id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.569 Rolnummer: A. 240086/XII-9560 Zaak: Arrest 258569 - Federale en lokale politie – Reglementen - 24/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-07 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-10 20:09 Fiche Arrest nr 258.569 van 24 januari 2024 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Reglementen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.569 van 24 januari 2024 in de zaak A. 240.086/XIV-39.270 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
- de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nahanaëlle Kiekens, Lieselotte Schellekens en Elise Myin kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306/A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 september 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 29 juni 2023 ‘tot wijziging van het RPPol betreffende de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering’. XIV-39.270-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Elise Myin en Lieselotte Schellekens, die verschijnen voor de eerste verwerende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 103/2014 van 10 juli 2014 de regeling vernietigd waarbij, onder meer, een gunstiger pensioenstatuut XIV-39.270-2/15 werd toegekend aan de gewezen personeelsleden van de rijkswacht, dan aan de overige personeelsleden van de politie. Het Hof was van oordeel dat de politiehervorming van 2001 naar één geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus een dergelijk verschil in behandeling niet langer kon verantwoorden. Bijgevolg vernietigde het Hof de gehele preferentiële pensioenregeling voor bepaalde leden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie. 3.
- Daaropvolgend werd het koninklijk besluit van 9 november 2015 ‘houdende bepalingen inzake het eindeloopbaanregime voor personeelsleden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie’ (hierna: het koninklijk besluit van 9 november 2015) uitgevaardigd. Ingevolge artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 november 2015 werd artikel XII.XIII.1 RPPol ingevoerd om te “remediëren” na het hiervoor vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof. Artikel XII.XIII.1 RPPol luidt: “Deel XIIbis. De non-activiteit voorafgaand aan de pensionering Art. XII.XIII.
- Het personeelslid van het operationeel kader dat een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd van 54, 56 of 58 jaar genoot vóór 10 juli 2014 heeft recht op een non-activiteit voorafgaand aan de pensionering voor zover het ook aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt; 2° bij de aanvang van de non-activiteit, ten minste twintig aanneembare dienstjaren in de openbare sector tellen voor de opening van het recht op pensioen, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere periodes die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking worden genomen; 3° op het einde van de non-activiteit, die een maximale duur van vier jaar heeft, voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op vervroegd pensioen, vermeld in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen. In afwijking van het eerste lid, 1°, moeten de officieren die vóór 10 juli 2014 een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd van 58 jaar hadden, op het ogenblik van het aanvatten van de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering de leeftijd hebben van ten minste 60 jaar.” In het verslag aan de Koning (BS 26 juli 2023, ed. 2, blz. 62658) wordt nog vermeld dat conform het regeerakkoord, de uittrederegeling in ieder geval geldt tot en met
- XIV-39.270-3/15 3.
- Het protocolakkoord 537/1 van 28 januari 2022 vermeldt met betrekking tot de regeling van de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering (hierna: NAVAP) het volgende: “
- Reglementaire basis NAVAP Art. XII.XIII.
- RPPol: Het personeelslid van het operationeel kader dat een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd van 54, 56 of 58 jaar genoot vóór 10 juli 2014 heeft recht op een non-activiteit voorafgaand aan de pensionering voor zover het ook aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt; 2° bij de aanvang van de non-activiteit, ten minste twintig aanneembare dienstjaren in de openbare sector tellen voor de opening van het recht op pensioen, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere periodes die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking worden genomen; 3° op het einde van de non-activiteit, die een maximale duur van vier jaar heeft, voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op vervroegd pensioen, vermeld in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen. Het Koninklijk Besluit van 9 november 2015 houdende bepalingen inzake het eindeloopbaanregime voor personeelsleden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie voorziet in het Verslag aan de Koning dat ‘… de politie in een vergelijkbare toestand (wordt) geplaatst als die van de andere veiligheidssectoren, zijnde met een eigen uittrederegeling die zal gelden tot alle regelingen van vervroegde uittreding in de federale openbare sector, met inbegrip van dit besluit, aangepast worden in uitvoering van het Regeerakkoord en nadat besprekingen werden gevoerd in het Nationaal Pensioencomité over de zware beroepen’.
