id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.521 Rolnummer: A. 236875/VII-41605 Zaak: Arrest 258521 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-30 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-06-10 19:57 Fiche Arrest nr 258.521 van 22 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.521 no lien 275248 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.521 van 22 januari 2024 in de zaak A. 236.875/VII-41.605 In zake : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2F5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Martine MAES
- Eric MESSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roland De Rouck kantoor houdend te 9400 Ninove Leopoldlaan 17 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 juli 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0857 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 16 juni 2022 in de zaak 2021-RvVb-0425-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 15.002 van 1 september
- VII-41.605-1/20 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 juni
- Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hanna Biebauw, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sven Sillen, die loco advocaat Roland De Rouck verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat de verwerende partijen bij de rechtbank van eerste aanleg van Gent een vordering tegen de eigenaars van het aanpalende perceel (hierna: cs. M.) hebben ingesteld op basis van artikel 544 van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.521 VII-41.605-2/20 het oud Burgerlijk Wetboek, waarbij zij – met verwijzing naar een door een deskundige opgemaakt plan van de tuin van het aanpalende perceel – vorderden dat de cs. M. een aantal maatregelen nemen, waaronder het rooien, minstens kandelaren van “esdoorn nr. 4”. Met een vonnis van 28 september 2012 veroordeelt de rechtbank van eerste aanleg te Gent de cs. M. tot het nemen van een aantal maatregelen, waaronder het rooien van “esdoorn nr. 4”. 3.
- Op vraag van de cs. M. verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) met een besluit van 23 mei 2013 een stedenbouwkundige vergunning aan de cs. M. voor het rooien van bepaalde bomen maar weigert zij een vergunning af te geven voor het rooien van “esdoorn nr. 4” (hierna: deputatiebesluit van 23 mei 2013). In de overwegingen van het deputatiebesluit van 23 mei 2013 wordt de laatstgenoemde weigering verantwoordt door te stellen dat “niet [kan] verwacht worden dat [de] elementen [die het genot van aanpalende percelen beïnvloeden] opgeruimd worden, wanneer deze niet resulteren in een maat van burenhinder die de maat van gangbare, te verwachten burenhinder overstijgt” en dat “de ingeroepen hinder de maat van te verwachten hinder niet overstijgt”. 3.
- Met een arrest van 16 december 2014 verklaart de Raad voor Vergunningsbetwistingen het beroep van de verwerende partijen in cassatie tot vernietiging van het deputatiebesluit van 23 mei 2013 ongegrond. Bij arrest nr. 231.961 van 15 juli 2015 verklaart de Raad van State het door de verwerende partijen ingediende cassatieberoep tegen het voornoemde arrest van de Raad voor Vergunningsbeslissingen ontvankelijk en gegrond. Het cassatiearrest overweegt dat “door […] te beslissen dat de deputatie, spijts haar uitspraak over de burenhinder, niet haar bevoegdheid heeft overschreden, […] het bestreden arrest [van de RvVb] artikel 144 Gw [schendt]”. VII-41.605-3/20 3.
- Met een arrest van 7 juni 2016 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen weerom het deputatiebesluit van 23 mei
- Hij overweegt hierin: “Uit die overwegingen blijkt dat de verwerende partij de vraag of de verzoekende partijen als buren al dan niet hinder wordt berokkend die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, op doorslaggevende wijze bij haar beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening betrokken heeft. Aldus gaat de verwerende partij haar bevoegdheid te buiten. Het middel is in de aangegeven mate gegrond.” 3.
