id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.479 Rolnummer: A. 234478/VII-41207 Zaak: Arrest 258479 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-26 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-10 19:40 Fiche Arrest nr 258.479 van 18 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.479 van 18 januari 2024 in de zaak A. 234.478/VII-41.207 In zake : Diana DE LAET woonplaats kiezend te 2980 Zoersel De Hulsten 74 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 16 juli 2021 waarbij het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing voor het bouwen van een weekendwoning op een perceel gelegen in de gemeente Brasschaat, wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 9 december 2022 een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, die in persoon verschijnt, en advocaat Wannes Op de Becq, die loco advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is eigenaar van een perceel gelegen aan de Grote Heidedreef te Brasschaat, kadastraal bekend onder 1ste afdeling, sectie B, nr. 22 02 L
- 3.
- Het perceel is overeenkomstig de bepalingen van het gewestplan Antwerpen gelegen in een zone voor verblijfsrecreatie en overeenkomstig het bij ministerieel besluit van 25 november 1982 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg nr. 26 ‘Grote Heide’ in een zone voor weekendverblijven. 3.
- Op 10 juni 2021 ontvangt het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) een aanvraag van verzoekster voor het ontbossen van een oppervlakte van 60 m² om het bouwen van een weekendverblijf mogelijk te maken. 3.
- Op 15 juli 2021 verleent de adjunct-directeur ‘Adviezen en Vergunningen Antwerpen’ van het ANB een ongunstig advies. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-2/15 3.
- Met het thans bestreden besluit van 16 juli 2021 weigert de administrateur-generaal van het ANB de door verzoekster beoogde ontheffing van het verbod op ontbossing. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “- Op 10 juni 2021 werd een aanvraag ingediend door De Laet Diana voor een ontbossing van 60 m2 op een perceel gelegen te Brasschaat, 1° afdeling, sectie B, nr. 22 02 L 002 voor het bouwen van een weekendwoning. - Het Agentschap voor Natuur en Bos heeft de aanvraag tot ontheffing onontvankelijk en onvolledig verklaard per mail van 17 juni 2021 wegens het ontbreken van een ecologische motivatie. - Op 22 juni 2021 heeft de aanvrager de ontbrekende stukken aan ons Agentschap bezorgd. - Het Agentschap voor Natuur en Bos heeft de aanvraag tot ontheffing ontvankelijk en volledig verklaard per mail van 25 juni
- - Het te ontbossen perceel is gelegen in een gebied voor verblijfrecreatie; de ontbossing voor het bouwen van een vakantiewoning is verenigbaar met de ruimtelijke bestemming. - Het perceel is niet gelegen in VEN, beschermd landschap of een zoekzone voor bosuitbreiding. - Het Agentschap voor Natuur en Bos concludeert op basis van een screening dat het project geen aanzienlijke milieueffecten op een bijzonder beschermd gebied kan hebben en dat er bijgevolg geen MER moet worden opgemaakt. - Het betreft een gemengd bestand met zomereik, berk, fijnspar en rhododendron in de onderetage. - De ecologische en landschappelijke waarde is niet gering. - Het bos is ontstaan voor 1850, wat aangeeft dat er een reële kans bestaat op aanwezigheid en ontwikkeling van een zeer waardevolle bestaande bosvegetatie. - Het betrokken perceel is gelegen in een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is en kan als bos behouden worden. - Het perceel is gelegen tussen het Groot- en Klein Schietveld, die beiden als habitatrichtlijngebied werden geselecteerd en het perceel vervult een functie als zone voor faunapassage en rustplaats voor fauna. - Als instandhoudingsdoelstellingen voor de Speciale beschermingszone Groot- en Klein Schietveld (code BE2100016-1), bij besluit goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 23 april 2014, zijn als prioriteit opgenomen om de bestaande natuurverbindingen tussen de bestaande populaties te behouden en waar nodig bijkomend te creëren. - De waarde en potenties van het bos als onderdeel van een natuurnetwerk in het INBO-document ‘Natuurverbindingsgebieden in Vlaanderen: achtergronden, afbakening en mogelijke inrichting (rapporten van het Intituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007, INBO.R.2007.14)’, werden bevestigd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-3/15 - De geplande ontbossing voor bebouwing, aanleg van verhardingen, inrichting van de percelen met het voorzien van erfafsluitingen en menselijke activiteiten zal aanleiding geven tot verdere versnippering van het ecologisch waardevol gebied. Dat dit vermeden moet worden zodat de natuurwaarde kan gewaarborgd blijven. - De bijkomende versnippering en bosdegradatie binnen het gebied heeft een negatief effect op de in het Groot- en Klein Schietveld aanwezige populaties van vleermuizen en vogelsoorten; dat hierbij op lange termijn de isolatie van de leefgebieden en de beperkte genetische uitwisseling die dat met zich meebrengt, de kans op het lokaal uitsterven van de populatie toeneemt welke de instandhouding van verschillende dier- en plantensoorten hypothekeert. - Het niet toekennen van een ontheffing van het verbod op ontbossing van de percelen, bij het kadaster gekend als ‘Brasschaat, 1 AFD sectie B nr. 22 02 L 002’ zal verdere degradatie van het boscomplex en versnippering voorkomen.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoekster
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 90bis, § 1, van het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: het bosdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet) en van het motiverings-, het vertrouwens- en het redelijkheidsbeginsel. Volgens verzoekster dient de beoogde ontbossing naast een eventuele intrinsieke natuurwaarde van het perceel mede te worden beoordeeld op grond van de kenmerken van de omgeving. Meer bepaald blijkt ‘uit stukken hieromtrent’ dat het betrokken perceel gelegen is tussen bebouwde percelen, waardoor het geen onderdeel uitmaakt van een aangesloten geheel van bossen en geen functie als zone voor faunapassage en rustplaats voor fauna kan vervullen. In de gegeven feitelijke omstandigheden kon in redelijkheid niet worden verwacht dat het betrokken perceel zou worden ingezet om te voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone Groot- en Klein Schietveld waarvan de prioritaire doelstelling strekt tot het behoud van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-4/15 bestaande natuurverbindingen met de bestaande populaties en waar nodig de bijkomende creatie ervan. Verzoekster wijst er ook op dat op aanpalende percelen na 2014 nog bebouwingen voor recreatie werden toegestaan. In het licht van wat voorafgaat acht verzoekster het onredelijk en in strijd met het vertrouwensbeginsel om geen ontbossing toe te staan op haar perceel, zodat het zou kunnen dienen voor recreatie, zoals dat ook is toegestaan voor aangrenzende percelen.
- In haar laatste memorie houdt verzoekster staande dat uit “alle feitelijke gegevens omtrent de plaatsgesteldheid” blijkt dat de omliggende percelen die eveneens behoren tot het zogenaamd “aaneengesloten geheel van bossen” bebouwd zijn met (weekend)verblijven waarvoor wel een ontheffing van het verbod op ontbossing werd verleend. Beoordeling
- Op grond van artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet kan de Vlaamse regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een verkavelingsvergunning, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het agentschap. Bij de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag, ingediend met toepassing van voormelde bepaling van het bosdecreet, beschikt het bestuur over een ruime discretionaire bevoegdheid. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheid vereist het zorgvuldigheidsbeginsel dat rekening gehouden wordt met alle beschikbare feitelijke gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
- De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-5/15 nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en zulks op een afdoende wijze. Er is sprake van een afdoende motivering als de uitdrukkelijk opgegeven motieven pertinent zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze voldoende draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat ze in rechte volstaan als verantwoording voor de genomen beslissing. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
- In de motivering van de bestreden beslissing wordt in de eerste plaats ingegaan op de natuurwaarden die aanwezig zijn op het betrokken perceel. Ter zake wordt melding gemaakt van “een gemengd bestand met zomereik, berk, fijnspar en rhododendron in de onderetage”, en er wordt aangegeven dat de “ecologische en landschappelijke waarde […] niet gering [is]”. Er wordt tevens gewezen op de functie die het perceel vervult “als zone voor faunapassage en rustplaats voor fauna”. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de kenmerken van de omgeving. In dit verband wordt vermeld dat het “betrokken perceel […] gelegen [is] in een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is en […] als bos [kan] behouden worden”, dat het “perceel is gelegen tussen het Groot- en Klein Schietveld, die beiden als habitatrichtlijngebied werden geselecteerd […]”. Het gegeven dat in de motivering wordt aangegeven dat “de geplande ontbossing voor bebouwing […] aanleiding [zal] geven tot verdere versnippering” en dat wordt geoordeeld dat het “niet toekennen van een ontheffing van het verbod op ontbossing van de percelen […] verdere degradatie van het boscomplex en versnippering [zal] voorkomen”, wijst op de bestaande versnippering van de aanwezige bebossing (door bebouwing in de omgeving).