- Conclusie In het raam van de kwantitatieve sectorale onderhandelingen en bij wijze van tijdelijk tussenakkoord, hechten de overheid en de instemmende representatieve vakbonden (ACOD/ACV/NSPV en VSOA) hun akkoord aan de inhoud van voorliggende fiche, met hun respectieve opmerkingen zoals gevoegd bij dit protocol. De Minister erkent dat de bestaande regeling voor non-activiteit voorafgaand aan de pensionering (of NAVAP), zoals vormgegeven door het KB van 9 november 2015, een essentieel onderdeel is van de onderhandelingen voor de vakbonden. Binnen het huidige, bovenvermelde (KB), kader zal er gezocht worden naar methoden om de NAVAP te optimaliseren richting bijkomende activering van de betrokken doelgroep, om de kostprijs ervan in de toekomst te verminderen. Daarbij zal ook rekening gehouden worden met de bestaande uittrederegelingen voor andere zware beroepen bij de overheid en de besprekingen binnen de federale regering over een globale pensioenhervorming.” 3.
- De “Notificaties meerjarenbegroting 2023-2024” vermelden met betrekking tot de NAVAP het volgende (blz. 43-44): “Sectoraal akkoord Geïntegreerde Politie – NAVAP XIV-39.270-4/15 Gevolg gevend aan de beslissing van de ministerraad van 1 april 2022, wordt met ingang van 1 oktober 2023 de pecuniaire herwaardering ter uitvoering van het sectoraal akkoord GPI geïmplementeerd. Op 1 oktober 2023 zal een eerste stap genomen worden inzake de uitvoering van het sectoraal akkoord (45%), op 1 oktober 2024 de volgende stap (90%) en vanaf 1 oktober 2025 (100%) zal het akkoord op kruissnelheid worden uitgevoerd. Dit gebeurt via een structurele vermeerdering op de personeelskredieten van de federale politie en middels bijkomende dotaties aan de lokale politiezones, met als doel hen voor 100% te compenseren. De eventuele meerkost die voortvloeit uit de implementatie van het kwalitatief luik van het sectoraal akkoord GPI gebeurt binnen de bestaande kredieten. De kredieten voorzien voor het sectoraal akkoord GPI van zowel de federale als de lokale politie worden geblokkeerd in afwachting van validering door de ministerraad van een ontwerp van koninklijk besluit van de minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de uitdoving van NAVAP, volgens het hiernavolgend schema (gespreid t.e.m. 2030): - de leeftijd van 58 jaar, voorzien in art. 12.13.1., eerste lid, 1° van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 wordt vervangen door de leeftijd van • 58 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2023; • 59 jaar vanaf 1 oktober 2025; • 59 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2027; • 60 jaar vanaf 1 januari 2030, - de leeftijd van 60 jaar, voorzien in art. 12.13.1., tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door de leeftijd van • 60 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2023; • 61 jaar vanaf 1 oktober 2025; • 61 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2027; • 62 jaar vanaf 1 januari 2030, - de maximale duur van NAVAP, die heden 4 jaar bedraagt, wordt vervangen door een maximale duur van • 3,5 jaar vanaf 1 oktober 2023; • 3 jaar vanaf 1 oktober 2025; • 2,5 vanaf 1 oktober 2027; • 2 jaar vanaf 1 januari 2030, - In afwijking van artikel 12.13.1., wordt het recht op een non-activiteit voorafgaand aan de pensionering afgeschaft voor personeelsleden van het operationeel kader en officieren die ten laatste op 31.12.2030 niet voldoen aan de voorwaarden voor het recht op een dergelijke non-activiteit voorafgaand aan de pensionering. De budgettaire middelen van 15.627 kEUR per jaar die werden voorzien in de notificaties van de begrotingsopmaak 2022 voor het federale luik van het NAVAP systeem, zullen op basis van het uitdovingsschema hierboven verminderd worden. Deze middelen zullen gebruikt worden ter financiering van het sectoraal akkoord. De budgettaire middelen zullen voorzien worden binnen de algemene interdepartementale provisie om bij een bij een finale verdeling over basisallocatie te worden herverdeeld. Budgettaire kost: (BA 06.90.10.01.00.01) 2023 : 15.300 kEUR 2024 : 76.500 kEUR 2025 : 125.800 kEUR Vanaf 2026 : 136.000 kEUR” XIV-39.270-5/15 3.
