← België

Arrest 258477 - Milieuvergunningen - 18/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.477 Rolnummer: A. 234857/VII-41229 Zaak: Arrest 258477 - Milieuvergunningen - 18/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-26 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-10 19:40 Fiche Arrest nr 258.477 van 18 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.477 van 18 januari 2024 in de zaak A. 234.857/VII-41.229 In zake : Yvan ASPEELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nick Verstraete kantoor houdend te 8200 Brugge Leiselestraat 11A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 augustus 2021 waarbij het beroep tegen de beslissing van de toezichthouder van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) van 6 mei 2021 houdende bestuurlijke maatregelen, ongegrond wordt verklaard en de opgelegde bestuurlijke maatregelen worden bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-1/9 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 oktober 2022 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nick Verstraete, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 9 april 1993 werd aan verzoeker een milieuvergunning verleend voor een garage met herstelwerkplaats voor het onderhouden en herstellen van motorvoertuigen, op een perceel gelegen te Brugge. 3.
  6. Op 8 december 2015 stellen toezichthouders van de stad Brugge en de OVAM vast dat er op het terrein minstens 27 afgedankte voertuigen gestald zijn en dat er oude auto-onderdelen, LPG-tanks en autobanden gestockeerd worden. Van deze vaststellingen wordt een proces-verbaal opgesteld. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-2/9 3.
  7. Bij een nieuwe controle op 12 april 2016 doen de toezichthouders dezelfde vaststellingen, zij het dat enkele voertuigen werden verwijderd of verplaatst en andere voertuigen werden bijgeplaatst. Er wordt vervolgens een proces-verbaal met fotoverslag opgemaakt. 3.
  8. Bij vonnis van 18 januari 2017 wordt verzoeker bij verstek veroordeeld door de rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tot het betalen van een geldboete van 9.000 euro, wegens: - het opzettelijk achterlaten van autowrakken, LPG-tanks, afgedankte auto-onderdelen, afgedankte autobatterijen, schroot, dak- en sandwichpanelen en afvalbanden, het demonteren van afgedankte voertuigen zonder erkenning en het niet tijdig afleveren van afgedankte voertuigen aan een erkend centrum in de periode van 8 december 2015 tot en met 12 april 2016, strafbaar gesteld door artikel 16.6.3, § 1, lid 1, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM); - het opslaan en demonteren van afgedankte voertuigen in strijd met BPA 88 Veemarkt van 9 juni 1995 en op het stallen van geaccidenteerde voertuigen op een niet vloeistofdichte vloer in de periode vanaf 9 februari 2015 tot en met 17 oktober 2016, strafbaar gesteld door artikel 16.6.1, § 1, lid 1, DABM; - het exploiteren van een meldingsplichtige inrichting zonder voorafgaande melding in de periode van 18 september 2009 tot en met 17 oktober
  9. Tevens moet verzoeker alle achtergelaten afvalstoffen verwijderen binnen een termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom, en dient hij de OVAM te vergoeden voor alle gemaakte kosten. 3.
  10. Tijdens een technische controle, uitgevoerd op 23 januari 2018, stelt de toezichthouder van de OVAM vast dat op het terrein nog voertuigen werden bijgeplaatst en dat er afgedankte voertuigen worden gedemonteerd zonder te beschikken over de vereiste erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-3/9 3.
  11. Bij vonnis van 17 oktober 2018 van de rechtbank van eerste aanleg van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, uitspraak doend over het verzet tegen het verstekvonnis 18 januari 2017, wordt verzoeker veroordeeld tot een geldboete van 9.000 euro, waarvan de helft met uitstel. Tevens dient hij over te gaan tot het inzamelen, vervoeren, verwerken en verwijderen van alle achtergelaten afvalstoffen. Daarenboven geldt voor een termijn van vijf jaar een exploitatieverbod en dit onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag bij overtreding met een maximum van 150.000 euro. 3.