- Aldus blijkt uit de motivering dat de bestreden beslissing gebaseerd is op concrete feitelijke elementen, waarbij zowel rekening wordt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-6/15 gehouden met de kenmerken van het betrokken perceel als met de kenmerken van de omgeving. Deze motieven verschaffen voldoende duidelijkheid waarom de aanvraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing wordt geweigerd. Ze vormen ook een afdoende verantwoording voor de bestreden weigeringsbeslissing. De formelemotiveringsplicht vereist voor het overige niet dat op alle argumenten van de aanvrager van een ontheffing wordt geantwoord.
- Verzoekster betwist in essentie het motief dat er sprake zou zijn van een aaneengesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is, aangezien er wel degelijk bebouwing aanwezig is, waardoor deze geen functie kan vervullen als zone voor faunapassage en rustplaats voor fauna. Uit de door verzoekster bijgebrachte foto’s blijkt dat langs beide zijden van de Heidedreef, en ook rondom het betrokken perceel, nog bos aanwezig is. De bij het verzoekschrift gevoegde foto’s geven verder blijk van bebouwing op andere percelen, maar dat sluit op zich niet uit dat het betrokken perceel deel uitmaakt van “een aaneengesloten geheel van bossen” zoals in het bestreden besluit wordt aangegeven. Uit geen van de bijgebrachte foto’s kan worden afgeleid dat de aanwezige bebossing niet in verbinding zou staan met andere (onbebouwde) bossen. Aangezien verzoekster niet aannemelijk maakt dat er geen sprake is van een aaneengesloten geheel van bossen, maakt zij evenmin aannemelijk dat de functie als natuurverbinding niet mogelijk zou zijn.
- De ligging van het perceel in een gebied voor verblijfsrecreatie en zone voor weekendverblijven, brengt niet mee dat verzoekster de gerechtvaardigde verwachting mocht koesteren dat het bestuur op elk ogenblik en zonder verder onderzoek ertoe gehouden was een toelating of vergunning te verlenen die strekt tot het realiseren van een weekendverblijf op het betrokken terrein. De realisatie van de planologische bestemming is immers afhankelijk van de verenigbaarheid met andere sectorale wetgeving, zoals in dit geval het bosdecreet. In sommige gevallen kunnen de door de sectorale wetgeving gestelde eisen ertoe leiden dat de bestemming die bepaald werd in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften, niet kan worden gerealiseerd. De bestreden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-7/15 beslissing stelt overigens vast dat de ontbossing van het betrokken perceel “verenigbaar [is] met de ruimtelijke bestemming”.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoekster
- In een tweede middel voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is omdat zonder meer wordt aangenomen dat het bos is ontstaan voor
- Ook betoogt zij dat de opgegeven motivering feitelijk onjuist is in zoverre wordt gesteld dat het perceel onderdeel is van een aaneengesloten geheel van bossen. Beoordeling
- In zoverre verzoekster herhaalt dat het perceel geen onderdeel uitmaakt van een aaneengesloten geheel van bossen, en in dat verband wijst op de bebouwde percelen in de omgeving, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel.
