← België

Arrest 258480 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.480 Rolnummer: A. 231689/VII-40915 Zaak: Arrest 258480 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-26 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-10 19:41 Fiche Arrest nr 258.480 van 18 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.480 van 18 januari 2024 in de zaak A. 231.689/VII-40.915 In zake : de NV DOMEIN VAN BORNEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Donatienne Ryckbost en Emmanuel Ryckbost kantoor houdend te 8400 Oostende E. Beernaertstraat 80 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 september 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 8 juli 2020 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 19 maart 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot percelen gelegen aan de Kasteelstraat 35 te Bornem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de opgelegde bestuurlijke maatregelen worden hervormd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-1/12 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 27 februari 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 mei
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fitzgerald Temmerman, die loco advocaten Donatienne Ryckbost en Emmanuel Ryckbost verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Thomas Quintens, die loco advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 26 februari 2020 voeren toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos, vergezeld door een hoofdinspecteur van de lokale politie, een controle uit op percelen, gelegen ter hoogte van de noordelijke oever van de Oude Schelde te Bornem. Zij stellen vast dat door middel van stokken in de grond 18 visplaatsen gemarkeerd werden. Aan de visplaatsen was de begroeiing weggenomen en op sommige plaatsen waren kleine vlonders of stijgers aangelegd. Verder langs de oever waren zones vrijgemaakt waar vissers hun tenten kunnen opstellen. Van die vaststellingen wordt een proces-verbaal opgesteld. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-2/12 3.
  6. Bij besluit van 19 maart 2020 legt het Agentschap voor Natuur en Bos, onder meer aan de verzoekende partij, de volgende bestuurlijke maatregelen op: “
  7. De plaatsen waar bomen geveld zijn, dienen herbebost te worden met driejarig inlands bosplantsoen in een plantverband van 2 x 2 meter.
  8. Alle aangelegde bruggen en loopplanken tussen de Benedendijkstraat en de visplaatsen moeten verwijderd worden.
  9. De vegetatie moet zich terug ontwikkelen: er mogen geen paden aangelegd of verder onderhouden worden.
  10. Er mag niet meer gevist worden op de betrokken percelen.
  11. Er mogen geen nieuwe huurovereenkomsten met betrekking tot de betrokken visplaatsen afgesloten worden.
  12. Er mogen geen nieuwe visplaatsen aangelegd worden.
  13. Er moet een kopie van de op dit moment lopende huurovereenkomsten overgedragen worden aan natuurinspectie.” De uitvoering van de bestuurlijke maatregelen dient te gebeuren overeenkomstig de volgende kalender: “Uiterlijk tegen 31/03/2021 * De plaatsen waar bomen geveld zijn, dienen herbebost te worden met driejarig inlands bosplantsoen in een plantverband van 2 x 2 meter. Uiterlijk tegen 30/04/2020 * Alle aangelegde bruggen en loopplanken tussen de Benedendijkstraat en de visplaatsen moeten verwijderd worden. * Alle geïmproviseerde steigertjes aan de waterkant dienen te worden verwijderd * Een kopie van de op dit moment lopende huurovereenkomsten, met per overeenkomst de naam en adres van de huurder en het nummer van iedere visplaats moet overgedragen worden aan natuurinspectie. Met onmiddellijke ingang * De vegetatie moet zich terug vrij ontwikkelen: er mogen geen paden aangelegd of onderhouden worden. * Er mag niet meer gevist worden op de betrokken percelen. * Er mogen geen nieuwe huurovereenkomsten met betrekking tot de betrokken visplaatsen afgesloten worden. * Er mogen geen nieuwe visplaatsen worden aangelegd.” 3.
  14. Tegen voormelde beslissing stelt de verzoekende partij beroep in bij de Vlaamse regering. 3.
  15. In het advies van de afdeling Handhaving van 8 juni 2020 wordt voorgesteld om het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-3/12 3.
  16. Met het thans bestreden besluit van 8 juli 2020 verklaart de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het beroep van de verzoekende partij gedeeltelijk gegrond. Na wijziging van punt 3 luiden de opgelegde bestuurlijke maatregelen als volgt: “
  17. De plaatsten waar bomen geveld zijn, dienen herbebost te worden met driejarig inlands bosplantsoen in een plantverband van 2 x 2 meter.