  12. Na beroep van zowel het parket als van verzoeker, heeft het hof van beroep te Gent bij arrest van 28 februari 2020 geoordeeld dat de telastleggingen

(1)met betrekking tot het opzettelijk achterlaten van afvalstoffen (namelijk autowrakken, tanks, afgedankte auto-onderdelen, afgedankte autobatterijen, schroot, dak- en sandwichpanelen en afvalbanden), het demonteren van afgedankte voertuigen zonder te beschikken over de nodige erkenning, het niet tijdig afleveren van afgedankte voertuigen aan een erkend centrum,
(2)met betrekking tot het opslaan en demonteren van afgedankte voertuigen in strijd met BPA 88 Veemarkt van 9 juni 1995 en het stallen van geaccidenteerde voertuigen op een niet vloeistofdichte vloer en
(3)met betrekking tot het exploiteren van een meldingsplichtige inrichting zonder voorafgaande melding, bewezen zijn. Verzoeker wordt veroordeeld tot een geldboete van 1.500 euro. Daarenboven legt het hof aan verzoeker “vanaf de datum van [het] arrest een exploitatieverbod op voor de uitbating van het opslaan en demonteren van afgedankte voertuigen en voertuigwrakken, op vordering van het openbaar ministerie onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per dag dat dit verbod overtreden wordt”, beveelt het verzoeker “tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de in strijd met het Materialendecreet achtergelaten afvalstoffen en dit binnen een termijn van drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van [het] arrest, op vordering van het openbaar ministerie onder verbeurte van een dwangsom van 125 euro per dag vertraging in nakoming van dit bevel” en verplicht het verzoeker tot “terugbetaling van de kosten voor het inzamelen, vervoeren en verwerken van de afvalstoffen door de gemeente, door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse gewest of door het Vlaamse gewest”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-4/9 3.
  1. Bij besluit van 6 mei 2021 legt de toezichthouder van de OVAM aan verzoeker de volgende bestuurlijke maatregelen op: “Artikel 1 […] 1 ° Regularisatiebevel: bevel om alle aanwezige voertuigen en afvalstoffen op het terrein […] te 8200 Brugge te laten staan tot maatregel 3° is uitgevoerd: alle voertuigen en afvalstoffen niet verwijderen of verplaatsen; 2° Stakingsbevel: bevel tot beëindigen van alle depollutie-, demontage- en vernietigingsactiviteiten aan afgedankte voertuigen; 3° Een feitelijke handeling van de personen, vermeld in artikel 16.4.6 van het DABM, op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen: - het inzamelen, vervoeren en verwerken van de aanwezige afvalstoffen waaronder afgedankte voertuigen en illegaal gedemonteerde onderdelen op het terrein en in de garageboxen […] op kosten van de heer A.Y. […] Mogelijke kosten om de toegang tot het terrein te verschaffen (slotenmaker, ... ) en garageboxen zijn voor de rekening van de heer A.Y. […]. Artikel
  2. De in artikel 1 bepaalde bestuurlijke maatregelen 3° wordt uitgevoerd door de OVAM. De volgende voorwaarden moeten voldaan zijn om deze bestuurlijke maatregelen op te heffen: o de heer A.Y. […] moet het regularisatiebevel en stakingsbevel (maatregelen 1 ° en 2°) opgelegd in artikel 1 uitvoeren; o de heer A.Y. […] moet alle kosten ten gevolge van de opruiming door de OVAM (maatregel 3° van artikel 1) vergoeden.” 3.
  3. Op 11 mei 2021 gaat de OVAM over tot de ambtshalve ontruiming van het terrein. 3.
  4. Met het thans bestreden besluit van 9 augustus 2021 wijst de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het bestuurlijk beroep van verzoeker tegen de beslissing van de OVAM van 6 mei 2021 als ongegrond af en bevestigt zij de opgelegde bestuurlijke maatregelen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-5/9 IV. Ontvankelijkheid van het beroep - Belang van verzoeker Standpunt van verzoeker
  5. In het verzoekschrift tot nietigverklaring licht verzoeker zijn belang als volgt toe: “Verzoeker heeft door het opleggen en uitvoeren van de bestuurlijke maatregelen reeds ernstige schade geleden in die zin dat zijn volledige verzameling van waardevolle voertuigen werd afgenomen. Het jarenlange werk van zoeken naar voertuigen en bijhorende onderdelen, deze aankopen, verzamelen, restaureren, werd hierdoor in enkele uren teniet gedaan. Dit zorgt er niet alleen voor een enorme financiële benadeling van verzoeker doch ook voor een enorme morele schade nu verzoeker niet langer in staat is zijn hobby en passie verder uit te voeren. Het belang is nog steeds actueel aangezien het stakingsbevel zoals opgelegd en bevestigd bij de bestreden beslissing nog steeds geldend is en verzoeker dus verhinderd om zijn hobby te hernemen. Het belang is eveneens actueel aangezien de opgelegde bestuurlijke maatregelen op dit moment maar deels zijn uitgevoerd […] en er aldus nog een bijkomende ontruiming van zijn garageboxen kan plaatsvinden. Verzoeker heeft dan ook terecht belang zich met de meeste klem tegen de opgelegde bestuurlijke maatregelen en de eventuele verdere uitvoering hiervan te verzetten.”
