← België

Arrest 258461 - Tucht (openbaar ambt) - 16/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.461 Rolnummer: A. 232900/XIV-38593 Zaak: Arrest 258461 - Tucht (openbaar ambt) - 16/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-25 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 19:29 Fiche Arrest nr 258.461 van 16 januari 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.461 no lien 275200 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.461 van 16 januari 2024 in de zaak A. 232.900/XIV-38.593 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD SINT-NIKLAAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Line Verstraeten kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokalepolitiezone van 16 december 2020 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. XIV-38.593-1/13 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden 13 september 2023. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker, en advocaat Maarten Wante, die loco advocaat Line Verstraeten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone. 3.2. Op 29 oktober 2020 stelt de tuchtoverheid het inleidend verslag op, met daarin het voornemen om de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. 3.3. Op 16 december 2020 beslist de tuchtoverheid aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.593-2/13 De aan verzoeker ten laste gelegde feiten worden in de bestreden beslissing als volgt omschreven en gekwalificeerd: “2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1 Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden De Dienstplanning heeft [verzoeker] aangeduid om op zaterdag 1 augustus 2020 met de late shift te werken. Dit werd hem via mail meegedeeld op 29 juli 2020 om 14.04u. Op 30 juli 2020 was Inspecteur [M.V.] teamleider met de vroege shift. Hij werd afgelost door hoofdinspecteur [S.M.]. Tijdens de aflossing betrad [verzoeker] het teamleidinglokaal en vroeg aan [M.V.] of deze teamleider was op zaterdag 1 augustus 2020 met de late shift. [M.V.] bevestigde dit. [Verzoeker] vroeg vervolgens om hem rust te willen toestaan voor deze shift. [M.V.] deelde [verzoeker] mee dat dit onmogelijk was, omdat er erg goed weer werd voorspeld, er toezicht diende te gebeuren op het recreatiedomein […], en dat er een minimumbezetting van personeel was. Hierop zei [verzoeker] : ‘[bij] deze weet je dat ik er zaterdag niet zal zijn.’ Onmiddellijk na deze uitspraak verliet hij het lokaal. [M.V.] noch [S.M.] hebben hierop gereageerd. Van verzoekers uitspraak was hoofdinspecteur [B.R.] ook getuige. [Verzoeker] wenst zich voorlopig te beroepen op artikel 25 van de Wet dd. 13 mei 1999, houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, is evenwel bereid een verklaring af te leggen na het beëindigen van het vooronderzoek en nadat hij in kennis werd gesteld van de inhoud ervan. Wij beschikken bijgevolg momenteel niet over elementen ten ontlaste van [verzoeker]. 2.2 Uiteenzetting van de gevolgen Gelet op het feit dat [verzoeker] doelbewust aangeduid werd om een bepaalde shift te werken, zorgde de onwil om hier gevolg aan te geven ervoor dat de dienst Dringende Politiehulp onderbemand dreigde te raken en de basispolitiezorg mogelijks niet kon verzekerd worden. Om dit probleem het hoofd te bieden is inspecteur [G.B.] […] extra komen werken. […] 5. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, 5.1. meen ik dat deze feiten vaststaan doordat • U op woensdag 29 juli 2020 om 14.04u via mailbericht in kennis werd gesteld dat U aangeduid werd om op zaterdag 1 augustus 2020 te komen werken; • Drie getuigen onafhankelijk van elkaar verklaren dat U reeds op donderdag 30 juli 2020 meedeelde niet te zullen werken op zaterdag 1 augustus 2020; • U op zaterdag 1 augustus 2020 effectief niét bent komen werken; • U geen medisch attest voor Uw afwezigheid op zaterdag 1 augustus 2020 heeft binnengebracht. 5.2. meen ik dat deze feiten u kunnen worden toegerekend doordat • U wetens en willens op voorhand meedeelde geen gevolg te zullen geven aan de U opgelegde dienst. 5.3. meen ik dat deze feiten het(

  1. de)volgend(
  2. e)tuchtvergrijp(
