id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.465 Rolnummer: A. 236053/XIV-38999 Zaak: Arrest 258465 - Tucht (openbaar ambt) - 17/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-06-14 03:21 Fiche Arrest nr 258.465 van 17 januari 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIV KAMER nr. 258.465 van 17 januari 2024 in de zaak A. 236.053/XIV-38.999 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5355 VOORKEMPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrien Crauwels kantoor houdend te 2610 Antwerpen Sneeuwbeslaan 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de lokalepolitiezone van 14 februari 2022 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf inhouding van wedde van 5 % gedurende één maand wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-1/27 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
- Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daphné Van Eynde, die loco Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker en advocaat Koen Clonen die loco Katrien Crauwels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten en wettelijk kader 3.
- Verzoeker is eerste commissaris van politie bij de verwerende partij. Met ingang van 1 maart 2022 maakt verzoeker deel uit van de Federale politie. 3.
- Op 27 augustus 2020 stelt de korpschef bij e-mail het politiecollege in kennis gesteld dat lastens verzoeker op 26 augustus 2020 een proces-verbaal werd opgesteld inzake “vermeende opzettelijke slagen en/of verwondingen aan een persoon die zich in een kwetsbare toestand bevindt, door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-2/27 3.
- De gewone tuchtoverheid richt op 3 september 2020 een aanvraag aan het parket tot inzage in het strafdossier en toelating om dit te gebruiken in tuchtzaken. De procureur des Konings weigert bij brief van 7 september 2020 het politiecollege inzage in het dossier uit bezwaar tegen het voeren van een parallel voorafgaand onderzoek. 3.
- Op 15 maart 2021 meldt de procureur des Konings dat “zijn ambt in voormeld dossier op strafrechtelijk vlak de volgende beslissing heeft genomen: het dossier werd zonder gevolg gerangschikt met de motivering ‘voorrang aan de tuchtrechtelijke afhandeling’”. 3.
- Op 19 april 2021 stelt de gewone tuchtoverheid een voorafgaand onderzoeker aan. De gewone tuchtoverheid neemt op 7 juni 2021 kennis van het eindverslag van 31 mei 2021, waarvan de gewone tuchtoverheid op 7 juni 2021 kennis neemt. 3.
- Op 28 juni 2021 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10 % gedurende twee maanden op te leggen. 3.
- Verzoeker vraagt gehoord te worden door het politiecollege. Op 30 juli 2021 beslist de voorzitter van het politiecollege bij hoogdringendheid eerste commissaris van politie C. te machtigen om verzoeker op 2 augustus 2021 te horen. Verzoeker wordt die dag gehoord. 3.
- Op 9 augustus 2021 bekrachtigt het politiecollege de beslissing van de voorzitter van het politiecollege van 2 augustus 2021 en formuleert het in artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) bedoelde voorstel van zware tuchtstraf, met name de inhouding van wedde van 10 % gedurende twee maanden. Tevens vraagt het politiecollege ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-3/27 in toepassing van artikel 24 van de tuchtwet advies aan de procureur des Konings. Deze verleent zijn (eensluidend) advies op 13 augustus
- 3.
- Op 16 augustus 2021 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10 % gedurende twee maanden op te leggen. 3.
- Op 16 december 2021 adviseert de Tuchtraad in hoofdorde ‘dat het gepast is af te zien van een tuchtstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn’, en in ondergeschikte orde dat het eerste feit (het gebruiken van ongepast lichte dwang) niet bewezen is, dat het tweede feit wel bewezen is en een tuchtinbreuk uitmaakt, en dat de inhouding van wedde van 10 % gedurende één maand een meer gepaste straf is. 3.
- Op 17 januari 2022 formuleert de hogere tuchtoverheid de intentie om van het advies van de Tuchtraad af te wijken (wat het advies in hoofdorde betreft). Op 4 februari 2022 dient verzoeker zijn aanvullend verweer in tegen dit voornemen. 3.
- Op 14 februari 2022 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 5 % gedurende één maand op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-4/27 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift in een eerste middel op zeer omstandige wijze de schending aan van de redelijke termijn als beginsel van behoorlijk bestuur, van artikel 56 van de tuchtwet, van de verjaring, en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel als volgt samen in zijn verslag: “Dit middel wordt in het verzoekschrift in essentie als volgt ontwikkeld en toegelicht:
(1)Met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad zet de verzoeker uiteen dat artikel 56, tweede lid van de tuchtwet in geval van een lopend strafrechtelijk onderzoek slechts de mogelijkheid biedt om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen, maar dat dit geen verplichting is, en dat dit strafrechtelijk onderzoek de tuchtoverheid niet vrijstelt van de plicht om het nodige te doen om de tuchtprocedure zo spoedig als mogelijk op gang te brengen. De tuchtoverheid mag aldus geen passieve houding aannemen. De verzoeker wijst er op dat de tuchtoverheid, behoudens haar initieel schrijven aan de procureur van 3 september 2020 geen enkel initiatief meer heeft genomen en passief heeft gewacht tot de procureur bij schrijven van 15 maart 2021 het strafdossier heeft overgemaakt. De tuchtoverheid heeft dan tot 19 april 2021 gewacht om een voorafgaand onderzoeker aan te stellen, zodat zij bijna acht maanden volledig passief is gebleven, zodat de redelijke termijn geschonden is aangezien zij niet de nodige stappen heeft genomen om de nodige informatie in te winnen. In het bijzonder moet daarbij ook gewezen worden op: - het belang van de zaak voor verzoeker aangezien het gaat om tuchtrechtelijke verwijten die niet min zijn en waarvoor de tuchtoverheid reeds initieel een zware tuchtstraf voor ogen had; - de feiten dateren reeds uit het jaar 2018, zodat een spoedige voortgang aangewezen was; - het was reeds op het eerste gezicht duidelijk dat er een achtergrond van afrekeningsdrang en naijver meespeelde: waarom anders zou een personeelslid dat kennis heeft van feiten twee jaar wachten alvorens de Korpschef in te lichten. - de zaak is niet complex; - verzoeker heeft zijn volledige medewerking verleend.
(2)Verzoeker meent dat tevens artikel 56 van de tuchtwet geschonden is op grond van de volgende redenering: De startdatum van de in artikel 56, eerste lid van de tuchtwet bedoelde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-5/27 verjaringstermijn van zes maanden gaat pas in wanneer de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige gegevens beschikt, maar wanneer zij nalaat om tijdig het nodige te doen om daar zo spoedig als mogelijk over te beschikken, dan verwerkt zij haar recht om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet. Aldus moet vastgesteld worden dat de verjaringstermijn van zes maanden (artikel 56, eerste lid tuchtwet) reeds lang verstreken was sinds de tuchtoverheid op 27 augustus 2020 kennis heeft gekregen van de melding dat er een proces-verbaal lastens verzoeker was opgesteld.
(3)De tuchtoverheid reduceert de tuchtstraf, in afwijking van het advies van de Tuchtraad (inhouding van wedde van 10 % gedurende één maand), verder tot de zware tuchtstraf van inhouding van wedde van 5 % gedurende één maand, en dit omdat zij rekening wil houden met de redelijke termijnvereiste, hoewel zij van oordeel is dat de redelijke termijn niet geschonden is. De tuchtoverheid stelt aldus te willen ‘anticiperen’ op het oordeel van de Raad van State dat de redelijke termijn wel geschonden is. De tuchtoverheid meent aldus dat de schending van de redelijke termijn niet noodzakelijk tot het bevoegdheidsverlies van de tuchtoverheid moet leiden, maar dat ook een lichtere straf kan opgelegd worden. De verzoeker meent dat de tuchtoverheid het zorgvuldigheidsbeginsel miskent door tegelijkertijd warm en koud te blazen: enerzijds betwist zij dat de redelijke termijn zou miskend zijn, maar anderzijds probeert ze toch te remediëren aan die miskenning door een lagere straf op te leggen. De tuchtoverheid erkent aldus impliciet maar zeker dat de redelijke termijn is overschreden, maar gaat niet op zorgvuldige wijze na of en zo ja, in welke vorm, remediëring mogelijk is, hier in begrepen de stopzetting van de tuchtrechtelijke vervolging.”
