id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:202
§2
) van het Koninklijk Besluit van 27 februari 2013[…] uw bedrijf(ven) onderworpen word(t)(
- en)aan deze versterkte controle met volgens de code N2 die opgelegd werd. De 2 cijfers geven weer welke stof aanleiding heeft gegeven voor de toekenning van deze code die start op datum van 23/12/2019 […] ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-6/23 Als gevolg van de N2-code zal uw bedrijf onderworpen worden aan de volgende versterkte controle:
- a)Gedurende 26 weken is een beperking opgelegd voor het verhandelen van uw varkens. Uw varkens zijn uitsluitend bestemd voor een slachthuis gelegen op het nationaal grondgebied;
- b)Gedurende 26 weken wordt in het slachthuis 1 monster per 10 geslachte dieren of een fractie van 10 dieren die deel uitmaken van eenzelfde lot met een maximum van 6 monsters per lot bemonsterd;
- c)Op het bedrijf dienen gedurende 52 weken alle diergeneeskundige behandelingen uitgevoerd op de aanwezige dieren verplicht te worden geregistreerd;
- d)In de loop van 52 weken zullen 2 bedrijfsinspecties worden uitgevoerd met monsterafname op het bedrijf;
- e)De varkens worden geblokkeerd in Sanitel gedurende de periode van 26 weken. Overeenkomstig art. 15 van het hoger vermelde Koninklijk besluit van 27 februari 2013, zijn alle kosten verbonden aan de versterkte controle ten uwer laste. Bijlage 3 aan deze brief is de onkostennota die dient betaald te zijn met overmaking van het betalingsbewijs aan onze dienst uiterlijk op 31/01/2020. Alle varkens waar u momenteel beslagverantwoordelijke van bent met name op het adres […] worden in Sanitel geblokkeerd. Geen enkel dier mag het beslag verlaten, tenzij het rechtstreeks naar een binnenlands slachthuis gebracht wordt. Het verhandelen van biggen geboren op uw bedrijf worden niet onderworpen aan deze beperkingsmaatregelen onder voorbehoud dat de dieren niet bestemd zijn voor de slacht binnen 2 maanden. Tenslotte wijs ik erop dat alle kosten door u moeten betaald worden uiterlijk 31/01/2020 alvorens er toelating kan worden gegeven tot slachting via Sanitel: - de kosten verbonden aan de versterkte controle - alle kosten verbonden aan de enquête, de monsterafname en de analyses. - Bijlage 3 aan deze brief is de onkostennota betreffende de onderzoeksdaden die gesteld zijn. Wij informeren u dat u binnen de 60 dagen beroep kan aantekenen tegen deze beslissing bij de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1000 Brussel.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 9. De advocaten van verzoeker sturen op 24 januari 2020 een brief aan de verwerende partij, waarin zij vragen de versterkte controle te willen herzien en in te trekken, gelet op het pertinent onwettig karakter ervan. Ook betwisten zij in deze brief de factuur die aan verzoeker werd overgemaakt, en vragen zij ondergeschikt om de betaling ervan in de tijd te mogen spreiden. De verwerende partij antwoordt op die brief op 17 februari 2020, waarbij zij onder meer erop wijst ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-7/23 dat tegen de versterkte controle beroep openstaat bij de Raad van State. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid ten aanzien van de tweede bestreden beslissing Standpunt van de partijen 10. De verwerende partij werpt op dat het beroep niet-ontvankelijk is in zoverre het wordt gericht tegen de tweede bestreden beslissing. Het zou gaan om een louter bevestigend schrijven zonder nieuwe elementen, en zonder enige wijziging in de rechten en rechtspositie van de partijen, zodat het geen administratieve rechtshandeling is waartegen een ontvankelijk annulatieberoep mogelijk is. 11. Verzoeker meent dat de weigering om de versterkte controle te herzien, wel degelijk verregaande rechtsgevolgen heeft, en aldus een aanvechtbare rechtshandeling en geen louter bevestigende beslissing is. Beoordeling 12. De Raad van State neemt slechts kennis van de annulatieberoepen die gericht worden tegen uitvoerbare bestuurshandelingen. De uitvoerbare beslissing is de handeling waarbij wordt beoogd een wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. In haar brief van 17 februari 2020 antwoordt de verwerende partij op een brief van de advocaten van verzoeker waarin gevraagd wordt de eerste bestreden beslissing te herzien. De regelgeving organiseert geen administratieve beroepsprocedure om beslissingen tot het opleggen van maatregelen van versterkte controle aan te vechten, zodat de brief van de advocaten van verzoeker beschouwd moet worden als een willig beroep. Een beslissing genomen naar aanleiding van een willig