  6. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat als zou worden aangenomen dat hij geen belang heeft bij voorliggende procedure hem het recht zou worden ontzegd om de betrokken bestuurlijke maatregelen in rechte te bestrijden, dat een arrest van het hof van beroep “een uitvoerbare titel betreft welke geen verdere administratieve beslissingen noodzaakt teneinde ook effectief tot uitvoer gebracht te worden” en dat in dit geval de bestreden beslissing niet kadert in de “uitvoering” van het arrest van het hof van beroep omdat het steunt op controles en vaststellingen, voorafgaand aan dit arrest, met betrekking tot de schending van milieuvoorschriften. Bijkomend wijst verzoeker erop dat tegen hem nog een strafprocedure loopt “voor het niet naleven van de beslissing van de OVAM d.d. 6 mei 2021” waaruit volgens hem eens te meer blijkt dat het gaat over een “afzonderlijke administratieve beslissing” die geen verband houdt met de uitvoering van het arrest van het hof van beroep. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-6/9 Beoordeling
  7. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging. Het belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde verbiedt beroepen die een zuiver symbolische vernietiging beogen of die enkel strekken tot het vernietigen in het belang van de wet, zonder dat de verzoekende partij enig voordeel, hoe miniem ook, kan halen uit die nietigverklaring.
  8. Het belang moet bestaan op het ogenblik dat het beroep wordt ingesteld en moet blijven bestaan tot aan de definitieve uitspraak. Dit belang kan weliswaar in de loop van het geding evolueren, maar de verzoekende partij moet aannemelijk maken dat de vernietiging in de gewijzigde omstandigheden haar nog een concreet voordeel oplevert. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing.
  9. Ingevolge het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 februari 2020, dat in kracht van gewijsde is gegaan, is aan verzoeker een definitief verbod opgelegd om op het betrokken terrein zonder de vereiste vergunning of toelating een inrichting voor het opslaan en demonteren van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-7/9 afgedankte voertuigen en voertuigwrakken te exploiteren. Tevens is hij, eveneens op definitieve wijze, ertoe gehouden om de op het terrein achtergelaten materialen, die juridisch als afvalstoffen werden gekwalificeerd, te verwijderen. Het arrest machtigt tot slot andere administratieve overheden, waaronder de OVAM, om desnoods ambtshalve over te gaan tot de opruiming van het terrein op kosten van verzoeker. De gebeurlijke nietigverklaring van het bestreden ministerieel besluit kan verzoeker niet ontlasten van de verplichtingen die voortvloeien uit het dictum van het arrest van het hof van beroep te Gent. Bovendien blijkt uit de samenvatting van de gegevens van de zaak dat de OVAM reeds op 11 mei 2021 is overgegaan tot de ambtshalve ontruiming van het terrein. Bijgevolg kan niet worden ingezien dat verzoekers streven om zijn “hobby en passie” ter plaatse terug uit te oefenen na opnieuw in het bezit te zijn gesteld van de “waardevolle voertuigen”, versta afvalstoffen die intussen voor verwerking werden afgevoerd, vervuld kan worden door de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Voorts toont verzoeker niet aan dat de met het bestreden ministerieel besluit opgelegde bestuurlijke maatregelen een ruimere draagwijdte hebben dan de herstelverplichtingen en het exploitatieverbod waartoe hij gehouden is op grond van het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 februari
  10. Het is derhalve niet enkel het bestreden besluit, maar ook het voornoemde arrest dat de herneming van zijn “hobby” de jure in de weg staat.
  11. De relevantie van het standpunt van verzoeker dat de bestreden beslissing niet enkel verwijst naar het arrest van het hof van beroep, maar ook naar de opeenvolgende vaststellingen van de toezichthoudende overheden, ontgaat de Raad van State. Niets sluit immers uit dat een orgaan van het actief bestuur, zoals de verwerende partij, alsook een met rechtspraak belast orgaan, zoals het hof van beroep te Gent, acht slaan op dezelfde vaststellingen die de aangewezen toezichthouders gedaan hebben in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden. In het arrest van het hof van beroep te Gent wordt trouwens overwogen dat de “vaststellingen van de erkende toezichthouders, die gelden tot het bewijs van het tegendeel, […] zonder enige twijfel het bewijs [leveren] van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-8/9 inbreuken op het materialendecreet”. Evenmin valt te begrijpen dat het meervermelde arrest, in tegenstelling tot de bestreden beslissing, geen “schendingen van de milieuvoorschriften” zou beteugelen. Ter zake volstaat het te verwijzen naar de motivering van het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 februari 2020 waarin onder meer wordt overwogen dat verzoeker “flagrant essentiële regels van de milieureglementering [negeerde]” en hij hierbij “geen oog voor het belang van het leefmilieu, doch […] enkel eigen economisch voordeel na[streefde]”.
  12. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het beroep.
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.477 VII-41.229-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.477 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.