  3. en)uitmaken: Tekortkoming inzake het uitvoeren van de taken • weigeren of niet uitvoeren van een taak opgelegd door een overste. Inbreuk op de deontologische code van de politiediensten beschikbaarheid / zin voor dienstverlening: • de personeelsleden moeten gevolg geven aan elke oproep in verband met het vervullen van de dienst. XIV-38.593-3/13 • de personeelsleden mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven. • de personeelsleden geven de bevolking, de politieoverheden en de andere instanties waarmee ze moeten samenwerken, blijk van hun wil om de van hen verwachte dienst te verlenen. I Inbreuk op de deontologische code van de politiediensten : beschikbaarheid / zin voor dienstverlening: • de personeelsleden oefenen op loyale wijze hun ambt uit onder het gezag van de politieoverheden, alsook onder leiding van hun chef. Inbreuk op het charter ‘Visie, missie en waarden’ van ons korps : • waarden : teamwork.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift onder meer de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, van de artikelen X.II.3 en X.II.8 RPPol en van de “onbevoegdheid van de steller des handeling.” Hij zet vooreerst uiteen dat uit het samenlezen van de artikelen X.II..3 en X.II.4 RPPol volgt dat een eerste ziektedag niet moet worden gestaafd door een medisch getuigschrift, maar dat ten laatste bij de geplande aanvang van de dienst, deze daarover moet worden ingelicht. Hij stelt dat hij aldus heeft gehandeld en dat zulks niet wordt betwist. Hem kan niet worden tegengeworpen dat voor die ene dag een medisch getuigschrift moet worden binnengebracht. Voorts meent verzoeker dat, “indien en voor zover de korpsleiding in gedachten had dat [hij] in werkelijkheid niet ziek was”, die dan het nodige diende te doen om in toepassing van artikel VIII.X.9 RPPol, verzoeker aan een medische controle te onderwerpen. Hij onderstreept ter zake dat hij die dag ziek was, zijn woning niet heeft verlaten en zeer zeker zijn medewerking zou hebben verleend aan de controlerende arts mocht die hem aan controle hebben onderworpen. Dat is evenwel niet gebeurd, ondanks het feit dat de korpschef in persoon reeds dezelfde dag op de hoogte was van zijn afwezigheid. Verzoeker concludeert dat hem verwijten zonder toelating of rechtvaardiging van zijn dienst te zijn weggebleven alwaar hij daartoe statutair was gerechtigd ingevolge het verlof wegens ziekte en waarbij hij heeft voldaan aan alle XIV-38.593-4/13 daartoe gestelde vereisten, een schending inhoudt van de artikelen VIII.X.11 en X.II.3 RPPol. Daarenboven behoort de bevoegdheid om een ziekteverlof te bevestigen of te wijzigen enkel toe aan de controlerende arts en dit bij toepassing van artikel X.II.8. RPPol. Volgens verzoeker eigent de tuchtoverheid zich de facto de bevoegdheid toe om het ziekteverlof te wijzigen (weigeren), wat de voornoemde bepaling schendt. Voorts betoogt verzoeker dat, alwaar de korpschef leunt op de feitelijke vaststelling dat hij op 1 augustus 2020 niet op de dienst is verschenen alwaar hij in verlof wegens ziekte was, er sprake is van een ondeugdelijke motivering en dus van een schending van de materiëlemotiveringsplicht. Dat getuigen verzoeker voordien zouden hebben horen zeggen dat hij niet op de dienst zal zijn, doet hieraan geen afbreuk en kan niet volstaan om zijn recht op verlof wegens ziekte te beknotten. Verzoekers uitlating staat los van de feitelijkheid dat hij niet is komen werken wegens verlof door ziekte, zoals statutair is voorzien en waarbij hij heeft voldaan aan alle verplichtingen ter zake. Verzoeker besluit dat, alwaar de statutaire principes duidelijk voorzien in een procedure aangaande de medische controle in het geval van een verlof wegens ziekte en de bevoegde overheid nalaat om deze controle te activeren, het principieel recht op verlof wegens ziekte dan niet kan worden tenietgedaan door het terugvallen op de enkele uitlating waarvan niet kan worden bewezen dat ze concreet werkelijkheid is geworden. 5. De verwerende partij preciseert in de memorie van antwoord vooreerst dat, in tegenstelling tot wat verzoeker doet uitschijnen, de bestreden beslissing niet is gebaseerd op het gegeven dat verzoeker heeft nagelaten zijn afwezigheid te staven middels een medisch getuigschrift, noch op de loutere vaststelling dat verzoeker niet is komen opdagen voor de dienst. Voorts betoogt zij dat verzoeker “vergeet dat hij op voorhand in het bijzijn van drie andere personen luidkeels verklaarde niet te zullen komen werken op zaterdag 1 augustus 2020”. Verzoekers bewering dat deze uitspraak niet gemeend zou zijn geweest doch is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.461 XIV-38.593-5/13 ingegeven door een boosheid op het moment zelf, is onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig. Verzoeker