  18. Alle aangelegde bruggen en loopplanken tussen de Benedendijkstraat en de visplaatsen en alle steigertjes aan de waterkant moeten verwijderd worden.
  19. De vegetatie moet zich terug ontwikkelen: er mogen geen paden aangelegd of verder onderhouden worden, met uitzondering van de paden die beheerd worden in het kader van de bescherming als monument van de eendenkooi met eiland.
  20. Er mag niet meer gevist worden op de betrokken percelen.
  21. Er mogen geen nieuwe huurovereenkomsten met betrekking tot de betrokken visplaatsen afgesloten worden.
  22. Er mogen geen nieuwe visplaatsen aangelegd worden.
  23. Er moet een kopie van de op dit moment lopende huurovereenkomsten overgedragen worden aan natuurinspectie.” De definitieve kalender voor de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen wordt als volgt bepaald: “Uiterlijk tegen 31/03/2021 * De plaatsen waar bomen geveld zijn, dienen herbebost te worden met driejarig inlands bosplantsoen in een plantverband van 2 x 2 meter. Uiterlijk tegen 30/04/2020 * Een kopie van de op dit moment lopende huurovereenkomsten, met per overeenkomst de naam en adres van de huurder en het nummer van iedere visplaats moet overgedragen worden aan natuurinspectie. Uiterlijk tegen 31/08/2020 * Alle aangelegde bruggen en loopplanken tussen de Binnendijkstraat en de visplaatsen moeten verwijderd worden. * Alle geïmproviseerde steigertjes aan de waterkant dienen te worden verwijderd. Met onmiddellijke ingang * De vegetatie moet zich terug vrij ontwikkelen: er mogen geen paden aangelegd of onderhouden worden, met uitzondering van de paden die beheerd worden in het kader van de bescherming als monument van de eendenkooi met eiland. * Er mag niet meer gevist worden op de betrokken percelen. * Er mogen geen nieuwe huurovereenkomsten met betrekking tot de betrokken visplaatsen afgesloten worden. * Er mogen geen nieuwe visplaatsen worden aangelegd.” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-4/12 IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij
  24. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 12bis, 12sexies, 2° en 3°, en 25, § 1, tweede lid, 5°, van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: natuurbehouddecreet), van de artikelen 2 en 6 van de wet van 1 juli 1954 ‘op de riviervisserij’, van het koninklijk besluit van 5 oktober 1992 ‘tot vaststelling van de lijst van de waterwegen en hun aanhorigheden overgedragen van de Staat aan het Vlaams Gewest’, van artikel 16 van de Grondwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de verplichting inzake materiële motivering, van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten en van het vertrouwens-, het rechtszekerheids-, het redelijkheids-, het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. In de toelichting bij het middel stelt de verzoekende partij dat het recreatief vissen in GEN-gebied (Grote Eenheden Natuur) niet verboden is, dat in een dergelijk gebied de overheid de nodige maatregelen moet nemen om de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen, rekening houdend met de andere - economische en sociale - functies van het gebied, dat in natuurgebieden gestreefd moet worden naar een geïntegreerd beleid waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende maatschappelijke functies van het natuurgebied, waaronder niet alleen de algemene natuurbelevings- en educatieve functie, maar ook de sociale, economische en recreatieve functies, zodat het met de bestreden beslissing opgelegde algemene visverbod en de daarmee samenhangende maatregelen (met name het verbod om nieuwe huurcontracten voor visplaatsen af te sluiten en het verbod om nieuwe visplaatsen aan te leggen) in strijd zijn met de artikelen 12bis, en 25, § 1, tweede lid, 5°, van het natuurbehouddecreet. Bovendien is de vaststelling dat niet bewezen wordt dat voor het vissen in het betrokken gebied in het verleden een toestemming, machtiging of vergunning zou zijn verleend of een ontheffing van het verbod werd verleend, niet correct aangezien het vissen in private wateren, die in natuurgebied gelegen zijn, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-5/12 steeds is toegelaten en er in dit geval op geen enkel ogenblik een uitdrukkelijk visverbod werd ingesteld. Gelet op het ontbreken van een uitdrukkelijk visverbod en het voorheen gevoerde beleid van het Agentschap voor Natuur en Bos, mocht zij erop vertrouwen dat zij haar visrecht kon uitoefenen en dat er ter plaatse visplaatsen konden worden aangelegd en verhuurd. Daarenboven doen de bestreden