← België

Arrest 258478 - Milieuvergunningen - 18/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.478 Rolnummer: A. 235203/VII-41262 Zaak: Arrest 258478 - Milieuvergunningen - 18/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-26 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 19:40 Fiche Arrest nr 258.478 van 18 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.478 van 18 januari 2024 in de zaak A. 235.203/VII-41.262 In zake : de NV ELECTRABEL GREEN PROJECTS FLANDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Laurens De Brucker kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN LIMBURG -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van:

  1. a)de beslissing van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van 23 november 2021 waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 oktober 2021 waarbij geen akte wordt genomen van de vraag tot omzetting van een milieuvergunning voor bepaalde duur voor het exploiteren van een windturbinepark, gelegen aan de Industrieweg 80 te Lanaken, in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur, onontvankelijk wordt verklaard (hierna: eerste bestreden beslissing);
  2. b)de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 oktober 2021 waarbij geen akte wordt genomen van de vraag tot omzetting van een milieuvergunning voor bepaalde duur voor het exploiteren van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-1/15 windturbinepark, gelegen aan de Industrieweg 80 te Lanaken, in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur (hierna: tweede bestreden beslissing). II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 17 augustus 2022 een verslag opgesteld. De eerste verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2023. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Agnes Piessevaux, die loco advocaten Patrik De Maeyer en Laurens De Brucker verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-2/15 III. Feiten 3.1. Op 27 januari 2021 deelt de verzoekende partij aan de deputatie van de provincieraad van Limburg mee dat zij haar milieuvergunning voor de exploitatie van een windturbinepark gelegen aan de Industrieweg 80 te Lanaken, met een geldigheidsduur van twintig jaar, wenst om te zetten naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur. Uit de niet-betwiste gegevens van de zaak blijkt dat het windturbinepark oorspronkelijk bestond uit vier windturbines, maar dat op het ogenblik van de mededeling een van die vier turbines, alsook de sokkel ervan, reeds volledig is verwijderd. 3.2. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd over de gevraagde omzetting van de milieuvergunning. Er worden geen bezwaren geformuleerd. 3.3. Bij besluit van 14 oktober 2021 beslist de deputatie dat er “geen akte [wordt] genomen van de mededeling met vraag tot omzetting”. In het beschikkend gedeelte van dit besluit, verwijst de deputatie “[i]nzake de mogelijkheid en modaliteiten om beroep in te dienen […] uitdrukkelijk […] naar de artikelen 52 e.v. van het decreet betreffende de Omgevingsvergunning van 25 april 2014 (OVD) en de artikelen 73 e.v. van het besluit van 27 november 2015 van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (OVB)”. Het overwegend gedeelte van dit besluit luidt: “Overwegende dat overeenkomstig artikel 390 OVD de milieuvergunning die is verleend voor een termijn van 20 jaar wordt geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend, als aan de volgende voorwaarden cumulatief is voldaan: […] Overwegende dat de vraag tot omzetting tussen de 48 en 36 maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de milieuvergunning en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-3/15 conform de bepalingen van artikel 785 van het OVB werd ingediend; dat er geen bezwaren werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek; dat er voor deze omzetting geen MER of passende beoordeling vereist is; dat één van de 4 windturbines (incl. transformator en sokkel), meer bepaald op het kadastraal perceel afdeling 1, sectie C, perceel 88B, werd afgebroken in het najaar van 2020; dat de aanvrager/exploitant van plan is deze windturbine te vervangen; dat de aanvaardbare tijd (ca. 2 jaar), waarbinnen de exploitant eenzelfde type windturbine op dezelfde locatie terug kan bouwen, nog niet verlopen is; dat bijgevolg de stedenbouwkundige handelingen, die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten, hoofdzakelijk