord de exceptie op dat het beroep niet-ontvankelijk is, daar verzoeker geen verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad heeft ingediend, zodat de bestreden beslissing geen in laatste aanleg genomen beslissing is. De verwerende partij voert aan dat de Raad van State reeds meermaals oordeelde dat de procedure voor de Tuchtraad moet worden uitgeput, vooraleer een ontvankelijk beroep bij de Raad van State kan worden ingediend. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat de hogere tuchtoverheid, indien geen verzoek tot heroverweging wordt ingediend bij de Tuchtraad, over een louter gebonden bevoegdheid beschikt en het voorstel van zware tuchtstraf enkel kan bevestigen. In repliek op de laatste memorie van verzoeker werpt de verwerende partij voorts op dat verzoeker sinds 1 mei 2022 geniet van de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering en dat het langer uitblijven de definitieve tuchtstraf dus niet heeft kunnen wegen op zijn loopbaan. De verwerende partij wijst er verder nog op dat gelet op artikel 57 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) het langer uitblijven van de bestreden beslissing geen negatieve invloed had op de loopbaan van verzoeker, daar op 12 juli 2022 aan verzoeker een bijkomende tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal werd opgelegd, zodat de bestreden beslissing op het blad der tuchtstraffen blijft staan tot op het ogenblik dat ook de tuchtstraf van 12 juli 2022 is uitgewist. XIV-38.954-3/8
- In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker de exceptie van niet-ontvankelijkheid. Hij wijst erop dat het enige middel dat hij aanvoert de schending van de redelijketermijneis betreft in de fase van de procedure na de mogelijkheid om een verzoek tot heroverweging in te dienen bij de Tuchtraad. Deze onwettigheid kon hij dus onmogelijk reeds aankaarten bij de Tuchtraad. Zijn recht op toegang tot de rechter zou op onrechtmatige wijze worden ingeperkt, indien verzoeker de schending van de redelijketermijneis in die specifieke eindfase van de procedure niet meer zou kunnen aanvechten bij de Raad van State. In dat geval zou de schending van de redelijketermijneis niet meer kunnen worden gesanctioneerd en zou de redelijketermijneis “de facto niet meer bestaan”. In de laatste memorie repliceert verzoeker op het auditoraatsverslag. Hij wijst er vooreerst op dat zowel uit artikel 38sexies als uit artikel 57 van de tuchtwet blijkt dat de hogere tuchtoverheid, ook bij afwezigheid van een verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad, in ieder geval een definitieve eindbeslissing moet nemen, ook al kan zij het voorstel tot zware tuchtstraf in die hypothese niet meer wijzigen. Een dergelijke eindbeslissing nemen is ook wat de hogere tuchtoverheid te dezen heeft gedaan. Verder wijst verzoeker op de concrete gevolgen van de eindbeslissing. Zo gaat de tuchtstaf van de terugzetting in weddeschaal pas in nadat de definitieve eindbeslissing is genomen, wat dus een dergelijke eindbeslissing vereist. Verzoeker heeft er belang bij “dat de zaak vooruitgaat”, zowel wat de uitvoering van de straf betreft, als met het oog op de doorhaling van de tuchtstraf in uitvoering van artikel 57 van de tuchtwet, wat allebei vereist dat er een eindbeslissing is. Tot slot verwijst verzoeker naar het arrest van de Raad van State van 27 oktober 2021 met nr. 251.959 waarbij een gelijkaardige exceptie van niet-ontvankelijkheid werd verworpen en besluit hij dat de schending van de redelijketermijneis te dezen tot gevolg heeft dat geen nieuwe tuchtbeslissing kan worden genomen. Beoordeling
- Van diegene die een jurisdictioneel beroep instelt, mag worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.460 XIV-38.954-4/8 verwacht dat hij voorafgaandelijk alle procedureel gewaarborgde mogelijkheden uitput om zijn rechten te vrijwaren. Het verzoek tot heroverweging tegen een voorstel van zware tuchtstraf bij de Tuchtraad bedoeld in artikel 51bis van de tuchtwet kan de rechtspositie van het betrokken personeelslid in gunstige zin beïnvloeden. Deze mogelijkheid om een verzoek tot heroverweging in te dienen moet dan ook worden aangemerkt als een substantiële vorm in de besluitvormingsprocedure, die door het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid moet worden benut, opdat hij zijn recht op het instellen van een annulatieberoep niet zou verbeuren. Het voorgaande moet echter worden genuanceerd in zoverre door een verzoekende partij in het verzoekschrift middelen worden aangevoerd die zij hoe dan ook in de bestuurlijke fase voor de Tuchtraad niet zou hebben kunnen doen gelden. Haar beroep zou dan wel ontvankelijk zijn voor zover zij in de jurisdictionele fase dergelijke middelen aanvoert. De Raad van State moet dan ook de door een verzoekende partij aangevoerde middelen vanuit dat oogpunt onderzoeken.
- Artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalt: “Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 51bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. Wanneer geen verzoek tot heroverweging ingesteld wordt overeenkomstig artikel 51bis, bevestigt en deelt met een ter post aangetekend schrijven of door kennisgeving tegen een ontvangstbewijs, de hogere tuchtoverheid haar definitieve beslissing mede aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen. […]” XIV-38.954-5/8 Artikel 51bis van de Tuchtwet bepaalt: “Het personeelslid aan wie een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, kan tegen deze beslissing een verzoek tot heroverweging instellen bij een ter post aangetekend schrijven gericht aan de tuchtraad binnen tien dagen na de in artikel 38sexies, eerste lid, bedoelde kennisgeving. Een kopie wordt door de tuchtraad aan de betrokken hogere tuchtoverheid toegezonden. […]”. Uit die bepalingen volgt dat de hogere tuchtoverheid haar beslissing moet meedelen uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater van de tuchtwet bedoelde verweertermijn van dertig dagen. Zoals te dezen, kan die beslissing onder meer het voorstel inhouden om één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. Tegen de beslissing waarbij een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, kan het personeelslid overeenkomstig artikel 51bis van de tuchtwet bij de Tuchtraad een verzoek tot heroverweging instellen. Wanneer geen dergelijk verzoek tot heroverweging wordt ingediend, bevestigt en deelt de hogere tuchtoverheid haar “definitieve beslissing” mee aan het betrokken personeelslid, zonder het voorstel tot zware tuchtstraf te kunnen wijzigen.
- Te dezen heeft verzoeker geen verzoek tot heroverweging ingediend bij de Tuchtraad tegen het voorstel van zware tuchtstraf. Hoewel van verzoeker in principe wordt verwacht dat hij voorafgaandelijk alle procedureel gewaarborgde mogelijkheden uitput om zijn rechten te vrijwaren, kan van een verzoeker evenwel niet worden geëist dat hij een verzoek tot heroverweging indient om het recht te behouden om in het kader van een jurisdictioneel beroep onwettigheden te kunnen opwerpen die dateren van na het verstrijken van de termijn om een verzoek tot heroverweging in te dienen. In het licht van wat voorafgaat, rijst aldus ambtshalve de vraag of verzoeker in het verzoekschrift middelen heeft aangevoerd die hij hoe dan ook in de bestuurlijke fase voor de Tuchtraad niet zou hebben kunnen doen gelden, in welk geval de Raad van State dan die middelen vanuit dat oogpunt op hun merites zou moeten onderzoeken. Deze aangelegenheid, die desgevallend de beslechting XIV-38.954-6/8 van het beroep kan beïnvloeden, is niet onderzocht door het auditoraat in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek. V. Aanvullend onderzoek
- Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen door de verwerende partij, waarvan in de huidige stand van het onderzoek niet blijkt dat die leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend onderzoek.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-38.954-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.954-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.460 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div