had nadien ruimschoots de mogelijkheid om zich ten aanzien van zijn hiërarchische meerderen te excuseren en eventueel duiding te geven inzake de reden van zijn uitlating. Doordat verzoeker expliciet aangaf niet te zullen komen werken, was het volgens de verwerende partij duidelijk dat hij wetens en willens heeft verzaakt aan de dienst. Verzoeker wordt dan ook niet verweten zijn afwezigheid niet te hebben gestaafd middels een medisch getuigschrift, doch wel dat hij duidelijk maakte niet te zullen komen werken, hetgeen hij dan ook niet heeft gedaan. Zo verzoeker wel een medisch getuigschrift zou hebben binnengebracht zou duidelijk geworden zijn dat hij effectief ziek was en om die reden niet kon komen werken. Doordat hij echter heeft nagelaten zijn afwezigheid op ook maar enige manier te staven, is duidelijk dat verzoeker de daad bij het woord heeft gevoegd en bewust wetens en willens niet naar de dienst is gekomen. Dat verzoeker geen medisch getuigschrift heeft voorgelegd was in deze dan ook geen element à charge, gezien reeds duidelijk was dat hij wetens en willens niet zou komen opdagen voor de dienst. Verzoeker had echter wel een medisch getuigschrift kunnen voorleggen als element à décharge. Op die manier had hij kunnen aantonen dat zijn eerdere uitlating inderdaad slechts een ingeving uit boosheid was geweest zonder dat hij dit ook effectief zou doen. Het argument dat de bestreden beslissing is gebaseerd op een schending van art. X.II.3 RPPol. alsook een schending van de motiveringsplicht, kan dan ook niet worden aangenomen. Het standpunt dat de verwerende partij, indien zij vermoedde dat verzoeker niet afwezig was door ziekte, een controlearts had moeten sturen teneinde zijn situatie na te gaan, neemt de verwerende partij niet aan. In de eerste plaats is volgens de verwerende partij duidelijk dat het sturen van een controlearts in geen geval een verplichting is. Verzoeker kan derhalve geen inbreuk op enig artikel met betrekking tot het uitvoeren van dergelijk controleonderzoek aanvoeren. Evident kan men geen schending aanvoeren van een rechtsregel die een loutere facultatieve mogelijkheid inhoudt. Daarenboven staat vast dat de controlearts in de regel pas op de tweede of derde dag afwezigheid de opdracht ter controle uitvoert. Dit gebeurt tevens na ontvangst van het medische getuigschrift. XIV-38.593-6/13 Het doel van dergelijk controleonderzoek is niet nagaan of iemand effectief ziek is, doch louter of de door de huisarts geattesteerde toestand overeenkomt met de werkelijkheid. Gezien verzoeker slechts één dag afwezig was en daarenboven geen medisch getuigschrift overmaakte, is het dan ook logisch dat er geen controlearts is langs geweest. In haar laatste memorie handhaaft de verwerende partij vooreerst haar verweer en verwijst zij hierbij integraal naar haar uiteenzetting in de memorie van antwoord. Voorts mist volgens haar verzoekers argument dat zijn uitlating dat hij niet zou komen werken en hij over een ernstig gevoel van collegialiteit beschikt waaruit blijkt dat verzoeker nooit wetens en willens zou verzaken aan de dienst, feitelijke grondslag en nodigt een dergelijke argumentatie de Raad van State uit tot een beoordeling van de feiten. Tot slot stelt de verwerende partij dat daar op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing geen verweer werd gevoerd gebaseerd op de stelling dat verzoeker effectief ziek was – dit werd louter zeer summier door de vakbondsafgevaardigde terloops vermeld –, het vaststaat dat de genomen beslissing op dat vlak correct was en dus correct was gemotiveerd. Dat verzoeker in de procedure voor de Raad van State uitgebreid een dergelijke argumentatie aanhoudt, doet hieraan geen afbreuk. Er dient enkel te worden gekeken naar de beslissing op het moment dat die werd genomen, zonder daarbij zaken in ogenschouw te nemen die eventueel achteraf aan het licht zouden zijn gekomen. De verwerende partij besluit dat zij op het moment van de genomen beslissing er dan ook correct kon vanuit gaan dat de afwezigheid van verzoeker niet was ingegeven door ziekte, temeer gezien die zijn afwezigheid reeds op voorhand aankondigde. Beoordeling 6. De artikelen X.II.3 en X.II.4 RPPol luiden: “Hoofdstuk II. – Verplichtingen waaraan een personeelslid met verlof wegens ziekte moet voldoen XIV-38.593-7/13 Art. X.II.3. Het personeelslid dat wegens medische redenen zijn ambt niet kan uitoefenen, moet zo snel mogelijk en ten laatste bij de geplande aanvang van