- In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker, dat de verwerende partij ten onrechte meent dat hij zijn recht zou hebben verwerkt om de schending van de redelijke termijneis op te werpen. In deze toont de verwerende partij niet aan noch stelt zij zelfs dat verzoeker op één of andere wijze verregaand lichtzinnig of welbewust zou hebben gehandeld met als enig oogmerk dat zij het kwestieuze gebrek zou rechtzetten, nu het gebrek ook niet kon worden rechtgezet gelet het zich reeds voordeed voor de aanvang van de tuchtprocedure. Daarenboven is de schending van de redelijke termijn in de procedure voor de Tuchtraad ter kennis gekomen van de tuchtoverheid op een moment dat deze er ook een standpunt over kon innemen, zodat er volgens verzoeker dan ook geen enkele reden is om tot enige verwerking van zijn recht te besluiten. De herneming van het standpunt van het politiecollege omtrent haar visie over het advies van de Tuchtraad zoals gemotiveerd in de bestreden beslissing, doet volgens verzoeker hieraan niet af. Temeer nu de verwerende partij het al dan niet moeten, dan wel mogen of kunnen, afwachten van het verloop van het strafonderzoek verwart met het zich aanmeten van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-6/27 passieve houding. Het is niet omdat men het verloop van een strafonderzoek afwacht dat men dit passief kan doen, gewoon wachten en niets doen. In lijn met de in het verzoekschrift aangehaalde rechtspraak is verzoeker de mening toegedaan dat de tuchtoverheid zich een actieve houding dient aan te meten, op zijn minst impliceert dit dat op tijd wordt geïnformeerd bij de diensten van het Openbaar Ministerie over het verloop van het strafonderzoek, wat in casu niet is geschied. Verzoeker argumenteert aan de hand van het zorgvuldigheidsbeginsel dat de tuchtoverheid in het geval zij zou menen dat er moet worden geremedieerd aan de schending van de redelijke termijneis, zij een onderzoek moet doen of een remedie in dit concreet geval wel kan volstaan in een zogenaamde strafvermindering, of er niet moet worden overgegaan tot een volledige stopzetting van de vervolging. Niettegenstaande verzoeker zich niet in de plaats kan stellen van de tuchtoverheid kan volgens hem een belangrijk element daartoe het concrete tijdsverloop zijn, alwaar finaal slechts in 2022 een tuchtbesluit volgt omtrent een feit dat zich heeft voorgedaan in
- Dergelijke zorgvuldigheid heeft de tuchtoverheid niet aan de dag gelegd, noch heeft zij een dergelijk onderzoek gevoerd. Het enige wat de tuchtoverheid volgens verzoeker heeft gedaan is een strafvermindering doorvoeren om te ‘anticiperen’ op een oordeel van de Raad van State, terwijl uit niets blijkt dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft gevoerd omtrent een passende reactie op een gebeurlijke overschrijding van de redelijke termijn. De tuchtoverheid heeft gehandeld alsof het volstaat om tot een strafvermindering te besluiten, terwijl er eveneens kon worden overgegaan tot een stopzetting van de vervolging.
- In zijn laatste memorie laat verzoeker gelden dat, niettegenstaande het correct is dat de procureur des Konings in zijn schrijven van 7 september 2020 heeft gemeld dat er bezwaar is tegen een parallel onderzoek en dat deze de overheid verder op de hoogte zal houden, dit niet tot gevolg mag hebben dat daarom de tuchtoverheid inert kan blijven afwachten alwaar een meer actieve houding het openbaar ministerie tot vlugger handelen kan aanzetten. Het is inderdaad nooit zeker of het openbaar ministerie alsdan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-7/27 vlugger zou gehandeld hebben maar indien de tuchtoverheid te kennen brengt dat een vlugge(re) afhandeling wenselijk is bestond daar minstens een gerede kans toe. Dat de tuchtoverheid het verloop van het strafonderzoek ‘achter de schermen’ volgde middels kennisname van verzoekers verzoeken tot kosteloze rechtshulp is volgens verzoeker net geen reden waarom zij gewoon inert kon blijven. Bovendien kon de tuchtoverheid uit zijn eerste aanvraag tot kosteloze rechtshulp afleiden dat hij op 16 november 2020 nog niet was verhoord, zodat zich op dat ogenblik de vaststelling opdrong dat er zeker aanleiding was om zich een actieve houding aan te meten en het openbaar ministerie te bevragen zodat het onderzoek voortgang zou (kunnen) vinden. De duidelijke bewoordingen van de procureur des Konings dat hij de overheid op de hoogte zal houden van het gevolg dat aan het onderzoek zal worden verleend zijn volgens verzoeker in wezen standaard en evidente woorden gelet het een antwoord was op de enige bevraging door de overheid van 3 september 2020, zodat verzoeker dit geen argument vind om in redelijkheid te oordelen dat het opportuun zou zijn om het openbaar ministerie naderhand verder te bevragen. Dat de overheid dan naderhand, na ontvangst van het schrijven van de procureur des Konings nog een goede maand gewacht heeft alvorens een voorafgaand onderzoeker te gelasten is volgens verzoeker wel degelijk een al te lange termijn, mede in acht genomen het gegeven dat het reeds een feit uit 2018 betreft en een opsporingsonderzoek was gevoerd. Bovendien was het strafdossier van een bescheiden omvang, zodat niet kan worden ingezien waarom het een maand heeft moeten duren om dit te bestuderen en een voorafgaand onderzoeker te gelasten. Verzoeker benadrukt dat het feit reeds uit 2018 dateert nu dit een relevant gegeven betreft om de tuchtrechtelijke afhandeling met nog meer dan gewone spoed te verzorgen, vermits de zaken niet langer dan noodzakelijk mogen blijven liggen en het verweten feit van jaren geleden dateert dit des te prangender maakt. Wat de schending van artikel 56 van de tuchtwet betreft benadrukt verzoeker, onder verwijzing naar het voorgaande dat de overheid niet inert mocht blijven gelet zij aldus heeft nagelaten om de nodige handelingen te stellen teneinde zo spoedig als mogelijk over voldoende en nauwkeurige gegevens te beschikken en zij zodoende haar recht heeft verwerkt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-8/27 om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Dit klemt volgens verzoeker des te meer nu de tuchtoverheid met haar inerte houding het zelf onmogelijk heeft gemaakt om een juiste datum te bepalen waarop zij in normale (niet inerte) omstandigheden over voldoende en nauwkeurige gegevens zou hebben beschikt. In dergelijk geval kan volgens verzoeker enkel worden teruggegrepen naar de datum van 27 augustus 2020, gelet er geen andere mogelijkheid is door het foutief handelen van de tuchtoverheid. Beoordeling
- Het auditoraat heeft het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift weergegeven in de zin als hiervoor (supra, punt 4). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht.
- Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het eerste middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “1.3.
- In dit middel wordt in essentie aangevoerd
(1)dat de redelijke termijn geschonden werd doordat de tuchtoverheid, nadat zij kennis gekregen had van het schrijven van de procureur van 3 september 2020, waarin meegedeeld werd dat een opsporingsonderzoek lastens verzoeker liep, geen enkel initiatief genomen heeft en passief het (volgend) schrijven van de procureur van 15 maart 2021, waarbij het strafdossier werd overgemaakt, heeft afgewacht. De tuchtoverheid heeft dan nog tot 19 april 2021 gewacht om een voorafgaand onderzoeker, zodat zij bijna 8 maanden volledig passief is gebleven (daarbij ook in acht genomen dat de feiten reeds dateren van 2018),
(2)dat de verjaringstermijn van zes maanden in artikel 56, eerste lid van de tuchtwet verstreken en geschonden is vermits de tuchtoverheid door haar passieve houding haar recht verwerkt heeft om artikel 56, tweede lid van de tuchtwet toe te passen, en
(3)dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd miskend doordat de strafmaat in vergelijking met het advies van de Tuchtraad nog verder gereduceerd wordt om te remediëren aan/anticiperen op een mogelijke vaststelling (door de Raad van State) dat de redelijke termijn geschonden is, terwijl die vaststelling in voorkomend geval tot de conclusie moet leiden dat de tuchtrechtelijke vervolging moet stopgezet worden. 1.3.