bestuurlijke maatregelen op onevenredige wijze afbreuk aan het eigendomsrecht en houden zij een miskenning in van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten. Door het met de bestreden beslissing opgelegde principiële visverbod kan zij haar visrecht, als onderdeel van het eigendomsrecht op de percelen in kwestie, niet meer uitoefenen. Er is ook geen afweging gemaakt tussen de voordelen van het visverbod voor het algemeen belang en de nadelen ervan voor de eigenaar van het visrecht. De percelen waarop de voormelde inbreuken werden vastgesteld, met uitzondering van perceel nr. 372, maken deel uit van het beschermd monument ‘Eendenkooi aan de Oude Schelde’, zodat de bepalingen van artikel 12sexies, 2° en 3°, van het natuurbehouddecreet van toepassing zijn. In de nieuwe beheersovereenkomst voor het natuurgebied, die nog in onderhandeling is, wordt bepaald dat vissen aan de Oude Schelde langs de kant van Weert toegestaan is. Door de met de betreden beslissing opgelegde bestuurlijke maatregelen wordt niet enkel het recreatief medegebruik van de verzoekende partij zelf ernstig beperkt en benadeeld, maar ook het toekomstige recreatief medegebruik van het gebied door Toerisme Vlaanderen. Het grondwettelijk standstillbeginsel is niet absoluut en kan niet worden opgevat als een algemeen rechtsbeginsel in dubio pro natura. Het standstillbeginsel vereist aldus niet dat de uitoefening van het visrecht en het recreatief medegebruik in het VEN-gebied volledig zou verboden worden. Indien voor het aanleggen van bepaalde infrastructuur, zoals bruggetjes, loopplanken, steigertjes en paadjes, een vergunning of toelating moet worden verkregen, zal de aanvraag daartoe voorwerp zijn van een natuurtoets, zoals vereist door artikel 16 van het natuurbehouddecreet. Concreet houdt deze toets in dat de overheid moet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-6/12 nagaan of de vergunningsplichtige activiteit al dan niet vermijdbare schade aan de natuur kan toebrengen. Onder het begrip ‘vermijdbare schade’ wordt die schade begrepen die vermeden kan worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren, met name door bijvoorbeeld gebruik te maken van andere materialen of de activiteit op een andere plaats uit te voeren. Als er alternatieve uitvoeringswijzen bestaan die niet of minder schadelijk zijn voor de natuur, dan moeten deze worden opgelegd in de vergunningsvoorwaarden. Het begrip vermijdbare schade impliceert niet dat elke vergunning zonder meer geweigerd moet worden. In voorliggend geval laat het standstillbeginsel toe dat in het kader van de zorg voor de toegankelijkheid van het gebied desgevallend bruggetjes, loopplanken, steigertjes en paadjes zouden worden vergund of toegelaten.
  25. In haar memorie van wederantwoord erkent de verzoekende partij dat het recreatief medegebruik van een natuurgebied er op zich niet aan in de weg staat dat bestuurlijke maatregelen worden opgelegd. Zulks betekent evenwel niet dat zij moet aanvaarden dat op haar domein een visverbod wordt ingesteld. Zij herhaalt dat de sociale en educatieve functie van een natuurgebied meebrengt dat het toegankelijk moet zijn voor het publiek en dat het vissen als vorm van recreatief medegebruik niet verboden kan worden, temeer omdat blijkt dat het Agentschap voor Natuur en Bos zijn visie over vissen als recreatief medegebruik in het betrokken GEN-gebied heeft gewijzigd. In het kader van een geïntegreerd beleid dat rekening houdt met het recreatief medegebruik, zijn de bestreden bestuurlijke maatregelen niet nodig voor de instandhouding van de plaatselijke natuurwaarden. De verzoekende partij verwijst naar een recente huurovereenkomst die zij met het Agentschap Toerisme Vlaanderen heeft afgesloten en die ertoe strekt het recreatief medegebruik in het betrokken gebied te stimuleren. In die overeenkomst wordt vermeld dat er langs de kant van Weert aan de Oude Schelde mag gevist worden. Het is dan ook tegenstrijdig en in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel dat de verwerende partij het recreatief medegebruik plots terug wil verbieden. Tevens wijst de verzoekende partij op de verplichtingen die voortvloeien uit het beschermingsbesluit van 5 februari 2018 van de Eendenkooi, in het bijzonder de verplichting waarbij haar wordt opgelegd om het kooipad en alle andere paden die beheerd worden in het kader van de bescherming als monument van de Eendenkooi met eiland, te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-7/12 onderhouden, indien nodig door het uitvoeren van houthak.