beroep kan slechts op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-8/23 ontvankelijke wijze worden aangevochten voor de Raad van State als die beslissing geen loutere bevestiging is van een eerdere beslissing en zij in de plaats komt van die eerdere beslissing. Daartoe is vereist dat zich nieuwe feitelijke of juridische argumenten hebben aangediend en de nieuwe beslissing het resultaat is van een heronderzoek van de zaak. De verwerende partij heeft zich in de brief van 17 februari 2020 ertoe beperkt om haar beslissing van 24 december 2019 toe te lichten, zonder dat daartoe nieuwe gegevens werden onderzocht. De brief wijzigt de rechtstoestand van verzoeker niet. Het gaat dan ook niet om een bestuurshandeling die met een annulatieberoep bij de Raad van State kan worden bestreden. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het wordt gericht tegen de tweede bestreden beslissing. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 13. Verzoeker voert in een enig middel tot nietigverklaring de schending aan van: - “het koninklijk besluit van 27 februari 2013 betreffende de controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in dierlijke producten, o.a. artikel 7, 8, 11, 13 en 15 al dan niet in samenhang met onderstaande”; - “de motiveringsplicht zoals voorzien in de motiveringswet van 29 juli 1991 en het motiveringsbeginsel”; - “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel van fair play, het continuïteitsbeginsel, het onpartijdigheidsbeginsel en het beginsel van de hoorplicht”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-9/23 In het eerste onderdeel van het middel bekritiseert verzoeker de omstandigheid dat het bestreden besluit de versterkte controle steunt op artikel 7, § 3, “of” 9, § 2, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, terwijl in de brief waarin de intentie tot het opleggen van een versterkte controle werd meegedeeld, artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 als grondslag werd aangeduid. De verwerende partij zou aldus niet duidelijk maken wat de werkelijke grondslag is. Dergelijke houding is volgens verzoeker “van elke fair-play ontdaan hetgeen nochtans van een zorgvuldige en redelijk handelende overheid verwacht zou mogen worden”. Nu de maatregelen in de voorliggende zaak niet kunnen worden opgelegd op grond van artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, zouden de motieven van het bestreden besluit onjuist zijn, en op zijn minst intern tegenstrijdig. Ook de hoorplicht zou hierdoor worden miskend, nu verzoeker zich tijdens zijn verhoor enkel heeft kunnen verweren ten aanzien van een voornemen om een maatregel te nemen op grond van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat niet voldaan is aan de voorwaarden om toepassing te maken van de artikelen 7, § 3, of 9, § 2, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 om hem maatregelen van versterkte controle op te leggen. Nu het voornemen tot een versterkte controle kenbaar werd gemaakt op grond van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, zouden de artikelen 7 of 9 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 niet van toepassing kunnen zijn. Ondergeschikt wijst hij erop dat niet voldaan werd aan de voorwaarde van artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 dat aangetoond moet worden dat een niet-toegestane stof bij hem aanwezig was én dat hij gebruik ervan heeft gemaakt voor een illegale behandeling, dan wel dat er een gegronde verdenking is van dit gebruik. Eveneens ondergeschikt laat verzoeker gelden dat de versterkte controle code N2 hoe dan ook niet kan worden opgelegd op grond van artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013. Bovendien wordt volgens verzoeker niet aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van deze bepaling om een maatregel van versterkte controle op te leggen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-10/23 Volgens de uiteenzetting van verzoeker in het derde onderdeel van het middel verantwoordt het bestreden besluit niet op afdoende zorgvuldige en redelijke wijze waarom hem de maatregelen op grond van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 kunnen worden opgelegd, en dit voor zijn volledig varkensbeslag. Het bedrijf zou op grond van die bepaling maar aan versterkte controle kunnen worden onderworpen indien de enquête niet aantoont dat de aanwezigheid van residuen te wijten is aan een legale behandeling. Volgens verzoeker zou uit de enquête niet naar voren zijn gekomen, en zou het bestreden besluit evenmin afdoende aantonen en motiveren dat er bij verzoeker een