- In zoverre de verzoeker in het middel de schending van de redelijke termijn inroept, werpt de verwerende partij in haar memorie vooreerst op dat verzoeker zijn recht verwerkt heeft om de schending van de redelijke termijn in te roepen, in essentie omdat hij deze schending in de loop van de tuchtprocedure voor het politiecollege op geen enkel ogenblik heeft ingeroepen, en dat hij daarentegen zelf in zijn verweer heeft opgeworpen dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-9/27 de tuchtprocedure moest geschorst worden tot er duidelijkheid was over de strafklacht die hij tegen de korpschef wegens laster en eerroof had ingediend. Inzake de ontvankelijkheid van het inroepen van de schending van de redelijke termijn heeft de Raad in een gelijkaardige zaak als volgt geoordeeld: “In de mate dat de verwerende partij haar exceptie evenwel in de laatste memorie behoudt “in zoverre [in het middel] ten onrechte een aangevoerde schending van het vereiste van de redelijke termijn zou worden gelezen,” omdat verzoeker een dergelijk middelonderdeel niet heeft aangevoerd en de uitgebreide overwegingen vanwege de tuchtoverheid tijdens de administratieve procedure volkomen heeft genegeerd, volstaat zulks niet om aan verzoeker het verder belang bij het aanvoeren van deze onregelmatigheid te ontzeggen. De zware sanctie van het verval van het recht om onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen kan immers slechts uitzonderlijk worden toegepast en de bewijslast berust bij het bestuur. De verwerende partij toont te dezen niet aan dat zulks de emanatie is van een bewuste keuze van verzoeker over de wijze waarop hij zich zou verdedigen, met andere woorden dat hij aldus welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid over de beweerde schending van de redelijketermijnvereiste is heengestapt om zodoende te vermijden dat het bestuur - voor zover mogelijk - het eventuele gebrek in de procedure zou rechtzetten, en om zich dan, als het bestuur zijn beslissing genomen heeft, bij de Raad van State over de miskenning van zijn rechten te gaan beklagen.” (RvS, 24 april 2018, nr. 241.286). Uit deze rechtspraak blijkt dat de zware sanctie van het verval van het recht om een onregelmatigheid als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen slechts uitzonderlijk kan worden toegepast en dat de bewijslast bij het bestuur berust. De loutere vaststelling dat de verzoeker de schending van de redelijke termijn tijdens de procedure voor het politiecollege niet heeft opgeworpen volstaat op zich dus niet om te besluiten dat hij zijn recht verwerkt heeft om deze schending alsnog op te werpen. De verwerende partij wijst er evenwel op dat verzoeker tijdens de procedure voor het politiecollege in zijn verweer zelf om het opschorten van de tuchtprocedure heeft verzocht omwille van de strafklacht wegens laster en eerroof die hij tegen de korpschef had ingediend. In bijlage bij het verweerschrift dat verzoeker ingediend heeft naar aanleiding van het inleidend verslag wordt inderdaad een schrijven van zijn advocaat van 16 april 2021 gevoegd waarin het volgende te lezen staat: “(…) Mijn cliënt legt een klacht neer die rechtstreeks verband houdt met bovenvermeld dossier voor onder andere laster en eerroof. Met dit schrijven verzoek ik u alvorens enige beslissing te nemen, het gevolg dat aan deze klacht zal worden gegeven af te wachten en rekening te willen houden met mijn tussenkomst.” Met betrekking tot dit schrijven van 16 april 2021 wordt vastgesteld dat het zich op het einde van de verstreken termijn (3 september 2020 – 19 april 2021), op grond waarvan verzoeker de redelijke termijn geschonden acht, situeert. In die omstandigheden meen ik dat dit schrijven van 16 april 2021 niet tot de conclusie kan leiden dat de verzoeker zijn recht verwerkt heeft om de schending van de redelijke termijn (door het passief laten verstrijken van de termijn van 3 september 2020 tot 19 april 2021) aan te voeren. 1.3.3.Wat de grond van de ingeroepen schending van de redelijke termijn betreft: De Tuchtraad is in zijn advies tot de conclusie gekomen dat de redelijke termijn geschonden is op grond van de volgende overwegingen: “De vraag die zich nu stelt is of de tuchtoverheid de nodige stappen heeft genomen inzake om deze kennis te verwerven met andere woorden of zij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-10/27 voldoende diligent gehandeld heeft teneinde de kennis van de feiten te verwerven en of zij aldus de redelijke termijn overschreden heeft. Het staat vast en wordt niet betwist dat de tuchtoverheid van 7 september 2020 tot 19 april 2021 geen stappen ondernomen heeft om zich te informeren nopens de feiten die haar ter kennis zijn gebracht op 27 augustus
- Het feit dat de tuchtoverheid “achter de schermen” het verloop van de strafprocedure volgde doet daar geen afbreuk aan. Het is juist door te informeren naar het opsporingsonderzoek bij de procureur des Konings dat ze de eventuele inertie van dit onderzoek kan accelereren en niet door achter de schermen lijdzaam toe te zien. De redenering dat een eventuele bevraging het opsporingsonderzoek niet zou versneld hebben nu de verzoeker pas op 9 februari 2021 verhoord werd, is eigenlijk een omgekeerde redenering. Het is juist door een eventuele bevraging bij de bevoegde instantie dat dit verhoor had kunnen versneld worden en achteraf opwerpen dat de verzoeker toch maar in februari 2021 verhoord werd, zodat de bevraging geen noemenswaardige versnelling in de behandeling van het tuchtdossier zou gebracht hebben is niet correct en verrechtvaardigd (sic) niet het lijdzaam toezien van de tuchtoverheid gedurende zeven maanden. Door dit gebrek aan diligentie werd de redelijke termijn geschonden.” De tuchtoverheid overweegt in de bestreden beslissing (in haar intentie om af te wijken van het advies van de Tuchtraad) het volgende: “De hogere tuchtoverheid meent dat gelet op de concrete omstandigheden van het dossier er geen sprake kan zijn van een schending van de redelijke termijneis. De Raad van State oordeelde reeds dat wat de schending betreft van de redelijketermijnvereiste, er geen absolute drempel bestaat waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is, De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt immers in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria: de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen. De enkele kritiek dat een procedure lang heeft geduurd en, meer algemeen, de absolute tijdsduur ervan, volstaat aldus op zich niet om te besluiten tot het onredelijk karakter ervan. Te dezen komt het aan verzoeker toe voldoende aannemelijk te maken dat die duur, in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de voormelde criteria, abnormaal lang is (RvS, 26 juni 2019, nr. 244.962, […]). In de mate dat het advies van de Tuchtraad louter verwijst naar de tijd tussen de melding van het parket dat geen inzage werd verleend in het strafdossier en de aanstelling van de voorafgaand onderzoeker, kan die vaststelling dus niet volstaan om te besluiten tot en schending van de redelijketermijneis. De schending van de redelijketermijneis moet steeds in concreto worden beoordeeld. In casu wordt niet betwist dat op 27 augustus 2020 de hogere tuchtoverheid onvoldoende kennis had van de feiten om een tuchtprocedure te starten, zodat de verjaringstermijn niet begon te lopen (toepassing van Art. 56, al, 2 Tuchtwet). Op 3 september 2020 vraagt de hogere tuchtoverheid om inzage in het strafdossier (stuk 3 tuchtdossier). Op 7 september 2020 antwoordt de procureur des Konings (stuk 4 tuchtdossier): • Dat geen inzage in het dossier kan worden verleend om het onderzoek niet in het gedrang te brengen; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-11/27 • Dat er bezwaar is tegen het voeren van een parallel voorafgaand onderzoek; • Dat de hogere tuchtoverheid op de hoogte zal worden gehouden van het gevolg dat aan het