- Met een besluit van 20 oktober 2016 verleent de deputatie opnieuw een stedenbouwkundige vergunning aan de cs. M. voor het rooien van bepaalde bomen en weigert zij opnieuw een vergunning voor het rooien van “esdoorn nr. 4” (hierna: deputatiebesluit van 20 oktober 2016). In de overwegingen van het deputatiebesluit van 20 oktober 2016 wordt de laatstgenoemde weigering verantwoord als volgt: “Daar het aspect burgerrechterlijke ‘hinder’ niet doorslaggevend mag zijn, dienen dergelijke aanvragen louter stedenbouwkundig beoordeeld te worden. Een stedenbouwkundige beoordeling kan enkel leiden tot navolging van het standpunt van het college van burgemeester en schepenen, nl. dat het stedenbouwkundig onverantwoord is deze grote en zeer oude boom te rooien, daar hiermee het karakter van de betrokken parktuin, en – ruimer – het betrokken binnengebied teveel geschaad wordt. Dit binnengebied wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van dergelijke bomen, het verlenen van een vergunning om ook deze esdoorn te rooien tast dit ruimtelijk kenmerk al te zeer aan. De precedentswaarde van het toelaten van het rooien van de esdoorn kan erin resulteren dat het schaarse groen dat er nog rest in dergelijke binnengebieden vogelvrij wordt verklaard, wat niet kan aanvaard worden. Een dergelijk parktuin-geheel met hoge bomen is een verademing voor het ganse binnengebied waarin de tuin zich bevindt en ruimer, voor de stad. Dit gegeven is voor het functioneren van de stad essentieel. Door toe te staan dat 4 van de 5 bomen mogen gerooid worden – waaronder deze die het dichtst bij de achtergevel en dus de terraszone staan – wordt reeds in belangrijke mate tegemoetgekomen aan de verzuchting van de rechterburen om meer zonlicht te ontvangen. Het behoud van de esdoorn dringt zich op met het oog op het behouden van het vanuit stedenbouwkundig oogpunt noodzakelijk kwalitatief groen in dergelijke binnengebieden, groen dat vele taken vervult in die binnengebieden en het klimaat ervan mee beïnvloedt.” VII-41.605-4/20 3.
- Met een arrest van 26 maart 2019 verklaart de Raad voor Vergunningsbetwistingen het beroep van de verwerende partijen tot vernietiging van het deputatiebesluit van 20 oktober 2016 gegrond en vernietigt hij dit besluit. 3.
- Bij arrest nr. 246.407 van 17 december 2019 vernietigt de Raad van State het voornoemde arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 17 december 2019 en verwijst hij de zaak naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. 3.
- Met een arrest van 17 september 2020 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het deputatiebesluit van 20 oktober
- Dit arrest is definitief geworden. 3.
- De administratieve procedure wordt hernomen en met een beslissing van 14 januari 2021 verleent de deputatie nogmaals een stedenbouwkundige vergunning voor het rooien van bepaalde bomen maar weigert zij de vergunning voor het rooien van “esdoorn nr. 4” (hierna: deputatiebesluit van 14 januari 2021). 3.10 De verwerende partijen stellen op 3 maart 2021 een beroep tot nietigverklaring in tegen het deputatiebesluit van 14 januari
- Met een arrest van 16 juni 2022 verklaart de Raad voor Vergunningsbetwistingen dit laatste beroep gegrond en vernietigt hij het deputatiebesluit van 14 januari
- Dit is het thans bestreden arrest. VII-41.605-5/20 IV. Exceptie van niet-ontvankelijkheid; gebrek aan belang
- De verwerende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij bij het cassatieberoep. Zij voeren in essentie aan dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het voorliggende cassatieberoep omdat het niet gaat om een zaak die de provincie aanbelangt maar om een geschil tussen particulieren over de aanwezigheid van een boom die moet worden gerooid op privéterrein, dus zelfs niet om een boom op een domein dat eigendom van de provincie is. Dat de verzoekende partij een procespartij was bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, betekent nog niet dat zij al dan niet belang heeft bij het al dan niet rooien van een privéboom. De verwerende partijen achten het belang van de verzoekende partij bovendien niet geoorloofd of wettig: de verzoekende partij wendt haar bevoegdheden aan voor private belangen waarvan de behartiging niet tot haar bevoegdheid behoort en zij helpt om het vonnis van de burgerlijke rechter niet te respecteren. De vergunningverlenende overheid dient rekening te houden met het gezag van gewijsde, waarvan de miskenning leidt tot een gebrek aan het rechtens vereiste belang. De verwerende partij is bijkomend van oordeel dat de huidige procedure bij toepassing van de juiste rechtsgronden en het gezag van gewijsde niet tot een wijziging kan leiden en dat ook deze vaststelling reeds tot een gebrek aan belang leidt.