illegale behandeling heeft plaatsgevonden. De loutere verwijzing in het bestreden besluit naar het advies van de evaluatiecommissie zou niet volstaan, omdat dit advies onvoldoende gemotiveerd is en niet uitdrukkelijk wordt bijgevallen in het bestreden besluit. Meer in het bijzonder zou de evaluatiecommissie het bezwaar van verzoeker betreffende de verklaring voor de aanwezigheid van de verboden stof, niet naar behoren hebben onderzocht, en aldus ook de hoorplicht hebben miskend. Verzoeker stoort zich in dit verband aan de gevolgen die de evaluatiecommissie zou hebben verbonden aan de omstandigheid dat hij niet persoonlijk, maar enkel zijn raadsman, op de hoorzitting aanwezig was. Ook zou de evaluatiecommissie een feitelijk onjuist motief hebben gehanteerd door te vermelden dat hij de stof acepromazine niet kent. Ten slotte heeft de evaluatiecommissie volgens verzoeker onvoldoende een illegaal gebruik in zijn hoofde aangetoond. 14. De verwerende partij werpt op dat verzoeker in de aanhef van zijn middel naar diverse regels en beginselen verwijst zonder verder uiteen te zetten in welke zin het bestreden besluit een schending daarvan inhoudt. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 11, 13 en 15 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het beginsel van fair play, het continuïteitsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel is het middel volgens de verwerende partij niet-ontvankelijk. In antwoord op het eerste onderdeel van het middel houdt de verwerende partij voor dat zij, gelet op de vastgestelde inbreuken, wel degelijk kon ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-11/23 verwijzen naar de artikelen 7, § 3, (of 9, § 2) en 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013. Ondergeschikt laat de verwerende partij gelden dat verzoeker geen belang heeft bij het middel nu het bestreden besluit hoe dan ook op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 gerechtvaardigd is. Van een schending van de hoorplicht kan volgens de verwerende partij in dit verband geen sprake zijn, nu verzoeker zich enkel feitelijk heeft verweerd aangaande de vaststellingen en de al dan niet illegale behandeling, en nooit heeft aangeduid zich enkel te verweren ten aanzien van een toepassing van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013. Volgens de verwerende partij tonen de vaststellingen van het dossier vervolgens voldoende aan dat er sprake is van een illegale behandeling, zodat toepassing kon worden gemaakt van artikel 7, § 3, én artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, verwezen kon worden naar artikel 8, § 3, van dat koninklijk besluit, en het tweede onderdeel van het middel aldus eveneens ongegrond is. Ook het derde onderdeel van het middel kan volgens de verwerende partij niet slagen. De evaluatiecommissie zou afdoende hebben geantwoord op de bezwaren en argumenten van verzoeker, en diende geen verder onderzoek te doen gelet op de volledigheid van het reeds uitgevoerde onderzoek. De evaluatiecommissie kon ook volgens de verwerende partij terecht betreuren dat verzoeker niet persoonlijk aanwezig was op de hoorzitting om op bepaalde feitelijke vragen te antwoorden. De verwerende partij benadrukt dat verzoeker geen enkele feitelijke vaststelling en overtreding betwist. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 15. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-12/23 vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid dat volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is het nodig maar voldoende, summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing aan te geven. Bij gebreke aan uitleg in het inleidend verzoekschrift over de wijze waarop het bestreden besluit een schending zou inhouden van de artikelen 13 en 15 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het continuïteitsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel, onderzoekt de Raad van State niet of het bestreden besluit met die bepalingen en beginselen in overeenstemming is. Het middel is in zoverre niet-ontvankelijk. Eerste onderdeel van het middel 16. De hier relevante bepalingen van de artikelen 7, 8, 9 en 11 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 luiden als volgt: “Artikel 7. § 1. Wanneer de aanwezigheid van één of meerdere niet-toegestane stoffen wordt aangetoond, gaat het Agentschap over tot: 1° een enquête om de oorzaak van de aanwezigheid van deze niet-toegestane stof of stoffen en de bron(nen) ervan te bepalen alsook elke andere enquête die het nodig acht; 2° de afname van een statistisch representatief aantal monsters, gebaseerd