- Op basis hiervan wordt een ontwerp van koninklijk besluit uitgewerkt dat wordt voorgelegd aan het onderhandelingscomité 567 voor de politiediensten op 11 januari
- De notulen van de vergadering van dat onderhandelingscomité vermelden: “De voorzitter opent de vergadering. Op 18 oktober 2022 heeft de Ministerraad na het budgettair conclaaf beslist dat er een uitdoofscenario moest uitgetekend worden voor de NAVAP. Het voorliggend OKB is de weerslag van die beslissing van de voltallige regering. […] De voorzitter antwoordt dat hij geen onderhandelingsmarge heeft met betrekking tot dit dossier. Hij herhaalt de rechtsgeldigheid van zowel de uitnodiging als de samenstelling van de overheidsdelegatie (zie notulen HOC 325). […] Het NSPV en de ACOD hekelen de manier van werken: dit is geen onderhandeling, maar een tekst opleggen en het schrappen van een verworven recht. Het NSPV vraagt naar de motivering van de voorzitter om niet verder te onderhandelen over dit OKB. Het dringt aan op de correcte uitvoering van het sectoraal akkoord. De ACOD vraagt de positie van de Minister van Pensioenen. Waarom is deze niet aanwezig of vertegenwoordigd op dit OCP? Het ACV vraagt duidelijkheid: bestaat het sectoraal akkoord nog dat werd ondertekend door het VSOA en het NSPV? Het ACV heeft alle vertrouwen in de overheid en haar vertegenwoordigers verloren. Het vreest dat de harde wijze waarop de overheid zich nu opstelt, nefast zal zijn voor onderhandelingen in de toekomst. Het vertrouwen terug opbouwen zal moeilijk worden. Bovendien wordt het imago van de overheid én de politie op deze manier door het slijk gehaald. De voorzitter legt uit dat de dringendheid wel degelijk bestaat omdat de geplande loonsverhoging in de begroting in evenwicht moet zijn en dit door het schrappen van de NAVAP. De begrotingscontrole wordt uitgevoerd begin april. De voorzitter last een pauze in. Na de pauze stelt de voorzitter dat de overheid bij haar beslissing blijft: dit OKB ligt voor ter onderhandeling, maar er is geen marge. Worden er in de toekomst pensioenregelingen uitgewerkt voor bepaalde categorieën van beroepen, dan is het niet ondenkbaar dat de politie daarin opgenomen zal worden. De ACOD begrijpt niet dat de overheid de NAVAP en de hervalorisering aan elkaar linkt. Volgens hem zet de overheid op deze manier de personeelsleden tegen elkaar op. De ACOD heeft van bij het begin van de sectorale onderhandelingen gemeend dat er geen budget beschikbaar was, dit blijkt nu en de geloofwaardigheid van de minister van Binnenlandse Zaken daalt verder. Het NSPV zegt duidelijk dat deze manier van ‘onderhandelen’ tegen elke vorm van sociaal overleg ingaat. Dit gaat ook in tegen de Europese wetgeving. De vakorganisaties zullen de overheid dan op een ander forum laten dagvaarden. De vakorganisaties willen dat de voogdijministers en de minister van Pensioenen zelf aanwezig zijn om dit debat ten gronde te voeren. Het ACV stelt vast dat het voorliggende OKB geen enkele budgettaire impact heeft. De kern en de regering worden dus niet correct geïnformeerd en beide thema’s zijn onterecht door de overheid aan elkaar gelinkt. De politie wordt niet correct XIV-39.270-6/15 behandeld en de voorzitter verklaart op deze manier de oorlog aan de vakorganisaties. Het VSOA ergert zich aan de leugens van de overheid. In dit dossier, maar ook bv. in het dossier HINP BS. De voorzitter plaatst het op de agenda van het OCP 568 voor onderhandelingen, terwijl het dossier al in het pleegvormentraject zit. De ACOD zal andere publieke sectoren betrekken in deze stakingsaanzeggingen en dreigt ermee het land lam te leggen en stakingspiketten te organiseren voor onder andere de Kroontuinen en het RAC. De