- De verzoekende partij is partij geweest in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen die heeft geleid tot het thans bestreden arrest. Als bestuur wordt zij benadeeld door de vernietiging van de door haar genomen beslissing en zij heeft er belang bij hiertegen op te komen. Hetgeen de verwerende partijen laten gelden doet geen afbreuk hieraan. De exceptie wordt verworpen. VII-41.605-6/20 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 4.3.1 en volgende, 78 en 105 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet) iuncto de artikelen 40 en 144 van de Grondwet, van artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek en van “het principe van de scheiding der machten”. De verzoekende partij voert na een theoretische uiteenzetting aan dat het te dezen ontegensprekelijk gaat om een conflict van bevoegdheden. Bij een conflict tussen een exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken (uitspraak doen in een geschil over een burgerlijk recht) en een exclusieve bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid (beslissen over een vergunningsaanvraag), dient de cassatierechter te oordelen welke bevoegdheid voorrang krijgt. Volgens de verzoekende partij blijft de vergunningverlenende overheid, wat haar exclusieve bevoegdheid betreft, bevoegd om vrij en discretionair te beschikken over een vergunningsaanvraag. Een gebeurlijke rechterlijke maatregel kan niet maken dat die overheid zich alsnog beperkt ziet in haar beleidsvrijheid. Het gerechtelijk recht biedt wel een mogelijkheid om uit de impasse te geraken, namelijk dat de rechtsonderhorige de rechtbank vat met de stelling dat het onmogelijk is uitvoering te geven aan het door de rechter opgelegde herstel. Daarom vraagt de verzoekende partij dat de Raad van State als cassatierechter voorrang zou verlenen aan de uitoefening van de exclusieve bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. Er anders over oordelen zou betekenen dat de rechter zich zonder voorbehoud kan bewegen op het exclusieve bevoegdheidsdomein van het bestuur. De verzoekende partij besluit dat omwille van de aangehaalde bepalingen en de scheiding der machten de rechter niet a priori kan bevelen hoe de vergunningverlenende overheid kan handelen. VII-41.605-7/20
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt toe dat de medewerkingsplicht waarnaar de verwerende partijen verwijzen, niet maakt dat een vergunningverlenende overheid die wordt geconfronteerd met een uitspraak van een rechter over haar bevoegdheidsdomein, haar taak als orgaan van actief bestuur niet meer zou moeten uitoefenen. De rechter is te dezen niet bevoegd om uitspraak te doen over de goede ruimtelijke ordening, zodat men niet kan voorhouden dat de verzoekende partij gebonden is door de rechterlijke uitspraak bij het uitvoeren van haar toets aan de goede ruimtelijke ordening. Beoordeling
- Artikel 40 van de Grondwet bepaalt dat de rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en de rechtbanken en dat de arresten en vonnissen in naam des Konings ten uitvoer worden gelegd. Uit deze bepaling vloeit de plicht voort voor het bestuur om mee te werken aan de uitvoering van vonnissen en arresten (hierna: medewerkingsplicht van het bestuur). De medewerkingsplicht van het bestuur brengt mee dat, wanneer de burgerlijke rechter ter vrijwaring van een privaat belang een maatregel heeft opgelegd, het bestuur er in beginsel toe gehouden is de voor het nemen van die maatregel vereiste vergunning af te geven. Een afwijking van dit beginsel kan worden aanvaard wanneer het bestuur zich beroept op een motief waarmee dat bestuur rekening mocht houden en waarmee de burgerlijke rechter geen rekening heeft kunnen houden en dat steunt op een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang, die des te dwingender moet zijn naarmate meer tekort wordt gedaan aan de uitspraak van de burgerlijke rechter.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, is de Raad van State echter niet bevoegd “om te oordelen welke van de bevoegdheden voorrang dient te krijgen”. Het middel faalt in die mate naar recht. VII-41.605-8/20 De Raad van State kan desgevraagd enkel nagaan, hetgeen in de volgende middelen aan bod komt, of de Raad voor Vergunningsbetwistingen de in artikel 40 van de Grondwet bedoelde medewerkingsplicht op een correcte wijze heeft toegepast of beoordeeld.