zijn dienst, zijn dienst daarover inlichten. Het personeelslid mag de eerste ziektedag zijn woonplaats niet verlaten tenzij een medisch getuigschrift van zijn behandelende arts dit toelaat. Het medisch luik van het medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van het medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst. Het aantal in het tweede lid bedoelde ziektedagen wordt beperkt tot vier per jaar. Die ziektedagen worden niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de arbeidsduur bedoeld in artikel VI.I.4, § 1, tweede lid. Zij worden bovendien niet aangerekend op het aantal verlofdagen bedoeld in artikel VIII.X.1. Art. X.II.4. Vanaf de tweede ziektedag moet het verlof wegens ziekte worden gestaafd aan de hand van een medisch getuigschrift van de behandelende arts, het ware dat die rechtvaardiging al blijkt uit het in artikel X.II.3, tweede lid, bedoelde medisch getuigschrift. Het medisch luik van het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de medische dienst. Het administratief luik van het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen 24 uur worden verzonden of door enigerlei ander middel binnen 24 uur worden bezorgd aan de betrokken personeelsdienst.” Artikel VIII.X.9 RPPol luidt: “Art. VIII.X.9. Het wegens ziekte afwezige personeelslid is onderworpen aan het geneeskundig toezicht van de medische dienst : 1° ambtshalve, op beslissing van een arts van de medische dienst; 2° op verzoek van de bevoegde overheid ter zake, gericht aan de dienst bedoeld in 1°. Dat verzoek moet schriftelijk worden bevestigd.” Uit het samenlezen van deze bepalingen volgt dat het personeelslid dat wegens medische redenen zijn ambt niet kan uitoefenen, met verlof wegens ziekte is. Voor de eerste ziektedag – en dat maximaal vier maal per jaar – moet dat verlof wegens ziekte niet worden gestaafd aan de hand van een medisch getuigschrift van de behandelende arts. Wel moet in dat geval het personeelslid zo snel mogelijk en ten laatste bij de geplande aanvang van zijn dienst, zijn dienst daarover inlichten en mag het de eerste ziektedag zijn woonplaats niet verlaten. Het personeelslid is voorts onderworpen aan het geneeskundig toezicht van de medische dienst dat, onder meer, kan worden verricht op verzoek van de bevoegde overheid ter zake aan de medische dienst. Het medisch controleonderzoek waaraan een personeelslid met verlof wegens ziekte XIV-38.593-8/13 kan worden onderworpen is nader bepaald in de artikelen X.II.5 tot en met X.II.9 RPPol. De voor de voorliggende zaak belangrijkste bepalingen zijn dat het medisch controleonderzoek door een controlerende arts wordt uitgevoerd (art. X.II.5 RPPol) en dat het personeelslid met verlof wegens ziekte zich niet mag onttrekken aan het medisch controleonderzoek bevolen overeenkomstig artikel VIII.X.9, waarbij het personeelslid inzonderheid tussen 8 uur en 18 uur het bezoek aan huis van een controlerende arts niet mag weigeren, noch mag weigeren zich door deze laatste te laten onderzoeken of gevolg te geven aan een oproeping die de arts aan het personeelslid richt, tenzij het personeelslid zich onmogelijk kan verplaatsen (art. X.II.6 RPPol). 7. Verzoeker voert ook de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Die houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 8. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.3). Hieruit blijkt dat aan verzoeker in essentie ten laste ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.461 XIV-38.593-9/13 wordt gelegd dat hij de opgesomde deontologische plichten miskent door afwezig te zijn op een hem opgelegde dienst en dat dit feit hem wordt toegerekend omdat verzoeker wetens en willens op voorhand meedeelde geen gevolg te zullen geven aan de hem opgelegde dienst. De tuchtoverheid steunt zich daartoe op drie getuigen die onafhankelijk van elkaar verklaren dat verzoeker reeds op donderdag 30 juli 2020 meedeelde niet te zullen werken op zaterdag 1 augustus 2020. Centraal in het middel staat derhalve de vraag of de verwerende partij door aldus te oordelen, binnen haar hiervoor bepaalde beoordelingsbevoegdheid optrad. Het middel wordt vanuit dit oogpunt onderzocht. 