  26. In haar laatste memorie beklemtoont de verzoekende partij dat een algemeen visverbod meebrengt dat noch haar bestuurders, noch de bewoners van het kasteeldomein waaronder graaf de Marnix de Sainte Aldegonde, noch “familieleden en genodigden”, occasioneel mogen vissen, dat het vissen in ieder geval mogelijk moet blijven op bepaalde plaatsen waar geen terreiningrepen nodig zijn en dat “zachte visserij” alleszins niet verboden mag worden op de visplaatsen die bereikt kunnen worden via het kooipad. Beoordeling
  27. Bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd naar aanleiding van de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de bestuurlijke maatregelen worden opgelegd omdat: “Noch voor de kappingen, noch voor de ingrijpende wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisel-, kruid-, of boomlaag, noch voor het oprichten van constructies, het plaatsen van tenten en het beschadigen van bomen, wegnemen, uittrekken of afsnijden van planten, werd een machtiging verleend. Evenmin werd er een ontheffing verleend voor het wijzigen van de vegetatie. Aangezien geen van deze handelingen voorzien of bepaald zijn in een goedgekeurd beheersplan, betreffen het, gelet op de ligging in bos en in GEN-gebied, verboden handelingen conform bovenvermelde artikelen. Schendingen van het Bosdecreet en het Natuurdecreet worden gehandhaafd overeenkomstig titel XVI van het DABM en de feiten vormen een milieumisdrijf in de zin van het DABM.” Tegelijk wordt vastgesteld dat de sportvissers het natuurgebied noodgedwongen moeten betreden om hun visplaatsen te bereiken.
  28. Het enkele feit dat natuurgebieden overeenkomstig de artikelen 12bis en 12sexies van het natuurbehouddecreet ook een sociale functie hebben die onder meer bestaat uit de toegankelijkheid ervan met het oog op recreatie en deze functie in dit particuliere geval door de overheid zelfs zou zijn aangemoedigd, doet niets af aan de bevoegdheid van de verwerende partij om de gepaste bestuurlijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-8/12 maatregelen op te leggen indien bepaalde milieu-inbreuken of milieumisdrijven worden vastgesteld. De door de verzoekende partij aangehaalde overeenkomst met het Agentschap Toerisme Vlaanderen, die volgens haar strekt tot het aanmoedigen van het recreatief medegebruik van het kwestieuze domein en daarom blijk geeft van een geïntegreerde visie op het natuurbeheer, brengt niet mee dat de verwerende partij had moeten afzien van bestuurlijke handhaving. Hetzelfde geldt voor de overeenkomsten die zouden zijn gesloten voor de aanleg van bepaalde visplaatsen. Dergelijke particuliere overeenkomsten kunnen de contractanten immers niet vrijstellen van de door de wet ingestelde vergunningsplicht die alle rechtspersonen in acht dienen te nemen.
  29. Voorts wordt vastgesteld dat de betrokken percelen door het bijzonder plan van aanleg ‘Weert’ (hierna: het BPA) worden aangeduid als natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat. Deze gebieden zijn volgens het BPA bestemd “voor het behoud en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden” en worden in deze gebieden enkel handelingen en werken toegestaan “welke nodig zijn voor de actieve of passieve bescherming van het gebied”. In het BPA wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds “onder bepaalde voorwaarden toelaatbare, vergunningsplichtige werken” en anderzijds “verboden handelingen”. In de eerste categorie worden onder meer ingrepen aan de aanwezige natuur, ter uitvoering van een goedgekeurd beheersplan, ondergebracht. Tot de uitdrukkelijk vermelde verboden behoort onder meer: het oprichten van nieuwe gebouwen en constructies, het oprichten van vissershutten, het aanleggen van visserssteigers en alle reliëfwijzigingen (met inbegrip van alle wijzigingen aan waterlopen, sloten en beken). In het BPA wordt vissen niet vermeld als een toegelaten activiteit. Bovendien blijkt uit de bestemmingsplannen van het gewestplan Mechelen dat ter hoogte van de betrokken percelen geen zones voor vissport zijn voorzien, terwijl dat wel het geval is op andere plaatsen langsheen de Oude Schelde.