vergund zijn; dat dit tevens blijkt uit het advies van het college van burgemeester en schepenen van gemeente Lanaken; Overwegende dat de aanvrager/exploitant per mail d.d. 2021-08-30 heeft aangegeven dat men een omzetting van de milieuvergunning van bepaalde duur naar onbepaalde duur aanvraagt omdat men het bestaande windturbinepark zo lang als mogelijk wilt uitbaten in de huidige vergunde vorm (qua vermogen en qua afmetingen); dat de lopende milieuvergunning eindigt op 2024-01-29; dat de gemiddelde levensduur van een windturbine 20 jaar bedraagt; dat de aanvrager/exploitant van plan is de windturbines te vervangen ofwel conform de vergunde toestand ofwel door grotere turbines in het kader van een repowering project (indien vergunning wordt bekomen); dat de exploitant/aanvrager van plan is om eind 2021 of begin 2022 een omgevingsvergunningsaanvraag in te dienen met betrekking tot een repowering project van ENGIE en Ecopower; dat dit repowering project als doel heeft het windturbinepark energetisch te optimaliseren, m.a.w. grotere turbines met een hoger vermogen; dat het vergund en ontwikkeld krijgen van een dergelijk project een weg van lange adem is; dat het vergunningstraject en de technische/economische haalbaarheid van een windturbineproject onzeker is; dat bovendien de investeringsbeslissing vooraf moeilijk in te schatten is; dat er na vergunningverlening ongeveer een termijn van ca. 1 jaar aan voorbereiding en bouw nodig is; Overwegende dat art. 98 van het omgevingsvergunningsbesluit stelt dat een vrijwillige stopzetting van een ingedeelde activiteit binnen de 2 maanden moet gemeld worden bij de vergunningverlener; dat indien deze melding van (gedeeltelijke) stopzetting niet gebeurd is, dit een milieu-inbreuk betreft; dat één van de 4 windturbines tot in de grond werd afgebroken in het najaar van 2020; dat het opnieuw plaatsen van exact één windturbine in de praktijk onrealistisch lijkt; dat er bijgevolg vanuit gegaan wordt dat de exploitatie van één windturbine bijgevolg op vrijwillige basis is stopgezet; dat hiervoor geen melding van gedeeltelijke stopzetting bij de vergunningverlener binnen een periode van 2 maanden werd gedaan; dat een beoordeling van het windturbinepark in het licht van de gewijzigde advisering in het kader van het energetisch optimalisatieprincipe nodig is, hetgeen echter niet mogelijk is binnen de omzettingsprocedure; dat de hernieuwing van de omgevingsvergunning moet onderworpen worden aan de gewone procedure; dat de beoordeling van een windturbinepark op het vlak van het energetisch optimalisatieprincipe wel mogelijk is ingeval van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-4/15 het doorlopen van de gewone procedure; dat bijgevolg de exploitant een aanvraag tot hervergunning (en verandering) dient in te dienen via het omgevingsloket (projecttype ‘omgevingsproject’); dat om voorgaande overwegingen geen akte kan genomen worden van de mededeling met vraag tot omzetting.” Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.4. Tegen deze beslissing stelt de verzoekende partij beroep in bij de Vlaamse regering. 3.5. Met een schrijven van 23 november 2021 deelt de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten aan de verzoekende partij mee dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat: “Tegen met toepassing van het artikel 390 van het Omgevingsvergunningendecreet genomen beslissingen staat immers geen administratief beroep open. De bepalingen vermeld in de artikelen 52 en volgende van het Omgevingsvergunningendecreet waarnaar u verwijst, gelden alleen ten aanzien van beslissingen over vergunningsaanvragen of voor zover er uitdrukkelijk wordt naar verwezen zoals voor de verzoeken tot bijstelling van de omgevingsvergunning. Volledigheidshalve moet hieraan toegevoegd worden dat er wel administratief beroep mogelijk is tegen de beslissing die genomen wordt nadat de gewone procedure werd doorlopen zoals vermeld in het artikel 390, §4, van het Omgevingsvergunningendecreet. Zoals hierboven is uiteengezet is de omzettingsprocedure een van de andere omgevingsvergunningsprocedures te onderscheiden procedure. Gezien er niet naar de omzettingsprocedure wordt verwezen in het artikel 105 van het Omgevingsvergunningendecreet dat de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen in deze materie regelt, is de Raad van State bevoegd. Mocht u niet akkoord kunnen gaan met deze beslissing en het besluit van 14 oktober 2021 kan u hiertegen beroep instellen bij de Raad van State. Bijgevoegd vindt u de modaliteiten van een dergelijk beroep.” Dit is de eerste bestreden beslissing. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-5/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. De tweede verwerende partij meent dat de verzoekende partij een rechtmatig en actueel belang ontbeert waar zij de weigering tot akteneming van een omzetting naar een omgevingsvergunning van onbepaalde duur voor vier windturbines betwist, terwijl zij in werkelijkheid een windturbinepark van slechts drie windturbines exploiteert. 5. De verzoekende partij stelt daar tegenover dat zij er belang bij heeft dat de drie nog operationele turbines ook in de verdere toekomst nog geëxploiteerd kunnen worden. Beoordeling 6. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de verzoekende partij geen persoonlijk belang zou hebben bij het langer in exploitatie houden van drie van de vier oorspronkelijk vergunde windturbines op de betrokken locatie. De tweede verwerende partij toont in elk geval het tegendeel niet aan. 7. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 8. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 52 en 390 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van de materiëlemotiveringsplicht ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-6/15 en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Er wordt tevens opgeworpen dat er sprake is van een “manifeste beoordelingsvergissing, zowel in rechte als in feite”. De verzoekende partij betoogt dat de eerste verwerende partij het beroep tegen de tweede bestreden beslissing ten onrechte onontvankelijk heeft verklaard op grond van het motief dat tegen deze beslissing geen administratief beroep zou openstaan. Zij stelt dat de in artikel 390, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalde onmogelijkheid tot het instellen van een administratief beroep in het voorliggende geval niet van toepassing is, aangezien er geen sprake is van een aktename. De tweede bestreden beslissing dient daarentegen wel te worden beschouwd als een weigeringsbeslissing omtrent een omgevingsvergunning, zodat de eerste verwerende partij, overeenkomstig artikel 52 van het omgevingsvergunningsdecreet wel degelijk bevoegd was om zich in graad van administratief beroep uit te spreken over het tweede bestreden besluit. De verwijzing in het eerste bestreden besluit naar artikel 105 van het omgevingsvergunningsdecreet leidt niet tot een andere conclusie. Die bepaling houdt namelijk verband met de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, daar waar het bij de eerste verwerende partij ingediende beroep een administratief beroep betreft. 9. De eerste verwerende partij antwoordt dat tegen een met toepassing van artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet genomen beslissing geen administratief beroep openstaat. De verzoekende partij verwijst ten onrechte naar artikel 52 van het omgevingsvergunningsdecreet dat enkel betrekking heeft op beslissingen over vergunningsaanvragen, terwijl het in dit geval een beslissing tot weigering van een aktename betreft. Beide beslissingen zijn van elkaar te onderscheiden en hebben een verschillende finaliteit. Het omgevingsvergunningsdecreet bevat geen bepaling waaruit blijkt dat de Vlaamse regering bevoegd zou zijn om te oordelen over weigeringen tot aktename in het kader van de toepassing van artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet. Enkel de Raad van State kan zich uitspreken over de wettigheid van de weigering tot aktename. Het gegeven dat de deputatie van de provincieraad van Limburg in het tweede bestreden besluit heeft aangegeven dat ertegen beroep kan worden ingesteld bij de Vlaamse regering, doet daaraan geen afbreuk. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-7/15 10. De verzoekende partij wijst in haar memorie van wederantwoord nog op de parlementaire voorbereiding van artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet waaruit kan worden afgeleid dat een weigering tot aktename van een vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur naar een omgevingsvergunning van onbepaalde duur beschouwd moet worden als een weigering van een omgevingsvergunning waartegen een administratief beroep openstaat bij de Vlaamse regering. Beoordeling 11. Artikel 52 van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt: “De Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar zijn bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van de deputatie in eerste administratieve aanleg.” De aangehaalde bepaling maakt deel uit van hoofdstuk 3 van het decreet met als titel ‘De vergunningsprocedure in laatste administratieve aanleg’. De (aan)vraag die tot voorliggend beroep heeft geleid, kan echter niet aangemerkt worden als het voorwerp van een ‘vergunningsprocedure’, maar als een verzoek tot omzetting van een verleende milieuvergunning met een duurtijd van 20 jaar naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur. Daar waar de vergunningsprocedure in wezen is gericht op het verkrijgen van een toelating voor het uitvoeren van activiteiten die in principe verboden zijn, betreft de omzettingsprocedure, bedoeld in artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet, op voorwaarde dat door het betrokken publiek of een adviesinstantie geen bezwaren worden ingediend en geen milieueffectrapport of passende beoordeling vereist is, een wijziging van een verkregen opheffing van het exploitatieverbod in het licht van een gewijzigde juridische achtergrond. 12. Vermits artikel 52 van het omgevingsvergunningsdecreet niet van toepassing is op de procedure tot omzetting van de milieuvergunning naar een omgevingsvergunning, kan die bepaling niet worden beschouwd als een uitdrukkelijke rechtsregel die de beroepsvorm organiseert inzake de beslissing tot ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-8/15 weigering om akte te nemen van de mededeling waarbij de exploitant gebruik wenst te maken van de regeling bepaald in artikel 390, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet. 13. Tijdens de parlementaire totstandkoming van artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. é4/1, 140) werd onder meer gesteld: “Als er tijdens de bekendmaking bezwaar werd ingediend tegen de omzetting of er is een milieueffectrapport of passende beoordeling vereist, dan wordt de vraag tot omzetting behandeld overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure. De toepassing van de gewone vergunningsprocedure houdt tevens in dat er bijzondere milieuvoorwaarden kunnen worden opgelegd bij de beslissing over de vraag tot omzetting. De vergunningverlenende overheid zal besluiten dat de omgevingsvergunning niet voor onbepaalde duur geldig kan zijn in zoverre de milieuhinder of de risico’s niet tot aanvaardbare grenzen via milieuvoorwaarden kunnen worden beperkt of als de exploitatie onverenigbaar is met een stedenbouwkundig voorschrift of met de goede ruimtelijke ordening. […] Administratief beroep tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie (ic een permanente vergunning, een in de tijd beperkte vergunning of een weigering) is voorzien. Gelet op het devolutief karakter van het beroep zal de vraag tot omzetting van de exploitant in haar totaliteit opnieuw worden onderzocht. In alle andere gevallen moet een nieuwe omgevingsvergunning voor onbepaalde duur worden aangevraagd volgens de klassieke spelregels.” De drieledige verwijzing naar “een permanente vergunning, een in de tijd beperkte vergunning of een weigering” duidt erop dat de administratieve beroepsprocedure enkel moet worden doorlopen tegen beslissingen die genomen worden in het kader van de gewone vergunningsprocedure, namelijk in geval door het betrokken publiek of een adviesinstantie een bezwaar als vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet wordt ingediend of in geval er een milieueffectrapport of passende beoordeling vereist is. De vermelding in de parlementaire voorbereiding dat gezien het devolutief karakter van het beroep de vraag tot omzetting van de exploitant ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-9/15 desgevallend in haar totaliteit opnieuw zal worden onderzocht, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 14. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 15. Een tweede middel wordt genomen uit de schending van artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet, van artikel 791 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het materieelmotiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens werpt de verzoekende partij op dat er sprake is van een “manifeste beoordelingsvergissing, zowel in rechte als in feite” en van machtsoverschrijding. In een eerste middelonderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de tweede verwerende partij haar beslissingsbevoegdheid ten onrechte heeft opgevat als discretionair van aard, terwijl uit de samenlezing van de artikelen 390 van het omgevingsvergunningsdecreet en 791 van het omgevingsvergunningsbesluit volgt dat, indien aan alle voorwaarden van artikel 390, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet is voldaan, de bevoegde overheid verplicht is om akte te nemen van de mededeling met de vraag tot omzetting, zonder dat zij ter zake over enige beoordelingsbevoegdheid beschikt. In het tweede bestreden besluit wordt aangenomen dat aan alle decretale voorwaarden voor de omzetting wordt voldaan. De tweede verwerende partij kon dan ook enkel overgaan tot een aktename van de mededeling met de vraag tot omzetting. Voor zover zij de vraag tot omzetting in de tweede bestreden beslissing afwijst op grond van een vermeende milieu-inbreuk en op grond van de omstandigheid dat een vraag tot hernieuwing volgens haar geschikter zou zijn, gaat zij haar bevoegdheid te buiten. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-10/15 In een tweede middelonderdeel verwijt de verzoekende partij aan de tweede verwerende partij dat zij het voorwerp van de mededeling met de vraag tot omzetting heeft uitgebreid waar zij in het tweede bestreden besluit aanvoert dat een vraag tot hernieuwing geschikter zou zijn omdat een hernieuwing onder de gewone omgevingsvergunningsprocedure wordt beoordeeld en dit een toetsing aan het energetisch optimalisatiebeginsel mogelijk zou maken. Dit betreft bovendien een opportuniteitsbeoordeling die in het licht van de gebonden bevoegdheid van de deputatie niet is toegestaan. 16. De tweede verwerende partij betoogt dat, om onder het toepassingsgebied van artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet te vallen, niet alleen aan de in die bepaling vermelde cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, maar ook dat het primordiaal is dat de omzetting wordt gevraagd van ‘de milieuvergunning’. In dit geval heeft zij vastgesteld dat ‘de milieuvergunning’ niet het voorwerp van de omzettingsmededeling vormt, aangezien de vergunning inmiddels gedeeltelijk was stopgezet door het verwijderen van één windturbine, alsook de sokkel ervan, zonder dat dit werd gemeld overeenkomstig artikel 98 van het omgevingsvergunningsbesluit. Gelet op de feitelijke gedeeltelijke stopzetting van de milieuvergunning kon van de omzetting van de in rechte nog niet geactualiseerde vergunning, met name van de vergunning voor de exploitatie van een windmolenpark met vier windturbines, naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur, geen akte genomen worden. Van de omzetting van een milieuvergunning voor de exploitatie van een windturbinepark met drie windturbines kon al evenmin sprake zijn, gezien deze milieuvergunning in rechte (nog) niet bestaande was. 17. In haar memorie van wederantwoord haalt de verzoekende partij artikel 98 van het omgevingsvergunningsbesluit aan. Uit die bepaling blijkt dat aan het overschrijden van de termijn van twee maanden om de vrijwillige gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie aan de bevoegde overheid te melden, geen enkele sanctie gekoppeld wordt. Evenmin kan uit die bepaling worden opgemaakt dat het niet of laattijdig melden van een gedeeltelijke stopzetting van een exploitatie enige invloed zou kunnen uitoefenen op de in artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalde omzettingsprocedure. Niets staat eraan in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-11/15 de weg dat een exploitant pas na een omzetting de vergunningverlenende overheid in kennis stelt van een gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie. Bovendien merkt de verzoekende partij op dat in artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet geen enkele voorwaarde is opgenomen die vooropstelt dat er slechts op rechtsgeldige wijze akte kan worden genomen van een mededeling tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde duur naar een omgevingsvergunning van bepaalde duur. Beoordeling 18. Artikel 791 van het omgevingsvergunningsbesluit bepaalt: “Als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014, is voldaan, neemt de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, binnen een termijn van acht maanden vanaf de dag na de datum waarop de mededeling met de vraag tot omzetting op volledige wijze is ingediend, conform artikel 390, § 2, van het decreet