op de richtsnoeren van de Codex alimentarius, te raadplegen op de website van het Agentschap, op de levende dieren die op het betrokken bedrijf worden gehouden en/of op hun dierlijke producten, teneinde te zoeken naar de aanwezigheid van residuen. In afwijking op het eerste lid, 2°, wordt geen enkel monster afgenomen indien het onderzoek bedoeld in paragraaf 1, 1° de afwezigheid van het gebruik of de afwezigheid van een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt. § 2. Geen van de op het bedrijf gehouden dieren en geen van hun dierlijke producten mogen verhandeld worden voordat de resultaten van de analyses van de in paragraaf 1, 2° bedoelde monsters meegedeeld zijn. § 3. In het geval dat de in paragraaf 1, 1° bedoelde enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-13/23 illegale behandeling bevestigt, wordt het bedrijf onderworpen aan een versterkte controle. Op basis van de resultaten van de enquête als bedoeld in paragraaf 1, 1° worden ook alle andere bedrijven van dezelfde eigenaar als het betrokken bedrijf onderworpen aan een versterkte controle. […] Artikel 8. § 1. Indien de aanwezigheid van residuen van niet-toegestane stoffen wordt aangetoond, gaat het Agentschap over tot: 1° een enquête op het betrokken bedrijf en/of het bedrijf van herkomst en/of oorsprong om de oorzaak van de aanwezigheid van deze residuen en de bron(nen) ervan te bepalen alsook elke andere enquête die het nodig acht; 2° de afname van een statistisch representatief aantal monsters, gebaseerd op de richtsnoeren van de Codex alimentarius, te raadplegen op de website van het Agentschap, op de levende dieren van de betrokken soorten die op het betrokken bedrijf worden gehouden en/of hun dierlijke producten, teneinde te zoeken naar de aanwezigheid van residuen. In afwijking op het eerste lid, 2°, wordt geen enkel monster afgenomen indien het onderzoek bedoeld in het eerste lid, 1°, bevestigt dat de aanwezigheid van residuen te wijten is aan een legale behandeling. § 2. Geen van de op het bedrijf gehouden betrokken dieren van de betrokken soorten en geen van hun dierlijke producten mogen verhandeld worden voordat de resultaten van de analyses van de in paragraaf 1, 2° bedoelde monsters meegedeeld zijn. § 3. Indien de in paragraaf 1, 1°, bedoelde enquête niet aantoont dat de aanwezigheid van residuen te wijten is aan een legale behandeling, wordt het bedrijf onderworpen aan een versterkte controle door het Agentschap. Op basis van de resultaten van de enquête als bedoeld in paragraaf 1, 1° worden ook alle andere bedrijven van dezelfde eigenaar als het betrokken bedrijf onderworpen aan een versterkte controle. Het bedrijf wordt echter niet onderworpen aan een versterkte controle indien de aard van de aangetoonde residuen en hun concentraties verenigbaar zijn met een natuurlijke oorsprong, gebaseerd op de drempelwaarden vastgesteld door de Europese referentielaboratoria, te raadplegen op de website van het Agentschap, of door het Wetenschappelijk Comité van het Agentschap, of in voorkomend geval, op basis van de wetenschappelijke gegevens geëvalueerd door het Agentschap. […] Artikel 9. § 1. Indien aangetoond wordt dat de aanwezigheid van residuen van toegestane stoffen groter is dan hoeveelheden volgens de toegestane limiet, gaat het Agentschap over tot een enquête op het betrokken bedrijf en/of in het bedrijf van herkomst en/of oorsprong om de oorzaak (oorzaken) te bepalen van de aanwezigheid van residuen van deze toegestane stof of stoffen en de bron(nen) ervan op te sporen, alsook tot elke andere enquête die het nodig acht. § 2. Indien het onderzoek bedoeld in paragraaf 1 niet aantoont dat de aanwezigheid van residuen te wijten is aan een legale behandeling, wordt het bedrijf onderworpen aan een versterkte controle door het Agentschap. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-14/23 Op basis van de resultaten van de enquête als bedoeld in paragraaf 1, worden alle andere bedrijven van dezelfde eigenaar als het betrokken bedrijf onderworpen aan een versterkte controle. […] Artikel 11. §1. De toe te passen maatregelen in het raam van de versterkte controle […], alsook de periode en de wijze van toepassing zijn bepaald: 1° in de bijlage, Deel A, in het geval van een in de artikelen 7 en 8 bedoelde versterkte controle; 2° in de bijlage, Deel B, in het geval van een in artikel 9 bedoelde versterkte controle. […] §2. De in paragraaf 1 bedoelde maatregelen worden geïdentificeerd door een code bestaande uit: 1° de alfanumerieke code H, N1 of N2, gevolgd door een numerieke code in het geval van de in artikelen 7 en 8 bedoelde versterkte