onderzoek wordt gegeven. Het was aldus uitgesloten dat de hogere tuchtoverheid vooraleer verder bericht van de procureur des Konings te hebben ontvangen een voorafgaand onderzoeker kon aanstellen. Daarmee werd de hogere tuchtoverheid meteen de mogelijkheid ontnomen verdere klaarheid in de feiten te brengen. Het opsporingsonderzoek mocht volgens de procureur des Konings niet in het gedrang worden gebracht. Daarenboven moet worden opgemerkt dat er geen aanleiding was om sneller naar de stand van zaken te informeren, daar de procureur des Konings had aangegeven dat hij zelf de hogere tuchtoverheid zou informeren over het gevolg dat aan de zaak werd gegeven. Op 15 maart 2021 laat de procureur des Konings inderdaad op eigen initiatief weten dat het dossier zonder gevolg werd gerangschikt en wordt meteen een afschrift van het strafdossier bezorgd (stuk 7 tuchtdossier). Uit de chronologie van de feiten blijkt ook dat het op eigen initiatief informeren door de hogere tuchtoverheid naar de stand van zaken geen noemenswaardige versnelling in de behandeling van het tuchtdossier tot gevolg zou hebben gehad. Uit het strafdossier blijkt immers dat verzoeker pas op 9 februari 2021 werd verhoord in het raam van het opsporingsonderzoek. Vóór die datum om inzage vragen was dus nutteloos zijn geweest. Dat de procureur des Koning vervolgens zijn tijd nam tot 15 maart 2021, een ruime maand, om kennis te nemen van het volledige dossier en te beslissen over het gevolg dat hij zou geven aan het dossier is in het licht van de redelijketermijneis geenszins onredelijk. Zelfs een vraag om inzage door de hogere tuchtoverheid eind februari of begin maart had wellicht niet geleid tot een snellere inzage in het strafdossier; hooguit, in het beste geval, van enkele dagen of weken. Daarenboven kon de hogere tuchtoverheid op grond van andere stukken de voortgang van het opsporingsonderzoek volgen. Op 16 november 2020 besliste het politiecollege immers een eerste keer over een verzoek tot kosteloze rechtshulp van verzoeker in toepassing van artikel 52 van de Wet op het Politieambt. Uit de aanvraag dd. 2 november 2020 bleek dat verzoeker door de AIG nog steeds niet was uitgenodigd om te worden gehoord als verdachte. Onder meer om die reden werd de aanvraag geweigerd. Het was aldus duidelijk dat om een inzage in het strafdossier vragen op dat ogenblik geen enkel resultaat zou opleveren. Op 1 februari 2021 besliste het politiecollege opnieuw over een nieuwe aanvraag tot kosteloze rechtshulp in toepassing van artikel 52 van de Wet op het Politieambt. Uit de aanvraag dd. 31 januari 2021 bleek dat verzoeker door de AIG was uitgenodigd om te worden gehoord als verdachte op 9 februari 2021.Het was aldus duidelijk dat om een inzage in het strafdossier vragen op dat ogenblik geen enkel resultaat zou opleveren. Korte tijd nadien, op 15 maart 2021, verschafte de procureur des Konings op eigen initiatief inzage in het strafdossier. Deze chronologie en de concrete omstandigheden van het dossier tonen aan dat van een schending van de redelijketermijneis in casu geen sprake is. Dat de hogere tuchtoverheid vervolgens een maand de tijd neemt om kennis te nemen van het strafdossier en een voorafgaand onderzoeker aan te stellen is evenmin onredelijk lang. Ten overvloede wordt overigens opgemerkt dat u tot op het ogenblik van het indienen van het aanvullende verweer op 04.02.2022 op geen enkel ogenblik zelf heeft geopperd dat de redelijketermijneis werd geschonden. Wel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-12/27 integendeel, volgens u moest ook de behandeling van de ingediende strafklacht lastens de korpschef worden afgewacht door de hogere tuchtoverheid. De Tuchtraad meent ten onrechte dat de termijn van zeven maanden tussen de melding van de feiten en de aanstelling van de voorafgaand onderzoeker op zich onredelijk is. Allereerst mag enkel de periode van 7 september 2021 tot 15 maart 2021 in aanmerking worden genomen; dit zijn slechts zes maande. Bij de beoordeling van de redelijketermijneis moeten immers alle periodes in de besluitvorming afzonderlijk op hun redelijke duur worden beoordeeld luidens de rechtspraak. De periode van één maand om de kennisgeving door het parket van het strafdossier te agenderen op het politiecollege, om het strafdossier door te nemen en om vervolgens een voorafgaand onderzoeker aan te stellen, is alleszins niet onredelijk lang. Daarenboven is de termijn van zes maanden niet ipso facto onredelijk. In het arrest […] van de Raad van State (RvS 29 maart 2012, nr. 218.702) geciteerd in het advies van de Tuchtraad wordt het niet informeren naar de stand van zaken bij het parket gedurende zes maanden niet in strijd geacht met de redelijketermijneis en dit wordt niet beschouwd als een passief blijven van de tuchtoverheid (p. 7 advies Tuchtraad, voetnoot 4). Er valt niet in te zien waarom dit in casu dan wel een schending van de redelijketermijneis zou zijn, temeer in dit concrete geval het parket uitdrukkelijk een parallel onderzoek heeft verboden én heeft meegedeeld dat het zelf de tuchtoverheid zou informeren over het gevolg dat aan het onderzoek zou worden gegeven. Het parket heeft dit ook gedaan. Naar wat gebruikelijk is ter zake, moet overigens opgemerkt worden dat een opsporingsonderzoek voeren en afronden binnen een termijn van zes maanden bijzonder snel is. De Tuchtraad meent dat door wél te informeren naar de stand van het opsporingsonderzoek de behandeling van het dossier had kunnen worden versneld. Deze stelling wordt echter door niets onderbouwd en wordt tegengesproken door de feitelijke vaststelling (in andere dossiers) dat een tuchtoverheid steeds zeer vaak moet informeren naar de stand van een opsporingsonderzoek, vooraleer inzage in het dossier wordt verleend, en dat het aantal dergelijke herinneringen geen impact heeft op de duur van het opsporingsonderzoek. Daarnaast weze het herhaald dat het voeren en afronden van een opsporingsonderzoek over een tijdspanne van zes maanden zeer snel is, volgens wat gebruikelijk is.” Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestaat er inzake de redelijke termijn vereiste geen absolute drempel waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt immers in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria: de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen. De enkele kritiek dat een procedure lang heeft geduurd en, meer algemeen, de absolute tijdsduur ervan, volstaat aldus op zich niet om te besluiten tot het onredelijk karakter ervan. Te dezen komt het aan verzoeker toe voldoende aannemelijk te maken dat die duur, in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de voormelde criteria, abnormaal lang is (o.a. RvS, 26 juni 2019, nr. 244.962). De verzoeker situeert de schending van de redelijke termijn hier, in navolging van de Tuchtraad, in de periode die verstreken is tussen 3 september 2020 (schrijven politiecollege aan procureur) en anderzijds 15 maart 2021 (schrijven procureur waarbij strafdossier meegedeeld werd) en 19 april 2021 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-13/27 (aanstelling voorafgaand onderzoeker). Uit de overwegingen van de Tuchtraad blijkt dat deze de redelijke termijn geschonden acht, in essentie, doordat de tuchtoverheid in die periode geen stappen ondernomen heeft ‘om zich te informeren nopens de feiten’. Aldus lijkt de Tuchtraad van oordeel dat de loutere vaststelling van deze passiviteit op zich volstaat om te besluiten dat de redelijke termijn geschonden werd. Nochtans blijkt uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak dat de vraag of de redelijke termijn geschonden is in concreto moet beoordeeld worden, aangezien de omstandigheden van de zaak (complexiteit van de zaak, houding van de betrokkene en de bevoegde autoriteiten, het belang van de zaak) in acht genomen moeten worden. Hier moet vooreerst vastgesteld worden, zoals de verwerende partij ook