- Voor het aanmerken van de aanwezige bosvegetatie als (zeer) waardevol steunt de bestreden beslissing niet alleen op het feit dat het bos is ontstaan voor 1850, maar ook op “het INBO-document ‘Natuurverbindingsgebieden in Vlaanderen: achtergronden, afbakening en mogelijke inrichting (rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2007, INBO.R.2007.14)’”. Tegen dat motief formuleert verzoekster geen kritiek.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van verzoekster ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-8/15
- Een derde middel is genomen uit de schending van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: eerste aanvullend protocol bij het EVRM), alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van gelijkheid van de burgers voor openbare lasten. Volgens verzoekster is de onmogelijkheid om het perceel voor recreatie te gebruiken omdat het als bos behouden moet blijven, een last die groter is dan die welke elke andere particuliere persoon of vennootschap in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Er is volgens verzoekster sprake van een onverantwoorde of ongedifferentieerde verdeling van de lasten. Zij merkt ook op dat het bestreden besluit niet vooruit kan lopen op het resultaat van een eventuele aanvraag tot omgevingsvergunning, vermits die beoordeling niet tot de bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing behoort. Voorts argumenteert zij dat de overheid door het weigeren van de gevraagde ontheffing, kiest voor de meest schadelijke optie aangezien zij terecht investeringen heeft gedaan, het perceel bestemd is voor recreatie en de aangrenzende percelen reeds bebouwd zijn. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt volgens verzoekster dat een gebruiksreglementering waardoor de waarde van de grond quasi tot nul wordt herleid, gelijk staat aan eigendomsberoving. Gezien de omvang van de waardevermindering is de eigendomsbeperking in toepassing van het bosdecreet niet proportioneel. Volgens haar is geen enkele vorm van recreatie nog mogelijk op het betrokken perceel en doordat het bos integraal behouden moet blijven ondergaat haar eigendom een ernstige waardevermindering.
- Verzoekster beklemtoont in haar laatste memorie dat uit correspondentie met het gemeentebestuur van Brasschaat blijkt dat voor de realisatie van “eender welk project” op het betrokken perceel een ontheffing van het ontbossingsverbod verkregen moet worden, zodat de bestreden beslissing neerkomt op het instellen van een absoluut bouwverbod. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-9/15 Beoordeling
- Er valt in de eerste plaats niet in te zien hoe de bestreden beslissing zou vooruitlopen op een eventuele beslissing over een omgevingsvergunningsaanvraag, aangezien met de bestreden beslissing enkel uitspraak wordt gedaan over het verzoek tot ontheffing van het ontbossingsverbod en dit verzoek op grond van concrete en, in het kader van een dergelijke aanvraag, pertinente motieven wordt geweigerd.
- Beperkingen van het eigendomsrecht die geen overdracht van de eigendom met zich meebrengen, vallen onder de waarborgen van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Artikel 1 van het eerste protocol bepaalt: “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.” Die bepaling biedt niet alleen bescherming tegen een daadwerkelijke onteigening of eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin, artikel 1, eerste protocol), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin, artikel 1, eerste protocol) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea, artikel 1, eerste protocol). Bovendien beschermt artikel 1 van het eerste protocol niet alleen het klassieke eigendomsrecht in de zakenrechtelijke betekenis maar ook de vermogensrechten. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-10/15 Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof dat elke inmenging in het eigendomsrecht een billijk evenwicht dient te vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Een beperking van “het ongestoord genot” van eigendom houdt evenwel niet ipso facto een schending in van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Het tweede lid van dit artikel bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”.
- Het bosdecreet voert een principieel ontbossingsverbod in met het oog op het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en van hun natuurlijk milieu. Een door dat doel ingegeven weigering tot ontheffing van het decretale ontbossingsverbod kan worden ingepast in artikel 1, tweede lid, van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Er moet tevens een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Wanneer het gaat om een maatregel van reglementering van gebruik van eigendom, is het gebrek aan vergoeding één van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of het billijk evenwicht geëerbiedigd werd, maar kan dat gebrek aan vergoeding op zichzelf nooit een schending van het voormelde artikel 1 opleveren.