vakorganisaties vragen duidelijkheid: zal de overheid haar eigen sectoraal protocolakkoord niet respecteren? De voorzitter zegt dat hij niet antwoordt op deze vraag. Het NSPV en het VSOA stellen dat ze enkel een mandaat hebben om met de voogdijministers te onderhandelen. De vakorganisaties zijn het vertrouwen in de vertegenwoordigers die vandaag aanwezig zijn helemaal kwijt. Ze begrijpen trouwens niet dat de Ministers voor zo’n belangrijk dossier niet zelf aanwezig zijn. De ACOD stelt vast dat de voorzitter geen politiek mandaat heeft om te onderhandelen. Het eist bovendien de aanwezigheid van de Minister van Pensioenen als het over deze materie gaat. Het ACV vraagt het standpunt van de VCLP. De VCLP antwoordt dat zowel de VCLP als de Raad van Burgemeesters een negatief advies hebben gegeven over dit dossier. De Minister is hiervan op de hoogte. De voorzitter zegt te laten akteren dat de vakorganisaties weigeren te onderhandelen. De vakorganisaties vinden deze zin niet correct: het punt moet in voortzetting worden geplaatst zodat over de inhoud van dit dossier kan onderhandeld worden met de juiste mensen rond tafel, nl. de voogdijministers en de minister van Pensioenen. Het is de voorzitter die zelf stelt geen marge te hebben en dus per definitie niet de correcte persoon is om deze onderhandelingen te voeren. De ACOD vraagt naar de cijfergegevens in verband met de NAVAP. Hoeveel personeelsleden zijn betrokken? […] DGR/Legal licht toe dat bij absoluut onveranderde omstandigheden vanaf 2032 ongeveer 1.000 personeelsleden uit de boot zullen vallen, vanaf 2040 zal dit aantal dalen naar een 500-tal. Het ACOD is niet tevreden met deze vage schatting en wil concrete cijfers in een duidelijke tabel, zoals dit vroeger ook gebeurde. Het VSOA stelt vast dat er dus geen nauwkeurige berekeningen bestaan en dat de budgettaire pasmunt die gebruikt wordt, ook alweer een leugen betreft. Het betwijfelt sterk of de Lokale Politie zo’n groot aantal aangepaste functies kan voorzien binnen hun korps, het betwijfelt ook sterk of DGR daartoe in staat is voor de Federale Politie. Het wil aanvullend weten hoeveel aangepaste functies er gecreëerd zijn, hoeveel aangepaste functies nu worden ingevuld en hoeveel budget hiervoor in de toekomst moet voorzien worden. DGR antwoordt dat DRP werkt aan een geüpdatete lijst met aangepaste functies. De berekende prognoses voor de Federale Politie bestaan en zijn correct, de financiële impactprognoses bestaan voor zowel het huidig systeem als het uitdoorscenario. De vakorganisaties begrijpen niet dat deze informatie niet wordt toegevoegd als documentatie voor dit OCP. Ook de regering en de Kern is niet op de hoogte van de cijfermatige details. Het is onbekend wat dit de Staat zal kosten of opbrengen. Op welke basis wordt de link met de loonsverhoging in het sectoraal akkoord gelegd. De gemoederen raken verhit. XIV-39.270-7/15 De vakorganisaties eisen: - de aanwezigheid van de minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Pensioenen; - de ter beschikking stelling van de bestaande documentatie; - de overmaking van de gedetailleerde cijfergegevens; - de overmaking van het advies van de VCLP en de Raad van Burgemeesters; - het op de hoogte brengen van de Regering van dit punt. De voorzitter onderbreekt de vergadering. Na de onderbreking stelt de voorzitter dat hij de vergadering afsluit. Hij vraagt het standpunt van de vakorganisaties. De vakorganisaties antwoorden dat de onderhandelingen niet kunnen afgesloten worden, omdat: - de voltallige documentatie niet werd overgemaakt; - de vakorganisaties enkel een mandaat hebben om te onderhandelen met de voogdijministers. De voorzitter neemt hier akte van.” 3.