van 25 april 2014, akte van de mededeling met opgave van de geactualiseerde vergunningssituatie op het vlak van de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten.” Uit deze bepaling volgt dat, wanneer de mededeling met de vraag tot omzetting van de milieuvergunning voor een duur van 20 jaar naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur voldoet aan de cumulatieve voorwaarden vermeld in artikel 390, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet, de bevoegde overheid ertoe gehouden is om akte te nemen van de mededeling. Te dezen blijkt dat aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 390, § 1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet is voldaan. In het tweede bestreden besluit wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat de vraag tot omzetting “tussen de 48 en 36 maanden voor het verstrijken van de vergunningstermijn van de milieuvergunning” is ingediend, dat er “geen bezwaren werden ingediend tijdens het openbaar onderzoek”, dat er “geen MER of passende beoordeling vereist is” en dat “de stedenbouwkundige handelingen, die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-12/15 hoofdzakelijk vergund zijn”. Daarnaast blijkt dat er geen negatieve adviezen waren. Het enige ongunstig advies, van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lanaken, werd namelijk bijgesteld naar een gunstig advies. 19. Het gegeven dat de milieuvergunning gedeeltelijk vrijwillig stopgezet was, doordat een van de vier vergunde windturbines op het ogenblik van de mededeling met de vraag tot omzetting van de milieuvergunning volledig was verwijderd, vormt geen in rechte aanvaardbaar motief om de aktename van de mededeling te weigeren. Hetzelfde geldt voor het feit dat de vrijwillige gedeeltelijke stopzetting niet tijdig werd gemeld. Door aan te sturen op een nieuwe beoordeling van het windturbinepark aan het energetisch optimalisatieprincipe, treedt de tweede verwerende partij in de plaats van de exploitant aan wie het uitsluitend toekomt om te beoordelen of de verdere uitbating van de vergunde inrichting milieutechnisch en/of economisch haalbaar is. 20. Het tweede middel is gegrond. VI. Verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State 21. De verzoekende partij vraagt dat de tweede verwerende partij een nieuwe beslissing zou nemen “binnen een termijn van 4 maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest”. Beoordeling 22. Luidens artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan de afdeling Bestuursrechtspraak, waarbij een vordering in die zin is ingesteld, wanneer het arrest inhoudt dat de betrokken overheid een nieuwe beslissing neemt, in dat arrest bevelen dat die beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden genomen. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid tot het opleggen van een termijn waarbinnen de nieuwe beslissing ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-13/15 door de betrokken overheid moet worden genomen, kan worden toegepast “telkens een arrest een nieuwe beslissing van de betrokken overheid met zich meebrengt”, en dit om redenen van efficiëntie, zodat “[...] de partij op wier verzoek de nietigverklaring wordt bevolen de overheid niet meer in gebreke [dient] te stellen om op te treden, zoals dit het geval was voordien” (Parl.St. Senaat, 2012-2013, nr. 5-2277/1, 26). 23. In voorliggend geval wordt het verzoek niet ondersteund door argumenten die aannemelijk maken dat de tweede verwerende partij de plicht tot rechtsherstel die voortvloeit uit voorliggend arrest niet of onvolkomen zal uitvoeren. 24. Het verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 oktober 2021 waarbij geen akte wordt genomen van de vraag tot omzetting van een milieuvergunning voor bepaalde duur voor het exploiteren van een windturbinepark, gelegen aan de Industrieweg 80 te Lanaken, in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing. 3. De verzoekende partij en de tweede verwerende partij worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 22 euro. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-14/15 De verzoekende partij wordt verwezen in een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij. De tweede verwerende partij wordt verwezen in een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.478 VII-41.262-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.478 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.