benadrukt, dat de procureur in zijn schrijven van 7 september 2020 aan het politiecollege het volgende meegedeeld heeft: “(…)Teneinde het onderzoek niet in het gedrang te brengen kan hic et nunc geen inzage in het dossier verleend worden, noch de toestemming er een afschrift van te bekomen. Tevens is er bezwaar tegen het voeren van een parallel voorafgaand onderzoek. Er dringen zich geen te nemen bezwarende maatregelen op lastens CP XXXX. U wordt verder op de hoogte gehouden van het gevolg dat aan het onderzoek zal worden verleend.” De Tuchtraad betrekt deze mededelingen in het geheel niet in zijn oordeel dat de redelijke termijn geschonden werd, hoewel deze mededelingen moeilijk mis begrepen kunnen begrepen worden, met name dat een eigen onderzoek door de tuchtoverheid verboden wordt en dat zij op de hoogte gehouden zal worden van het gevolg dat aan het onderzoek zal worden gegeven. In die concrete omstandigheden is het niet kennelijk onredelijk dat de tuchtoverheid geoordeeld heeft dat het niet zinvol was, minstens de eerstvolgende maanden, de procureur aan te schrijven om naar een stand van zaken te informeren. Dat een dergelijk schrijven het opsporingsonderzoek had kunnen accelereren, zoals de Tuchtraad aanneemt, is allerminst zeker en eerder zeer twijfelachtig, gelet op de duidelijke mededelingen in het schrijven van de procureur van 7 september
- Verder meent de Tuchtraad dat het feit dat de tuchtoverheid “achter de schermen” het verloop van de strafprocedure volgende geen verschoning biedt om de procureur niet aan te schrijven. Nochtans is duidelijk dat de tuchtoverheid op die manier wel degelijk kennis had van de stand van zaken in het opsporingsonderzoek. Uit de behandeling van de twee verzoeken tot kosteloze rechtshulp die verzoeker ingediend heeft blijkt dat [verzoeker] respectievelijk op 16 november 2020 nog niet verhoord was in het opsporingsonderzoek en dat hij op 9 februari 2021 uitgenodigd was om verhoord te worden. De tuchtoverheid had aldus op die tijdstippen wel degelijk een concreet zicht op de stand van zaken van het opsporingsonderzoek. Het is in die omstandigheden niet kennelijk onredelijk dat zij geoordeeld heeft dat het geen zin had de procureur aan te schrijven om te informeren naar een stand van zaken. De Tuchtraad meent dat dit het opsporingsonderzoek had kunnen accelereren. Zoals reeds gesteld lijkt het mij niet kennelijk onredelijk dat de tuchtoverheid geoordeeld heeft dat dit niet opportuun was gelet op de duidelijke bewoordingen in het schrijven van de procureur van 7 september
- Daarbij moet ook opgemerkt worden dat men bezwaarlijk van een mogelijke ‘inertie’ in het opsporingsonderzoek kan gewagen, nu de periode tussen de twee schrijvens van de procureur iets meer dan zes maanden beslaat, hetgeen redelijkerwijze niet als een buitensporig lange duur van het opsporingsonderzoek kan beschouwd worden. In zoverre de verzoeker er ook nog op wijst dat de tuchtoverheid na ontvangst van het strafdossier nog een maand gewacht heeft om een voorafgaand ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-14/27 onderzoeker aan te stellen, is ook dit, zoals uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt, niet onredelijk lang (“De periode van één maand om de kennisgeving door het parket van het strafdossier te agenderen op het politiecollege, om het strafdossier door te nemen en om vervolgens een voorafgaand onderzoeker aan te stellen, is niet onredelijk lang”). In zoverre de verzoeker ook het gegeven betrekt dat de feiten dateren van 2018 verduidelijkt hij verder niet hoe dit de schending van de redelijke termijn aantoont, terwijl hij niet betwist dat de tuchtoverheid pas op 27 augustus 2020 kennis heeft gekregen van de feiten, dat de procureur op 7 september 2020 meegedeeld heeft dat geen parallel onderzoek mocht gevoerd worden, en dat de procureur pas op 15 maart 2021 het strafdossier heeft overgemaakt. In die omstandigheden kan de loutere vaststelling dat de feiten dateren van 2018 niet aantonen dat de redelijke termijn werd miskend. Concluderend meen ik dat kan gesteld worden dat het standpunt van de Tuchtraad enkel gesteund is op de afwezigheid van een schrijven aan de procureur, daarbij volledig abstractie makend van de concrete elementen in het dossier die in redelijkheid verantwoorden waarom de tuchtoverheid geoordeeld heeft dat een schrijven aan de procureur om naar een stand van zaken in het opsporingsonderzoek (nog) niet aan de orde was. Ik meen dat het eerste middel ongegrond is in zoverre het de schending van de redelijke termijn aanvoert. 1.3.
- In zoverre in het middel de schending van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet ingeroepen wordt: Dit argument wordt geconcipieerd op basis van het uitgangspunt dat de tuchtoverheid door haar passieve houding haar recht verwerkt heeft om artikel 56, tweede lid van de tuchtwet toe te passen. De verzoeker concludeert daaruit dat de verjaringstermijn van zes maanden, bedoeld in artikel 56, eerste lid van de tuchtwet, reeds lang verstreken was en dat de datum van 27 augustus 2020 (datum waarop de hogere tuchtoverheid kennis heeft gekregen van de melding dat een PV lastens verzoeker opgesteld was) als aanvang van de verjaringstermijn van zes maanden in acht moet genomen worden. Dit argument kan om meerdere redenen niet aangenomen worden. Vooreerst kan er van een verwerking van haar recht om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet geen sprake zijn, zoals uit de beoordeling onder punt 1.3.3 is gebleken: dat de tuchtoverheid de procureur niet heeft aangeschreven om te informeren naar de stand van zaken in het opsporingsdossier heeft niet belet dat zij wel degelijk een voldoende duidelijk zicht had op de stand van het opsporingsonderzoek en dat zij aldus gerechtigd was het resultaat van de strafprocedure af te wachten alvorens de tuchtprocedure in te leiden. In zoverre dit onderdeel steunt op het uitgangspunt dat de tuchtoverheid door haar passieve houding haar recht verwerkt heeft om toepassing te maken mist aldus grondslag. Ook in de hypothese dat de tuchtoverheid haar recht om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid van de tucht verwerkt heeft kan dit argument niet bijgevallen worden: door het verwerken van haar recht om artikel 56, tweede lid van de tuchtwet toe te passen – hetgeen impliceert dat de tuchtoverheid onvoldoende kennis heeft van de feiten – zou moeten aangenomen worden dat de tuchtoverheid reeds op 27 augustus 2020 (kennisname dat een PV lastens verzoeker was opgesteld) voldoende kennis van de feiten had. Deze redenering gaat niet op. De verzoeker betwist niet dat de tuchtoverheid aanvankelijk het recht had om toepassing te maken van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet en het resultaat van de strafprocedure kon afwachten. Wanneer dan zou blijken dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-15/27 de tuchtoverheid te passief het resultaat van de strafprocedure afwacht, dan kan dit het verval van de tuchtvervolging tot gevolg hebben omdat de tuchtoverheid op die manier te veel tijd neemt alvorens de tuchtprocedure in te leiden en aldus de redelijke termijn schendt. Uit die vaststelling, in voorkomend geval, kan van de weeromstuit niet aangenomen worden dat de tuchtoverheid reeds vroeger een voldoende kennis had van de feiten om de tuchtprocedure in te leiden. Dit blijkt ook hier zo te zijn: de verzoeker stelt de kennisname van 27 augustus 2020 van de melding dat er een PV lastens verzoeker was opgesteld als aanvangsdatum voor de verjaringstermijn van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet voorop, terwijl die kennisname slechts een omschrijving in algemene bewoordingen van de tenlastelegging betrof, die geenszins het inleiden van de tuchtprocedure mogelijk maakte. In zoverre in het middel de schending van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet aangevoerd wordt is het ongegrond. 1.3.