- Op 29 juni 2023 wordt het koninklijk besluit ‘tot wijziging van het RPPol betreffende de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering’ genomen (BS 26 juli 2023, ed. 2, blz. 62659). Het luidt: “Artikel
- Artikel XII.XIII.1 RPPol, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 november 2015, wordt vervangen als volgt: ‘Art. XII.XIII.
- Het personeelslid van het operationeel kader dat een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd van 54, 56 of 58 jaar genoot vóór 10 juli 2014 heeft recht op een non-activiteit voorafgaand aan de pensionering voor zover het uiterlijk op 31 december 2030 ook aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt, verhoogd naar ten minste: a) 58 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2023; b) 59 jaar vanaf 1 oktober 2025; c) 59 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2027; d) 60 jaar vanaf 1 januari 2030; 2° bij de aanvang van de non-activiteit, ten minste twintig aanneembare dienstjaren in de openbare sector tellen voor de opening van het recht op pensioen, met uitsluiting van de bonificaties voor studies en van andere periodes die voor de vaststelling van de wedde in aanmerking worden genomen; 3° op het einde van de non-activiteit voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op vervroegd pensioen, vermeld in artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen, waarbij de non-activiteit een maximale duur heeft van vier jaar, verminderd naar: a) 3 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2023; b) 3 jaar vanaf 1 oktober 2025; c) 2 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2027; d) 2 jaar vanaf 1 januari
- In afwijking van het eerste lid, 1°, moeten de officieren die vóór 10 juli 2014 een preferentiële vervroegde pensioenleeftijd van 58 jaar hadden, op het ogenblik van het aanvatten van de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering de leeftijd hebben van ten minste 60 jaar, verhoogd naar ten minste: a) 60 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2023; XIV-39.270-8/15 b) 61 jaar vanaf 1 oktober 2025; c) 61 jaar en 6 maanden vanaf 1 oktober 2027; d) 62 jaar vanaf 1 januari 2030.’. Art.
- Dit besluit treedt in werking op 1 oktober
- Art.
- Deel XII.bis van het RPPol, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 november 2015, treedt buiten werking op 31 december 2032.” Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt op dat het beroep niet-ontvankelijk is in de mate dat het gericht is tegen het bestreden besluit in zijn geheel. Verzoeker komt immers in aanmerking om vanaf de leeftijd van 58 jaar en 6 maanden toepassing te maken van de NAVAP-regeling. In de mate dat hij kritiek uit op de verdere verhoging van de leeftijd vanaf 1 oktober 2025 naar 59 jaar en de volgende verhogingen overeenkomstig artikel 1 van het bestreden besluit, alsook op de afschaffing van de NAVAP-regeling op 31 december 2032 (artikel 3 van het bestreden besluit), beschikt verzoeker volgens de verwerende partij niet over het vereiste belang en toont hij niet aan door die regelingen enig nadeel te ondergaan.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. XIV-39.270-9/15 Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
- In het verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat hij vóór de inwerkingtreding van het bestreden besluit in aanmerking kwam voor de NAVAP vanaf de leeftijd van 58 jaar en dat hij een aanvraag daartoe had ingediend die ook werd goedgekeurd. Ingevolge het bestreden besluit moet hij minstens zes maanden langer werken vooraleer een beroep te kunnen doen op de NAVAP en moet hij een nieuwe aanvraag indienen en het beslissingsproces opnieuw doorlopen. Daar de NAVAP overeenkomstig de oude regeling, geldig vóór het bestreden besluit, voor verzoeker zou zijn ingegaan op 1 december 2023, zou de afwikkeling van de nietigverklaringsprocedure onherroepelijk te laat komen. Elke dag die hij verliest komt niet meer terug, daar hij niet met terugwerkende kracht kan genieten van de NAVAP. Dit verlies heeft een onherroepelijk schadelijk gevolg. Verzoeker bekritiseert in dat verband ook dat het bestreden