- Voor zover de verzoekende partij kritiek uitoefent op de bevoegdheidsbeperking die voortvloeit uit de in artikel 40 van de Grondwet bedoelde medewerkingsplicht, gaat het om kritiek op de wet zelf. De Raad van State is niet bevoegd zich hierover uit te spreken.
- Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een tweede middel de schending op van de artikelen 40 en 144 van de Grondwet, van het principe van de scheiding der machten en van artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoekende partij voert aan dat de verwerende partijen in hun eerste middel voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen de tenuitvoerlegging van een subjectief recht hebben benaarstigd door te stellen dat de verzoekende partij de juiste draagwijdte van het vonnis van de burgerlijke rechter heeft miskend en op geen enkel ogenblik een motief heeft gegeven waaruit een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang zou blijken. Het door de Raad voor Vergunningsbetwistingen gegrond verklaarde middel had rechtstreeks betrekking op een betwisting inzake het subjectieve recht van de verwerende partijen om “esdoorn nr. 4” gerooid te krijgen, dit wil zeggen om de tenuitvoerlegging van het vonnis van de burgerlijke rechter 28 september 2012 te verkrijgen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen was hiervoor niet bevoegd. De verzoekende partij vervolgt dat het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het door de Raad voor Vergunningsbetwistingen gegrond verklaarde middel de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.521 VII-41.605-9/20 draagwijdte van het voornoemde vonnis van 28 september 2012 was. Door de draagwijdte van dit vonnis te beoordelen en in die zin te oordelen dat te dezen sprake is van een in beginsel gebonden bevoegdheid, heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen zijn bevoegdheid geschonden.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt toe dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat er geen beleidsruimte is en zich daarmee de facto uitspreekt over een gebonden bevoegdheid van de verzoekende partij. De Raad voor Vergunningsbetwistingen spreekt zich derhalve uit over een subjectief recht. De in het bestreden arrest gegeven interpretatie schendt artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek dat stelt dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is voor zaken waarvoor de verzoekende partij bevoegd is. Beoordeling
- De Raad voor Vergunningsbetwistingen schetst in het bestreden arrest eerst de bevoegdheid van de verwerende partij (thans de verzoekende partij) als vergunningverlenende overheid en hij kadert vervolgens deze bevoegdheid in licht van de uit artikel 40 van de Grondwet voortvloeiende medewerkingsplicht van het bestuur. Hij stelt onder meer: “Het principe van de scheiding der machten houdt in dat de rechter zowel als het bestuur zich onthouden van inmenging in elkaars grondwettelijk of wettelijk afgebakende bevoegdheidssfeer. In de uitoefening van haar bevoegdheid is de verwerende partij bovendien gebonden door artikel 40, tweede lid van de Grondwet, naar luid waarvan de ‘arresten en vonnissen in naam van de Koning ten uitvoer gelegd (worden)’. Uit die bepaling vloeit de plicht voort voor bestuurlijke overheden, met inbegrip van de vergunningverlenende besturen, om mee te werken aan de uitvoering van vonnissen en arresten. De medewerkingsplicht van het bestuur brengt met zich mee dat wanneer de burgerlijke rechter ter vrijwaring van een privaat belang een maatregel heeft opgelegd, het bestuur er in beginsel toe gehouden is de voor het nemen van die maatregel vereiste vergunning af te geven. Enkel in uitzonderlijke gevallen kan een afwijking op het beginsel van de medewerkingsplicht in hoofde van het bestuur worden aanvaard. Meer bepaald kan een afwijking VII-41.605-10/20 van dit beginsel worden aanvaard wanneer de verwerende partij zich beroept op een motief: 1) waarmee ze rekening mocht houden en waarmee de burgerlijke rechter geen rekening heeft kunnen houden, en 2) dat steunt op een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang, die des te dwingender moet zijn naarmate meer tekort wordt gedaan aan de uitspraak van de burgerlijke rechter.” Hierna citeert de Raad voor Vergunningsbetwistingen de uitvoerige motivering uit het deputatiebesluit van 14 januari 2021, waarin in het licht van de toepassing van artikel 40, tweede lid van de Grondwet wordt uiteengezet met welke motieven de burgerlijke rechter geen rekening heeft gehouden noch kon houden, en waarin in het licht van het burgerlijk vonnis wordt toegelicht dat het gaat om motieven die steunen op een voldoende dwingende, vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang, om deze motieven vervolgens te beoordelen in het licht van de voornoemde grondwetsbepaling en te besluiten dat “ondanks de uitgebreide uiteenzetting […] de verwerende partij […] niet [kan] overtuigen dat er een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang voorligt die verantwoordt dat ze geen gevolg geeft aan haar medewerkingsplicht op basis van artikel 40 Grondwet”. Met het voorgaande onderzoekt de Raad voor Vergunningsbetwistingen of de door de huidige verzoekende partij aangevoerde motieven zouden kunnen verantwoorden dat het gewettigd zou zijn een uitzondering te maken op de principiële gehoudenheid tot medewerking aan de uitvoering van een rechterlijke beslissing. Hiermee heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen noch de draagwijdte van het vonnis beoordeeld noch geoordeeld dat sprake is van een gebonden bevoegdheid, zodat de kritiek van de verzoekende partij in die mate berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Verder is de Raad voor Vergunningsbetwistingen wel degelijk bevoegd om zich uit te spreken over de al dan niet correcte toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Grondwet.
- Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. VII-41.605-11/20 VII-41.605-12/20 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een derde middel de schending op van de artikelen 40 en 144 van de Grondwet, van “het principe van de scheiding der machten” en van artikel 78 van het omgevingsvergunningsdecreet. In een eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat het bestreden arrest de uit artikel 40 van de Grondwet voortvloeiende medewerkingsplicht van het bestuur foutief interpreteert. Deze medewerkingsplicht betekent niet dat de vergunningverlenende overheid geen uitspraak meer kan doen over de haar exclusief toegewezen bevoegdheden. Volgens de verzoekende partij wordt in het bestreden arrest op een te verregaande wijze geoordeeld dat de medewerkingsplicht van het bestuur veronderstelt dat een vergunning enkel mag worden geweigerd wegens stedenbouwkundige motieven waarmee de rechter geen rekening heeft kunnen houden en die een onbestaanbaarheid met rechtsregels aan het licht brengen of die gestoeld zijn op waarden die dermate belangrijk zijn, dat ze zwaarder moeten doorwegen dan de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak. Er wordt dus ex officio al uitgegaan van een welbepaalde hiërarchie, hoewel deze niet blijkt uit de betrokken regelgeving. Nochtans blijft de verzoekende partij in haar hoedanigheid van vergunningverlenende overheid exclusief bevoegd voor het beoordelen van de goede ruimtelijke ordening. De in artikel 40 van de Grondwet bedoelde medewerkingsplicht gaat niet zover dat een vergunningverlenende overheid die geen betrokken partij was bij een uitgesproken rechterlijke maatregel, zich thans beperkt ziet op haar bevoegdheidsdomein. De rechterlijke macht is weliswaar bevoegd om een door het bestuur bij de uitoefening van zijn niet-gebonden bevoegdheid begane onrechtmatige aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar ze mag daarbij het bestuur niet zijn beleidsvrijheid ontnemen en zich in de plaats van dat bestuur stellen. De verzoekende partij benadrukt dat de overheid die gevat is, zich dient te onthouden van een uitspraak die strijdig zou zijn met een voorliggende rechterlijke maatregel, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.521 VII-41.605-13/20 maar dat deze overheid niet de op haar rustende medewerkingsplicht schendt wanneer zij geen uitspraak doet over de materie waarover de burgerlijke rechter al heeft gestatueerd (te dezen over de burgerrechtelijk in aanmerking genomen hinder). Zij neemt een op zichzelf staand besluit op grond van de haar grondwettelijk toegewezen bevoegdheid dat daarenboven ook nog eens wordt verleend onder voorbehoud van deze burgerlijke rechten. Volgens de verzoekende partij gaat de medewerkingsplicht van het bestuur niet zover dat het openbaar gezag dat geen betrokken partij is in het geding, zich moet beperken tot de finaliteit van een rechterlijk bevolen maatregel, als zij ter zake nog beschikt over een discretionaire bevoegdheid waarbij niet a priori wordt aangetoond dat een andersluidend oordeel dan deze finaliteit enkel betrokken op haar exclusieve bevoegdheid kennelijk onwettig is. In een tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat het bestreden arrest een foutieve toepassing maakt van de medewerkingsplicht in concreto. Zij laat gelden dat zij haar weigeringsbeslissing zeer grondig heeft gemotiveerd met overwegingen die steun vinden in het objectief contentieux, namelijk een strikt ruimtelijke toets van de aanvraag, en dit in het algemeen belang. De verzoekende partij herhaalt dat de medewerkingsplicht – in het licht van artikel 144 Grondwet – niet uitsluit dat de verzoekende partij haar eigen bevoegdheid uitoefent. Hier anders over oordelen, zou de exclusieve beoordelingsbevoegdheid van de verzoekende partij inhoudsloos maken. In ondergeschikte orde gaat de verzoekende partij in op “de veronderstelling dat de invulling die het bestreden arrest geeft aan de medewerkingsplicht van het bestuur wel zou stroken met artikel 40 van de Grondwet”. Zij licht toe dat de