- In zoverre in het middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ingeroepen wordt: Het middel is op dit punt niet meteen heel transparant gesteld, in die zin dat niet geheel duidelijk is waardoor de verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht. Ik meen het middel zo te mogen begrijpen dat verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht
(1)doordat de tuchtoverheid enerzijds betwist dat de redelijke termijn geschonden is, en anderzijds de strafmaat aanpast voor het geval de redelijke termijn wel geschonden is, en
(2)doordat zij – aangenomen dat de redelijke termijn geschonden is – niet zorgvuldig onderzocht heeft hoe hieraan geremedieerd moest worden, inzonderheid door niet te overwegen de tuchtrechtelijke vervolging stop te zetten. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de tuchtoverheid ‘warm en koud blaast’ door enerzijds te betwisten dat de redelijke termijn geschonden is, en anderzijds de schending van de redelijke termijn toch in aanmerking neemt bij het bepalen van de strafmaat, lijkt het mij duidelijk dat uit de motivering van de bestreden beslissing voldoende blijkt dat de tuchtoverheid in hoofdorde van oordeel is dat de redelijke termijn niet geschonden is (zie de omstandige motivering, aangehaald onder punt 1.3.3). Dat de tuchtoverheid ‘anticipeert’ op een mogelijk andersluidend oordeel van de Raad van State doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de tuchtoverheid meent dat de redelijke termijn niet geschonden is. Door de strafmaat aan te passen in functie van een mogelijk andersluidend oordeel van de Raad van State, handelt de tuchtoverheid niet onzorgvuldig. Zij houdt enkel rekening met een mogelijk andersluidend oordeel van de Raad, hetgeen niet als onzorgvuldig kan worden beschouwd. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de tuchtoverheid niet zorgvuldig onderzocht heeft hoe aan de miskenning van de redelijke termijn moest geremedieerd worden, mist dit argument grondslag nu de tuchtoverheid uitgegaan is van het standpunt dat de redelijke termijn niet geschonden is. Zoals uit de beoordeling hiervoor is gebleken toont de verzoeker het tegendeel ook niet aan. De tuchtoverheid heeft aldus niet onzorgvuldig geoordeeld door de stopzetting van de tuchtprocedure niet als remediëring voor de schending van de redelijke termijn in aanmerking te nemen. Dat de tuchtoverheid in die omstandigheden toch gemeend heeft de strafmaat nog te moeten verlichten toont op zich geen onzorgvuldigheid aan. De tuchtoverheid beschikt ter zake immers over een ruime discretionaire bevoegdheid en verzoeker is door deze lichtere straf niet geschaad. Voor zover ontvankelijk is het middel ongegrond in zoverre het de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert.” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-16/27 9. Verzoeker betwist deze conclusie, doch beperkt zich in zijn laatste memorie in essentie tot het herhalen op parafraserende wijze van zijn standpunt zoals uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van weder- antwoord. In zoverre hij alsnog wil benadrukken, voor wat de vermeende schending van de redelijke termijn betreft in de periode verstreken tussen 3 september 2020 (schrijven politiecollege aan de procureur des Konings) en anderzijds 15 maart 2021 (schrijven van de procureur des Konings waarbij strafdossier meegedeeld werd) en 19 april 2021 (aanstelling voorafgaand onderzoeker), dat, ondanks de procureur des Konings in zijn schrijven van 7 september 2020 heeft gemeld dat er bezwaar is tegen een parallel onderzoek en dat de overheid verder op de hoogte zal worden houden, niet tot gevolg mag hebben dat daarom de tuchtoverheid inert kan blijven afwachten alwaar een meer actieve houding het openbaar ministerie tot vlugger handelen had kunnen aanzetten, niettegenstaande het nooit zeker is of het openbaar ministerie alsdan vlugger zou gehandeld hebben maar er minstens een gerede kans op een vlugge(
- re)afhandeling bestond en niet kon worden ingezien waarom het een maand heeft moeten duren om het strafdossier, dat van een bescheiden omvang was, te bestuderen en een voorafgaand onderzoeker te gelasten, kan dit betoog niet worden bijgevallen. Zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag bestaat er, wat de schending van de redelijketermijnvereiste betreft, geen absolute drempel bestaat waaronder of waarboven de duur van een tucht- procedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is, nu de beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure immers gebeurt in het licht van de omstandigheden van de zaak, zodat de enkele kritiek dat een procedure lang heeft geduurd en, meer algemeen, de absolute tijdsduur ervan, op zich niet volstaat om te besluiten tot het onredelijk karakter ervan. Het komt aan verzoeker toe om voldoende aannemelijk te maken dat die duur, in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria (de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-17/27 wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen), abnormaal lang is. Het te dezen door verzoeker in zijn laatste memorie aangevoerde betoog toont niet aan dat, in het licht van de omstandigheden eigen aan de zaak, de redelijketermijnvereiste geschonden is, nu de door hem bijgebrachte argumenten geen afbreuk doen aan de vaststelling, zoals in het auditoraatsverslag terecht wordt aangegeven, dat
- i)gelet op de duidelijke mededelingen in het schrijven van de procureur des Konings van 7 september 2020 het allerminst zeker en eerder zeer twijfelachtig was dat een dergelijk schrijven het opsporingsonderzoek had kunnen accelereren,
- ii)uit de behandeling van de twee verzoeken tot kosteloze rechtshulp die verzoeker ingediend heeft bleek dat de tuchtoverheid op die tijdstippen wel degelijk een concreet zicht had op de stand van zaken van het opsporingsonderzoek en het in die omstandigheden niet kennelijk onredelijk was dat zij geoordeeld heeft dat het niet opportuun was de procureur de Konings aan te schrijven om te informeren naar een stand van zaken, gelet op de duidelijke bewoordingen in zijn schrijven van 7 september 2020, iii) bezwaarlijk van een mogelijke ‘inertie’ in het opsporingsonderzoek kan worden gewag gemaakt, nu de periode tussen de twee schrijvens (7 september 2020 en 15 maart 2021) van de procureur des Konings nauwelijks meer dan zes maanden beslaat, hetgeen redelijkerwijze niet als een buitensporig lange duur van het opsporingsonderzoek kan worden beschouwd en
- iv)de periode van één maand om de kennisgeving door het parket van het strafdossier te agenderen op het politiecollege, om het strafdossier door te nemen en om vervolgens een voorafgaand onderzoeker aan te stellen, niet onredelijk lang is. In zoverre verzoeker tot slot uit de beweerde schending van de redelijke termijn afleid dat de tuchtvordering zou verjaard zijn en dienaangaande argumenteert dat om de verjaring te beoordeling moet worden teruggegrepen naar de datum van 27 augustus 2020 (datum waarop het politiecollege per e-mail door de korpschef in kennis wordt gesteld dat er op 26 augustus 2020 een proces-verbaal werd opgesteld lastens verzoeker), volstaat de vaststelling dat deze louter geponeerde bewering geen afbreuk doet aan de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-18/27 dienaangaande in het auditoraatverslag omstandig onderbouwde weerlegging van verzoekers argumentatie. 10. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van het hoorrecht begrepen in artikel 29 van de tuchtwet en van het recht van verdediging. Het lid van het auditoraat vat de essentie van het middel als volgt samen in zijn verslag : “Dit middel wordt in het verzoekschrift in essentie als volgt ontwikkeld en toegelicht: De verzoeker stelt met verwijzing naar artikel 29 van de tuchtwet dat het recht om mondeling gehoord te worden voorzien is als een apart recht van verdediging, naast het indienen van een verweerschrift. Verzoeker heeft ook expliciet gevraagd om mondeling gehoord te worden, dit in reactie op de melding in het inleidend verslag dat de hoorzitting ook digitaal kon plaatsvinden op 21 juli 2021. In reactie op de vraag van verzoeker heeft de voorzitter van het politiecollege meegedeeld dat een fysieke hoorzitting kon plaatsvinden op 2 augustus 2021. Deze hoorzitting heeft plaatsgevonden, maar in afwezigheid van de leden van het politiecollege. Verzoeker werd gehoord door ‘een afgevaardigde’, met name CP C, terwijl verzoeker geen kennis had van enige beslissing tot ‘afvaardiging’. Het blijkt dat de voorzitter van het politiecollege deze afgevaardigde gelast heeft bij beslissing van het politiecollege, beslissing die op een later tijdstip bekrachtigd werd door het politiecollege. De verzoeker meent dat hij geschaad is in het uitoefenen van zijn recht van verdediging, bij wijze van mondeling horen. Hij wenste zijn tuchtoverheid in persoon toe te spreken, al dan