  30. Naar luid van artikel 1 van de wet van 1 juli 1954 ‘op de riviervisserij’, regelt deze wet de visserij “in de binnenwateren, met uitzondering ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-9/12 van die welke beoefend wordt op de vijvers, visputten, sloten en kanalen, van welke aard ook, wanneer de vissen die er leven, zich niet vrij kunnen bewegen tussen deze plaatsen en de stromen, rivieren en andere openbare waterlopen”. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de vzw Oude Scheldevrienden jaarlijks vis uitzet in de Oude Schelde en dat zij het waterpeil van de Oude Schelde op peil houdt. Voorts wordt in het verzoekschrift de Oude Schelde omschreven als “een gesloten en privaat water gelegen op het grondgebied van de gemeente Bornem”. Hieruit volgt dat de Oude Schelde niet beschouwd kan worden als een binnenwater in de zin van artikel 1 van de wet van 1 juli 1954 en dat deze wet dus niet van toepassing is op de Oude Schelde, noch op de visvangst die erop plaatsvindt. Met betrekking tot de vzw Oude Scheldevrienden wordt vastgesteld dat het werkingsgebied van deze vereniging ruimer is dan de vijf percelen waarop de bestreden bestuurlijke maatregelen betrekking hebben. Uit de statuten van de vereniging blijkt meer bepaald dat het volledige gebied van de Oude Schelde behoort tot het werkingsgebied. Dit wordt bevestigd door het bestaan van talrijke visplaatsen op andere plaatsen langsheen de Oude Schelde, zoals blijkt uit het grafisch plan van het BPA ‘Landelijk Gebied Oude Schelde nr. 47’ en de aanduidingen op het gewestplan Mechelen. Aangezien in de bestreden beslissing gewag wordt gemaakt van nieuw ingerichte visplaatsen, toont de verzoekende partij niet aan dat de visplaatsen die door de bestuurlijke maatregelen specifiek worden geviseerd het voorwerp waren van een gedoogbeleid. In de mate de verzoekende partij laat uitschijnen dat de bestreden beslissing een visverbod instelt voor het gehele VEN-gebied, mist het middel feitelijke grondslag aangezien dat verbod enkel geldt voor vijf percelen van het gebied.
  31. Overeenkomstig artikel 6 van de wet van 1 juli 1954 ‘op de riviervisserij’ hebben in al de andere waterlopen dan de “stromen, rivieren en vaarten die door de Koning onder de met schip, schuit of vlot bevaarbare of vlotbare waterwegen gerangschikt zijn en waarvan het onderhoud ten laste is van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-10/12 de Staat of van zijn rechthebbenden” valt, de oevereigenaars het visrecht “ieder van zijn kant en tot in het midden van de waterloop”. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.” Artikel 16 van de Grondwet heeft enkel betrekking op de daadwerkelijke onteigening, dit is de gedwongen overdracht van eigendom met eigendomsverlies tot gevolg en dus een werkelijke ontzetting van het bezit, minstens een blijvende verlamming van de drie bestanddelen van het eigendomsrecht, wat te dezen niet het geval is. Geen enkele van de bestreden bestuurlijke maatregelen heeft immers tot gevolg dat de verzoekende partij uit haar eigendomsrechten wordt ontzet, noch dat zij ertoe wordt verplicht om tot eigendomsoverdracht over te gaan. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof dat elke inmenging in het eigendomsrecht een billijk evenwicht dient te vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. Een beperking van “het ongestoord genot” van eigendom houdt evenwel niet ipso facto een schending in van het eigendomsrecht.
  32. Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie houdt het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten in dat de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Uit dat beginsel vloeit voort dat de onevenredig nadelige - dit zijn de buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een op zich rechtmatige overheidsdaad, zoals het opleggen van een erfdienstbaarheid van openbaar nut, niet ten laste van de getroffene behoren te komen, maar gelijkelijk over de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-11/12 gemeenschap dienen te worden verdeeld. Aangezien de toepassing van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten ertoe strekt de gelijkheid van de burgers te herstellen wanneer individuele of een beperkte groep burgers als gevolg van een op zich rechtmatige overheidsdaad abnormaal worden getroffen, valt niet in te zien hoe dat beginsel dienstig als vernietigingsgrond tegen een beweerdelijk onwettig overheidsbesluit aangevoerd kan worden.
  33. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.480 VII-40.915-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.480 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.