motieven uit het deputatiebesluit van 24 januari 2021 wel degelijk stedenbouwkundige motieven vormen waarmee de rechter geen rekening heeft kunnen houden, hetgeen in het bestreden arrest wordt erkend met de overweging dat “er bepaalde elementen zijn waarmee de burgerlijke rechter inderdaad geen rekening kon houden”. In casu had de verzoekende partij op grond van het algemeen belang geoordeeld dat het rooien van de esdoorn dit openbaar belang niet dient. Het kan haar in het licht van de op haar rustende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.521 VII-41.605-14/20 medewerkingsplicht niet ten kwade worden geduid dat zij het openbaar belang heeft laten prevaleren nu zij hiervoor exclusief bevoegd is. Door te oordelen dat de verzoekende partij te dezen geen uitzondering zou mogen maken op de principiële gehoudenheid tot medewerking aan de uitvoering van een rechterlijke beslissing, spijts haar exclusieve bevoegdheid daartoe, spijts haar onderbouwde motivering dat beroep kan worden gedaan op de uitzonderingsgronden en spijts de vaststelling dat een vergunning wordt verleend onder voorbehoud van burgerlijke rechten, schendt de Raad voor Vergunningsbetwistingen met het bestreden arrest artikel 40 van de Grondwet.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel voegt de verzoekende partij toe dat zij als vergunningverlenend bestuur exclusief bevoegd blijft voor het beoordelen van de goede ruimtelijke ordening. Hierbij vormt het (stedenbouwkundig) hinderaspect slechts één criterium van hetgeen onder deze noemer moet worden begrepen. Met het bestreden arrest wordt de bevoegdheid van de verzoekende partij betreffende de hinderaspecten echter beknot. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel voegt de verzoekende partij toe dat de beoordeling in het vonnis van 28 september 2012 dat er schaduwhinder is in strijd met artikel 544 van het oud Burgerlijk Wetboek, op zich niet inhoudt dat de bevoegdheid van de verzoekende partij betreffende de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening moet worden beknot. De verzoekende partij heeft zich in het deputatiebesluit van 24 januari 2021 beperkt tot de uitoefening van haar voornoemde exclusieve bevoegdheid. In ondergeschikte orde benadrukt de verzoekende partij dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een veel te restrictieve interpretatie geeft aan de uitzonderingen op de medewerkingsplicht van het bestuur. Deze laatste sluit, in VII-41.605-15/20 het licht van artikel 144 van de Grondwet, niet uit dat de verzoekende partij haar eigen bevoegdheid uitoefent. Beoordeling Eerste onderdeel van het derde middel
- Zoals reeds blijkt uit de beoordeling van het eerste middel, kan van de principiële medewerkingsplicht slechts worden afgeweken indien de overheid zich beroept op een motief waarmee ze rekening mocht houden en waarmee de burgerlijke rechter geen rekening heeft kunnen houden, en dat steunt op een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang, die des te dwingender moet zijn naarmate meer tekort wordt gedaan aan de uitspraak van de burgerlijke rechter. In het bestreden arrest oordeelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de weigeringsmotieven (waaronder motieven van goede ruimtelijke ordening), aangevoerd door de deputatie om de vergunning voor het rooien van de esdoorn te weigeren ondanks het vonnis van de burgerlijke rechter, niet beantwoorden aan de voormelde tweede voorwaarde, meer bepaald dat deze motieven er niet van overtuigen dat er een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang voorligt die verantwoordt dat de deputatie geen gevolg geeft aan de medewerkingsplicht van het bestuur. Waar de verzoekende partij aanvoert dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen een verkeerde interpretatie geeft aan de medewerkingsplicht van het bestuur door aan te nemen dat deze plicht de beleidsvrijheid van het bestuur op zijn bevoegdheidsdomein kan inperken, gaat zij voorbij aan de hiervoor weergegeven inhoud en draagwijdte van de medewerkingsplicht en aan de motieven in het bestreden arrest. Anders dan verzoekende partij voorhoudt, staan de voorwaarden om uitzonderlijk af te wijken van de principiële medewerkingsplicht van het bestuur er niet aan in de weg dat de beleidsvrijheid van het bestuur ook op zijn bevoegdheidsdomein wordt ingeperkt. VII-41.605-16/20 Tweede onderdeel van het derde middel