niet door met haar in debat te gaan omtrent de feiten, historische achtergrond en tuchtrechtelijke verwijten. Dit blijkt ook uit het gegeven dat hij op de hoorzitting aangedrongen heeft op een fysieke hoorzitting om zijn verweer optimaal te kunnen voeren. Artikel 29 van de tuchtwet voorziet de mogelijkheid voor de bevoegde tuchtoverheid om een andere overheid te gelasten, maar een dergelijke beslissing moet genomen worden door de daartoe bevoegde tuchtoverheid, met name het politiecollege. Deze beslissing werd genomen bij zogenaamde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-19/27 ‘hoogdringendheid’, terwijl het politiecollege er reeds sinds 21 juli 2021 kennis van had dat verzoeker een fysieke hoorzitting wenste, waarna bevestigd werd dat dit zou gebeuren. Het valt bijgevolg niet in te zien op grond van welke rechtsregel en van welke hoogdringendheid de voorzitter van het politiecollege zich een bevoegdheid kan aanmeten die het politiecollege toekomt. Dat de beslissing van de voorzitter van het politiecollege naderhand bekrachtigd is door de bevoegde tuchtoverheid doet hier niet van af. Het is niet aan een overheid, welke ook, om bevoegdheden retroactie aan anderen toe te kennen. De bevoegdheid vloeit voort uit artikel 29 van de tuchtwet en raakt de openbare orde. Aangezien het horen gebeurde door iemand anders dan het politiecollege (bevoegde tuchtoverheid), die zelf geen andere overheid had gelast, is de situatie aldus dat verzoeker niet werd gehoord en dat artikel 29 van de tuchtwet geschonden is, en aldus ook zijn hoorrecht en zijn recht van verdediging. Er kon bijgevolg ook geen straf uitgesproken worden. Voor de volledigheid merkt verzoeker nog op dat het politiecollege geenszins zijn beslissingsbevoegdheid aan de voorzitter van het politiecollege had gedelegeerd om een andere overheid te gelasten met het horen van verzoeker.” 12. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de verwerende partij er ten onrechte vanuit gaat dat hij geen belang heeft bij het middel. Het is volgens verzoeker een pertinent gegeven dat hij het zwaartepunt van zijn verdediging bij het mondeling horen wenste te leggen en dit horen diende te geschieden door het politiecollege zelve, zulks precies om reden van de bijzondere omstandigheden en historiek in deze. Verzoeker had zich ook aldus op het horen voorbereid, om het politiecollege zelve toe te spreken en gebeurlijk ermee in debat te kunnen gaan omtrent de feiten, historische achtergrond en tuchtrechtelijke verwijten. Wanneer verzoeker zich dan effectief aanbood om te worden gehoord bleken de leden van het politiecollege afwezig te zijn en was een afgevaardigde aanwezig welke bleek te zijn gelast door de voorzitter van het politiecollege en niet door het politiecollege zelf, terwijl deze gelasting van een afgevaardigde hem niet was gecommuniceerd. Het is volgens verzoeker een totaal andere zaak te worden gehoord door de bevoegde tuchtoverheid dan door een afgevaardigde die in wezen niets anders doet dan passief noteren, zodat de bevoegde tuchtoverheid andermaal niets meer dan een geschrift onder ogen krijgt, temeer nu het mondeling horen door de beslissende overheid zelve ook minstens de gerede kans van een debat op zich draagt, al was het maar omdat een tuchtoverheid ter plaatste zich bepaalde vragen kan stellen die op hun beurt tot beïnvloedende inzichten leiden (invloed op de besluitvorming). Aldus heeft verzoeker door de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-20/27 gang van zaken zijn rechten (hoorrecht, passend in het recht van verdediging) niet naar behoren kunnen uitoefenen. Niettegenstaande het volgens verzoeker correct is dat er in toepassing van de tuchtwet geen absoluut recht bestaat om te worden gehoord door de tuchtoverheid zelve, voelt hij zich op zijn minst verschalkt - zelfs abstractie makende van de illegaliteit van het gelasten der afgevaardigde - gelet hem niets ter kennis was gebracht daaromtrent en hij zodoende kon aannemen dat het politiecollege hem in persoon zou horen. In tegenstelling tot de verwerende partij, is verzoeker van oordeel dat een voorafgaande geformaliseerde beslissing moet worden genomen waaruit blijkt dat het horen is gedelegeerd naar een afgevaardigde, nu alleen het bestaan van een dergelijke beslissing kan garanderen dat het juiste orgaan tijdig en effectief de betreffende beslissing heeft genomen. Tot slot laat verzoeker nog gelden dat de vergelijking met het arrest nr. 217.461 van 24 januari 2012 van de Raad van State (ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.461) in deze trouwens niet opgaat nu in casu vaststaat dat niet het bevoegde orgaan (politiecollege) heeft geoordeeld tot het gelasten van een afgevaardigde inzake het horen, maar wel de voorzitter van het politiecollege, wat blijkt uit de bekrachtiging door het politiecollege van de beslissing van haar voorzitter. Op dat vlak faalt volgens verzoeker ook de redenering van de Tuchtraad omtrent een zogenaamde delegatie, nu een delegatie van bevoegdheid - voor zulks in deze zou kunnen – toegewezen wordt voor de uitoefening van de bevoegdheid en niet achteraf middels een “bekrachtiging”. 13. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat meerdere redenen aan een dergelijke bekrachtiging ten grondslag kunnen liggen, zo ook de vrees dat een onherstelbare fout werd begaan waardoor bestraffing niet meer mogelijk is en aldus met de gevolgde werkwijze wordt gepoogd hieraan een mouw te passen. Het niet wettig horen van verzoeker impliceert dat hij niet is gehoord op grond van artikel 29 van de tuchtwet welke een expliciete sanctie bepaalt, zijnde “geen enkele straf mag worden uitgesproken ...”. Een gebrek aan respect voor het hoorrecht impliceert volgens verzoeker zodoende dat geen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-21/27 straf meer mag worden uitgesproken, dat de overheid geen bevoegdheid meer heeft om tot bestraffing over te gaan, wat volgens hem op zich volstaat om tot de gegrondheid van het middel te besluiten. Daarnaast laat verzoeker gelden dat in zoverre van hem zou worden verlangd dat hij aantoont in zijn belangen te zijn geschaad, hij naar het reeds gemotiveerde in de voorgaande procedurestukken verwijst. In essentie betoogt hij dienaangaande dat hij niet rechtsgeldig werd gehoord, nu op het moment van de hoorzitting de beweerde afgevaardigde niet was gemachtigd door de daartoe bevoegde tuchtoverheid, terwijl verzoeker er redelijkerwijs van uitgegaan was dat het politiecollege zelf hem zou horen. Het ook om die reden is dat verzoeker zich aldus verschalkt voelde dat zijn tuchtverdediger te kennen gaf dat het verweer vervat zat in het overhandigde document (verweerschrift), terwijl hij er geenszins bewust heeft geopteerd voor een zuiver schriftelijk verweer, wel integendeel, nu hij de klemtoon op een mondeling verweer had gelegd en aldus ook gevraagd had om fysiek gehoord te worden. Dit precies om reden van de bijzondere omstandigheden en historiek in deze, waardoor er bij het horen de mogelijkheid bestond van een gedachtewisseling en voortschrijdend inzicht. Dat verzoeker ook een geschreven vorm van verweer had voorzien kan hem moeilijk ten kwade worden geduid, de ene vorm van verweer bestaat naast de andere en zij sluiten elkaar niet uit. Het gegeven dat verzoeker geen absoluut recht heeft om door de tuchtoverheid zelve te worden gehoord staat er volgens hem niet aan in de weg dat hij in dit concreet geval verschalkt is in zijn verwachtingen dat dit wel effectief het geval ging zijn en hem aldus de mogelijkheid werd ontnomen klemtonen en accenten te leggen, terwijl hij ervan uitging dat een dergelijke gelegenheid hem wel zou worden geboden, zodat hij ook in dit geval wel degelijk belang heeft bij het middel. Beoordeling 14. Het auditoraat heeft het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift weergegeven in de zin als hiervoor (supra, punt 11). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-22/27 beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. 15. Door het auditoraat wordt tot de niet-ontvankelijkheid van het tweede middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “2.3.1.In dit middel wordt in essentie aangevoerd dat het hoorrecht begrepen in artikel 29 van de tuchtwet en het recht van verdediging werden geschonden doordat verzoeker op 2 augustus 2021 gehoord werd door een afgevaardigde van het politiecollege (in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid), en dit op basis van een beslissing van de voorzitter van het politiecollege omwille van ‘hoogdringendheid’, terwijl enkel het politiecollege bevoegd was om een dergelijke machtigingsbeslissing te nemen. Dat het politiecollege de beslissing van de voorzitter van het politiecollege naderhand bekrachtigd heeft, doet niets af van het feit dat verzoeker gehoord werd door een afgevaardigde die daartoe niet bevoegd was, zodat verzoeker niet werd gehoord conform artikel 29 van de tuchtwet. Dit heeft tot gevolg dat geen tuchtstraf meer kon opgelegd worden. 