9. Het wordt niet betwist dat verzoeker op de dag waarop hem een dienst werd opgelegd, toepassing maakte van de op grond van de hiervoor aangehaalde artikelen X.II.3 en X.II.4 RPPol bestaande statutaire mogelijkheid om de eerste ziektedag, zonder dat een medisch getuigschrift moet worden voorgelegd, met ziekteverlof – en dus afwezig – te zijn. Dit verlof steunt op het vermoeden dat verzoeker omwille van ziekte niet aanwezig kan zijn. Dit vermoeden is evenwel weerlegbaar, maar uit de rechtspositieregeling blijkt dat bij toepassing van artikel X.II.8 RPPol enkel een controlerende arts ter zake bevoegd is om de medische toestand van verzoeker te beoordelen. De rechtspositieregeling maakt ter zake geen onderscheid naargelang het ziekteverlof steunt op een op grond van de voornoemde bepalingen uit het RPPol ingesteld vermoeden, dan wel op een door een behandelend arts gestaafd ziekteverlof. Kortom, de regelgever heeft de beoordeling van de – te dezen vermoede – medische grond waarop het ziekteverlof steunt overgelaten aan ter zake medische deskundige personen. Pas aan de hand van hun bevindingen dat de medische toestand van verzoeker geen verlof wettigt, kan de tuchtoverheid tot zijn beoordeling komen of die afwezigheid al dan niet een tuchtvergrijp uitmaakt. Niet blijkt dat de tuchtoverheid met toepassing van artikel VIII.X.9, 2° RPPol een verzoek tot geneeskundig toezicht heeft gericht aan de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.461 XIV-38.593-10/13 medische dienst en dit met het oog op een controle van de medische toestand van verzoeker tijdens diens eendaags ziekteverlof. Er ligt derhalve geen op medische gronden gesteunde tegenspraak voor die het vermoeden van ziekte op de eerste ziektedag in de feiten weerlegt. Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat verzoeker voorafgaand had aangekondigd dat men op hem niet moest rekenen en dat hij gebruik zou maken van een dag afwezigheid zonder medisch getuigschrift, niet volstaat om, bij gebreke aan op medische gronden gestaafde feiten, dit feitelijk vermoeden van ziekte te weerleggen en te oordelen dat verzoeker op voorhand zich “wetens en willens” onttrok aan de geplande dienstverplichtingen. 10. Het (blote) argument “dat de controlearts in de regel pas op de tweede of derde dag afwezigheid de opdracht ter controle uitvoert” kan niet als een afdoende verklaring gelden voor het niet-bevelen van een medische controle van verzoekers ziekteverlof. De tuchtoverheid moet zich namelijk zo organiseren dat zij in staat is haar bevoegdheden uit te oefenen overeenkomstig de geldende regels en beginselen. Praktische en organisatorische moeilijkheden binnen het bestuur, kunnen door dit bestuur niet worden ingeroepen als rechtvaardiging voor het niet organiseren van een controlebezoek en om vervolgens dit af te wentelen op verzoeker. Voorts is het – correcte – gegeven dat het zenden van een controlearts niet verplicht is, geen geldig motief om de feitelijke juistheid van het ingeroepen ziekteverlof te betwisten op grond van andere, niet-medische redenen. Indien de tuchtoverheid immers niet in bewijsnood wil verkeren omtrent de (al dan niet) waarachtigheid van verzoekers medische toestand op de eerste ziektedag, zal zij evenwel dat controleonderzoek moeten doen. Is voorts niet ter zake het gegeven dat verzoeker geen medisch getuigschrift heeft bijgebracht, nu dat te dezen geenszins verplicht was. Het niet-bijbrengen ervan kan dan ook geen rechtsgeldige conclusies à charge dan wel à décharge opleveren. XIV-38.593-11/13 Leidt tot slot evenmin tot een andere conclusie, het door de verwerende partij in haar laatste memorie aangevoerde argument dat verzoeker zich in de administratieve procedure niet heeft beroepen op enig argument dat hij die dag (effectief) ziek zou zijn geweest en dat louter de door verzoeker aangestelde vakbondsafgevaardigden hiervan zeer summier melding maakte. Dit stelt immers de tuchtoverheid niet vrij van haar plicht de voormelde statutaire bepalingen en de materiëlemotiveringsplicht na te leven en aldus een wettige beslissing te nemen. 11. Uit wat voorafgaat volgt dat de tuchtoverheid haar beoordelingsbevoegdheid inzake de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, heeft overschreden. Bovendien schendt de hogere tuchtoverheid de materiëlemotiveringsplicht daar de motieven die leidden tot het bewezen zijn van ²de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, niet deugdelijk zijn. 12. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de betreden beslissing. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.593-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.593-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.461 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.