- De verzoekende partij gaat ervan uit dat zij de medewerkingsplicht van het bestuur niet heeft geschonden vermits zij een strikt ruimtelijke toets op de aanvraag heeft uitgevoerd en hierover draagkrachtige motieven in haar beslissing heeft voorzien. Zoals ook blijkt uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel, gaat de verzoekende partij verkeerdelijk ervan uit dat de medewerkingsplicht geen grenzen zou kunnen stellen aan de exclusieve bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. Zij gaat in het bijzonder voorbij aan de hiervoor weergegeven draagwijdte van de medewerkingsplicht. In ondergeschikte orde aangevoerde kritiek
- De in ondergeschikte orde aangevoerde kritiek van verzoekende partij betreft in wezen de beoordeling door de Raad voor Vergunningsbetwistingen van de vraag of het deputatiebesluit van 24 januari 2021 berust op een motief dat steunt op een vaststaande en zwaarwichtige vereiste van openbaar belang die toelaat af te wijken van de principiële medewerkingsplicht van het bestuur. Die kritiek heeft echter betrekking op de beoordeling van de zaak zelf door de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Als cassatierechter is de Raad van State evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Conclusie
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. VII-41.605-17/20 VI. Indeplaatsstelling
- In de memorie van antwoord wijzen de verwerende partijen in het algemeen op het gezag van gewijsde. Zij merken op dat de houding van de verzoekende partij “gewoon volhardend foutief te noemen” is, hetgeen volgens hen voor een overheid met onbeperkte middelen zelfs als strategic lawsuit against public participation is te kwalificeren. De verwerende partijen kunnen geen schadevergoeding op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vragen, doch zij vragen dat de Raad van State de vergunning zou verlenen omdat de Raad van State zich wel zou kunnen beroepen op het recht van indeplaatsstelling zoals voorzien in artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC).
- De Raad van State oefent als cassatierechter de bevoegdheden uit die zijn voorzien in de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Hij ontleent geen bevoegdheid om “de vergunning te verlenen”, zoals de verzoekende partijen vragen, aan artikel 37, § 2 van het DBRC. VII. Kosten – begroting van de rechtsplegingsvergoeding
- De verwerende partijen maken aanspraak op een tot 1.540 euro verhoogde rechtsplegingsvergoeding omwille van een voorgehouden volhardend foutief optreden van de verzoekende partij.
- Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: “§
- De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; VII-41.605-18/20 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.” Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. Waar de verwerende partijen zich beroepen op een “volhardend foutief” gedrag van de verzoekende partij, kan hiermee slechts bedoeld zijn het criterium van ‘de kennelijk onredelijke aard van de situatie’. De rechtsplegingsvergoeding strekt er enkel toe forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat. Ze heeft geen sanctionerend karakter zodat in het raam van dit criterium noch de (proces)houding van de verwerende partij noch haar houding buiten dit geding in rekening wordt gebracht. Er wordt derhalve niet afgeweken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding die door de verzoekende partijen is verschuldigd aan de verwerende partijen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen VII-41.605-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.605-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.521 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div