2.3.2 Artikel 29, tweede lid van de tuchtwet bepaalt: “Geen enkele straf mag worden uitgesproken zonder dat betrokkene ingelicht werd over zijn recht om mondeling gehoord te worden. De betrokkene en de getuigen worden door de bevoegde tuchtoverheid of door de door hem aangewezen overheid gehoord.” Als eerste vaststelling vloeit hieruit voort dat, anders dan verzoeker in het middel lijkt voor te houden, hij geen recht kan laten gelden om enkel door het politiecollege als hogere tuchtoverheid gehoord te worden. Aangezien artikel 29, tweede lid van de tuchtwet expliciet voorschrijft dat de betrokkene ‘door de bevoegde tuchtoverheid of de door hem aangewezen overheid’ wordt gehoord, beschikt de bevoegde tuchtoverheid ter zake over een discretionaire bevoegdheid en kan zij ervoor opteren het horen van de betrokkene aan een andere overheid te delegeren. Dat geen gevolg gegeven wordt aan de wens van de betrokkene om door de bevoegde tuchtoverheid gehoord te worden toont op zich geen onwettigheid aan. Verder volgt uit deze bepaling dat het betrokken personeelslid slechts door een andere overheid kan gehoord worden indien de bevoegde tuchtoverheid (hier het politiecollege) deze andere overheid heeft aangewezen om de betrokkene te horen. De verzoeker moet bijgevallen worden dat een dergelijke delegatiebeslissing, op het tijdstip van de hoorzitting, niet genomen was aangezien de gemachtigde […] door de voorzitter van het politiecollege, en niet door het politiecollege zelf, was aangewezen om verzoeker te horen, terwijl die bevoegdheid overeenkomstig artikel 29, tweede lid van de tuchtwet enkel aan het politiecollege toekomt, en terwijl het politiecollege de beslissing van de voorzitter slechts bekrachtigd heeft nadat (9 augustus 2021) de hoorzitting plaats gevonden heeft (2 augustus 2021). Strikt genomen is de hoorzitting van 2 augustus 2021 dan ook onwettig, want niet conform artikel 29 van de tuchtwet. Vraag is evenwel of de vaststelling van deze onwettigheid noodzakelijkerwijze de onwettigheid van de bestreden beslissing tot gevolg heeft, zoals verzoeker voorhoudt (hij meent niet gehoord te zijn waardoor zijn rechten van verdediging miskend zijn, hetgeen de onwettigheid van de bestreden beslissing met zich meebrengt). Daar staat tegenover dat het politiecollege de machtigingsbeslissing van de voorzitter van het politiecollege achteraf wel bekrachtigd heeft, waaruit blijkt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-23/27 dat het college geen bezwaren had tegen deze machtiging. De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord, met verwijzing naar het arrest nr. 251.158 van 30 juni 2001, ook op dat de schending van een wettelijk voorgeschreven procedureregel op zich niet toelaat tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te besluiten. Het door artikel 29 van de tuchtwet voorgeschreven hoorrecht van verzoeker moet als een substantiële vormvereiste worden beschouwd aangezien het een waarborg betreft die in het belang van verzoeker voorgeschreven is. Deze substantiële vormvereiste is hier niet voorgeschreven op straffe van nietigheid voorgeschreven. In dat geval moet de verzoeker aantonen dat de miskenning van de vormvereiste hem geschaad heeft in zijn belangen, dermate dat die miskenning een invloed heeft gehad op de eindbeslissing (o.a. RvS, 23 april 2009, nr. 192.577). De stelling van verzoeker dat hij op 2 augustus 2021 ‘niet gehoord werd’ kan niet bijgevallen worden. Hij is die dag feitelijk wel degelijk gehoord, zij het dat op dat tijdstip geen rechtsgeldige beslissing voorlag waarbij CP C. gemachtigd werd verzoeker te horen. Uit het PV van de hoorzitting blijkt dat verzoeker inderdaad wel vragen gesteld heeft bij het afnemen van het verhoor door CP C. en dat hij aangedrongen heeft op een hoorzitting waarbij de leden van het politiecollege aanwezig waren. Zoals hoger reeds gesteld kan verzoeker evenwel geen recht laten gelden om enkel door het politiecollege gehoord te worden. Uit het PV van de hoorzitting blijkt ook dat de tuchtverdediger van verzoeker het volgende heeft gesteld: “Het is hierbij niet de bedoeling dat we “verhoord” worden. Het is enkel de bedoeling dat we onze opmerkingen doorgeven omtrent het inleidend verslag. Ik heb een document bij en ik ga dit nadien overhandigen. Al wat ik ga zeggen, staat hier ook in. We gaan tijdens deze hoorzitting geen andere elementen aandragen die hierin vermeld staan. Dit is ons verweer. De hoorzitting moet dus niet opgenomen of geprojecteerd worden.” Het document waarvan sprake betreft een verweerschrift van 22 bladzijden dat als bijlage bij het PV van de hoorzitting wordt gevoegd. Het is aldus duidelijk dat verzoeker – bij monde van zijn tuchtverdediger - in werkelijkheid geopteerd heeft voor een schriftelijk verweer dat aan het tuchtdossier is toegevoegd en waarvan de leden van het politiecollege – ondanks hun afwezigheid op de hoorzitting van 2 augustus 2021 – kennis hebben kunnen nemen. Behoudens de stelling van verzoeker dat hij de tuchtoverheid ‘in persoon’ wenste toe te spreken – waarop hij evenwel zoals gesteld geen recht kan laten gelden – verduidelijkt de verzoeker in het middel op geen enkele wijze hoe het horen door CP C. hem in zijn belangen (rechten van verdediging) heeft geschonden, terwijl het daarentegen vaststaat dat de hogere tuchtoverheid van al zijn verweerelementen kennis heeft kunnen nemen via het verweerschrift dat hij op de hoorzitting heeft neergelegd. De verwerende partij kan aldus bijgevallen worden dat de verzoeker geen belang heeft bij het gegrond bevinden van het middel, vermits het gegrond bevinden van het middel niet toelaat te besluiten dat de bestreden beslissing onwettig is.” 16. In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie vooreerst benadrukt dat meerdere redenen aan een dergelijke bekrachtiging ten grondslag kunnen liggen, zo ook de vrees dat een onherstelbare fout werd begaan waardoor bestraffing niet meer mogelijk is en aldus met de gevolgde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-24/27 werkwijze wordt gepoogd hieraan een mouw te passen, volstaat de vaststelling, dat deze loutere bewering het vermoeden van wettigheid verbonden aan de bekrachtigingsbeslissing niet aantast, nu verzoeker om dit vermoeden van wettigheid te weerleggen, zoals terecht wordt aangevoerd door de verwerende partij in haar laatste memorie, zich niet kan beperken tot het aanvoeren van enkele persoonlijke bedenkingen over mogelijk andere aan de bekrachtigingsbeslissing ten grondslag liggende motieven. In zoverre verzoeker vervolgens laat gelden dat het niet wettig horen impliceert dat hij niet is gehoord op grond van artikel 29 van de tuchtwet welke een expliciete sanctie bepaalt, zijnde dat “geen enkele straf mag worden uitgesproken ...”, volstaat de vaststelling dat luidens artikel 29, tweede lid, van de tuchtwet “geen enkele straf mag worden uitgesproken zonder dat betrokkene ingelicht werd over zijn recht om mondeling gehoord te worden.” De aangehaalde bepaling verplicht bijgevolg enkel dat de tuchtoverheid het betrokken personeelslid informeert over het recht mondeling te worden gehoord - wat te dezen overigens in het inleidend verslag is gebeurd – zodat de “expliciete sanctie” waarop verzoeker doelt, enkel slaat op de miskenning van die informatieplicht. In mate dat verzoeker het anders ziet, faalt zijn standpunt in rechte. Evenmin kan uit de voornoemde bepaling worden afgeleid dat verzoeker door de tuchtoverheid zelf mondeling dient te worden gehoord, noch blijkt eruit dat aan die vermeende verplichting de door verzoeker voorgehouden sanctie wordt gekoppeld. In zoverre verzoeker tot slot nog tracht aan te tonen dat hij in zijn belangen is geschaad, herhaalt hij in essentie op parafraserende wijze zijn in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord aangevoerde argumentatie zonder inhoudelijk afbreuk te doen aan de redenering van het auditoraatsverslag. In zoverre verzoeker dienaangaande nog betoogt dat hij zich verschalkt voelde doordat zijn tuchtverdediger te kennen gaf dat het verweer vervat zat in het overhandigde document (verweerschrift), terwijl hij geenszins bewust heeft geopteerd voor een zuiver schriftelijk verweer, wel integendeel, nu hij de klemtoon op een mondeling verweer had gelegd en aldus ook gevraagd had om fysiek gehoord te worden, en derhalve nieuwe ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-25/27 argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 17. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietig- verklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.465 38.999-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.465 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.461 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div