- In de bestreden beslissing wordt erop gewezen dat de “ecologische en landschappelijke waarde [van het bos op het betrokken perceel] niet gering [is]” dat “er een reële kans bestaat op aanwezigheid en ontwikkeling van zeer waardevolle bestaande bosvegetatie” en dat het betrokken perceel is gelegen “in een aangesloten geheel van bossen dat nog niet bebouwd is en als bos […] behouden [kan] worden”. Voorts wordt gesteld dat “[d]e geplande ontbossing ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-11/15 voor bebouwing, aanleg van verhardingen, inrichting van de percelen met het voorzien van erfafsluitingen en menselijke activiteiten […] aanleiding [zal] geven tot verdere versnippering van het ecologisch waardevol gebied”. De in de bestreden beslissing opgegeven weigeringsmotieven kunnen ingepast worden in de bescherming van het algemeen belang in de zin van artikel 1, tweede lid, van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM.
- Verzoekster toont niet aan dat ingevolge de bestreden beslissing, waarmee haar verzoek tot ontheffing van het ontbossingsverbod wordt geweigerd, geen constructies van welke aard dan ook meer zullen kunnen worden opgericht. De bestreden beslissing spreekt zich immers enkel uit over de concreet ingediende aanvraag en houdt rekening met “[d]e geplande ontbossing voor bebouwing, aanleg van verhardingen, inrichting van de percelen met het voorzien van erfafsluitingen en menselijke activiteiten”. Uit niets blijkt dat ieder ander project op het betrokken perceel uitgesloten is, laat staan dat de bestreden beslissing ertoe strekt een volledig bouwverbod in te stellen.
- Zoals reeds werd opgemerkt bij de beoordeling van het eerste middel, kan verzoekster, uit het gegeven dat het perceel gelegen is in een gebied voor verblijfsrecreatie en zone voor weekendverblijven, niet de gerechtvaardigde verwachting putten dat het bestuur ertoe gehouden zou zijn een toelating te verlenen voor eender welk project dat strekt tot het realiseren van een weekendverblijf op het betrokken terrein.
- In zoverre verzoekster opwerpt dat “alle aangrenzende percelen bebouwingen bevatten”, wordt niet aangetoond dat die bouwprojecten vergelijkbaar zijn met het project dat verzoekster ter plaatse wenst te realiseren. Tegelijk mag ook niet uit het oog worden verloren dat het Agentschap voor Natuur en Bos bij de beoordeling van een individuele ontheffingsaanvraag overeenkomstig artikel 90bis, § 1, derde lid, van het bosdecreet over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt en dat bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening moet worden gehouden met alle beschikbare feitelijke elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De dossiergerichte beoordeling van ontheffingsaanvragen brengt mee dat het verlenen van een individuele ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-12/15 ontheffing van het verbod op ontbossing in een bepaald geval niet bij elkeen de gerechtvaardigde verwachting kan wekken dat ook zijn aanvraag dezelfde gewenste uitkomst zal kennen.
- Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie houdt het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten in dat de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Uit dat beginsel vloeit voort dat de onevenredig nadelige - dit zijn de buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een op zich rechtmatige overheidsdaad, zoals het opleggen van een erfdienstbaarheid van openbaar nut, niet ten laste van de getroffene behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld. In dit geval voorziet het Bosdecreet niet in een vergoedingsregeling voor de eigenaars van beboste percelen wiens verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing wordt geweigerd. Dat verhindert niet dat de rechter in het kader van bepaalde geschillen moet onderzoeken of op grond van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten een vergoeding moet worden toegekend. Het ontbreekt de Raad van State echter aan rechtsmacht om dergelijk onderzoek te verrichten in het kader van een vernietigingsberoep tegen de bestreden beslissing.
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-13/15 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.479 VII-41.207-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.479 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div