besluit reeds klaar was sedert minstens 11 januari 2023 en dat het pas op 26 juli 2023 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is, terwijl het reeds op 1 oktober 2023 in werking getreden is. Verzoeker benadrukt nog dat het pas later kunnen genieten van de NAVAP voor hem een heel groot nadeel en een ernstig schadelijk gevolg is dat onherroepelijk is. Het is immers niet zonder reden dat de NAVAP bestaat en dat hij op financieel vlak inlevert om ervan gebruik te kunnen maken. Verzoeker valt immers terug op een wachtgeld van 62% van de laatste activiteitswedde. Uit deze grote persoonlijke financiële inspanning blijkt dat het kunnen genieten van de NAVAP voor verzoeker van groot belang is. Verzoeker had zich ook reeds mentaal ingesteld op de NAVAP, zodat het bestreden besluit zwaar valt. XIV-39.270-10/15 Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XIV-39.270-11/15 Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
- Verzoeker voert te dezen aan dat hij ingevolge het bestreden besluit ten vroegste zes maanden later van de NAVAP kan genieten, dus zes maanden langer moet werken en de aanvraagprocedure opnieuw moet doorlopen. Dit valt hem zwaar, daar hij zich reeds mentaal had ingesteld op de NAVAP.
- Hoewel het zich laat verstaan dat verzoeker door het bestreden besluit wordt getroffen, dan nog is vereist dat hij, wil hij de spoedeisendheid verantwoorden, concreet aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken waarbij op transparante wijze een globaal inzicht wordt verschaft, aantoont dat het nadeel van een zodanige ernst is dat het zich niet kan voordoen in afwachting van de uitkomst van het beroep tot nietigverklaring. Verzoeker maakt dit te dezen niet aannemelijk. Hij beperkt zich tot de algemene bewering dat de NAVAP niet zonder reden bestaat en dat het niet zonder reden is dat hij grote persoonlijke financiële inspanning levert – hij valt immers terug op een wachtgeld van 62% van de laatste activiteitswedde - om er gebruik van te kunnen maken. Welke die redenen zijn, zet hij niet uiteen. Van een verzoeker wordt evenwel verwacht dat hij aan de zaak eigen, specifieke gegevens bijbrengt die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.
- In zoverre verzoeker, ter adstructie van de spoedeisendheid, aanvoert dat er door het bestreden besluit onherroepelijk dagen verloren gaan dat hij geen beroep kan doen op de NAVAP, dient opgemerkt dat – daargelaten nog dat de uiteenzetting algemeen is – het tijdsverloop alleen niet volstaat, noch het feit op zich dat hij de oorspronkelijk goedgekeurde NAVAP niet meer kan opnemen (“elke dag dewelke hij aldus verliest is onherroepelijk, deze periode is voorbij en XIV-39.270-12/15 komt nooit meer terug”) om de spoedeisendheid te verantwoorden. Daarbij wordt opgemerkt dat verzoeker niet definitief uitgesloten is van de NAVAP. Hij kan daarvan nog steeds genieten, weze het zes maanden later dan vóór het bestreden besluit. Het feit dat verzoeker zes maanden langer moet wachten en opnieuw een aanvraag moet indienen staat niet gelijk met een toestand met “onherroepelijke schadelijke gevolgen” en zegt op zich niets over de gevolgen die verzoeker ondervindt bij een voorlopige tenuitvoerlegging in afwachting van een uitspraak ten gronde.
- Voor zover verzoeker bekritiseert dat het bestreden besluit reeds klaar was sedert minstens 11 januari 2023 en dat het pas op 26 juli 2023 gepubliceerd is in het Belgisch Staatsblad om reeds op 1 oktober 2023 in werking te treden, wordt eveneens vastgesteld dat dit op zich niets zegt over de gevolgen die verzoeker ondervindt bij een voorlopige tenuitvoerlegging in afwachting van een uitspraak ten gronde. Daarenboven wordt opgemerkt dat het louter uitvoerbaar karakter van een reglementair besluit op zich niet voldoende is om de spoedeisendheid te staven.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.270-13/15 XIV-39.270-14/15
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.270-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.569 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.845 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div