controle; 2° de alfanumerieke code M1, M2 of R gevolgd door een numerieke code in het geval van de in artikel 9 bedoelde versterkte controle. […].” Uit deze bepalingen blijkt dat de regeling betreffende de toepassing van maatregelen van versterkte controle verschilt naargelang de aanleiding voor die maatregelen: - de aanwezigheid betreft van één of meerdere niet-toegestane stoffen, in welk geval artikel 7 van toepassing is; - de aanwezigheid betreft van residuen van niet-toegestane stoffen, in welk geval artikel 8 van toepassing is; - de aanwezigheid van residuen van toegestane stoffen die groter is dan de hoeveelheden volgens de toegestane limiet betreft, in welk geval artikel 9 van toepassing is. De “aanwezigheid van één of meerdere niet-toegestane stoffen” bedoeld in voormeld artikel 7 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, betreft blijkens artikel 2, 9°, van dit besluit “de aanwezigheid van een niet-toegestane stof, in een verpakking of buiten een verpakking, in diervoeders, in drinkwater, in gemedicineerde voormengsels, in gemedicineerde voeders of in een geneesmiddel”, en moet als zodanig onderscheiden worden van de “aanwezigheid van residuen”, bedoeld in voormelde artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, dat blijkens artikel 2, 7°, van dit besluit betrekking heeft op de aanwezigheid van “farmacologisch werkzame stoffen […] die achterblijven in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-15/23 levende dieren, in hun excreta en biologische vloeistoffen, alsmede in weefsels en producten van dierlijke oorsprong”. 17. De aanleiding tot het nemen van de maatregelen van versterkte controle die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit, was de aanwezigheid van de niet-toegestane stof acepromazine in monsters die genomen werden op een dier van verzoeker, alsook op naalden die in het bedrijf van verzoeker werden aangetroffen. Deze niet-toegestane stof werd dan ook aangetroffen zowel in de vorm van een residu, als op een materiaal dat dient om geneesmiddelen toe te dienen aan dieren, en als zodanig in een geneesmiddel buiten de verpakking. De aanleiding tot het nemen van de maatregelen van versterkte controle die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit bestond dan ook zowel uit de “aanwezigheid van een niet-toegestane stof”, waarop voormeld artikel 7 van toepassing is, als uit de “aanwezigheid van een residu van een niet-toegestane stof”, waarop voormeld artikel 8 van toepassing is. De toe te passen maatregelen van versterkte controle zijn blijkens artikel 11 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 dezelfde, of zij nu worden opgelegd na toepassing van artikel 7 dan wel na toepassing van artikel 8. 18. De omstandigheid dat de brief waarin de intentie tot het opleggen van maatregelen van versterkte controle artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 als grondslag heeft aangeduid, en dat het bestreden besluit “art. 7 §3 (
§2
)” als grondslag vermeldt, leidt in de gegeven omstandigheden niet tot de onregelmatigheid van het besluit. De intentiebrief en het bestreden besluit maken duidelijk dat de maatregelen worden bedoeld die de code N2 dragen, en zetten die maatregelen ook volledig uiteen. Noch de omstandigheid dat in de intentiebrief enkel artikel 8, § 3 werd aangeduid, noch de omstandigheid dat in het bestreden besluit niet naar artikel 8, § 3 werd verwezen, noch de omstandigheid dat in het bestreden besluit foutief artikel 9, § 2 werd aangehaald als alternatieve grondslag, kon verzoeker in de gegeven omstandigheden misleiden of zijn belangen schaden, zodat geen schending voorhanden is van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het beginsel van fair play, en/of de hoorplicht. Verzoeker beschikte over alle nuttige ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-16/23 gegevens om zijn bezwaren bij de intentie tot het opleggen van de maatregelen van versterkte controle te doen gelden, met name ter gelegenheid van het verhoor door de evaluatiecommissie. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de bezwaren van verzoeker anders zouden kunnen zijn geweest indien de intentiebrief (ook) artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 als grondslag had aangeduid. Het bestreden besluit werd uitdrukkelijk en op afdoende wijze gemotiveerd en voldoet dan ook aan de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet). Het gebrek aan nauwkeurigheid bij de aanduiding van de toepasselijke wettelijke bepalingen leidt niet tot een inbreuk op deze wet, en evenmin op het beginsel van de materiëlemotiveringsplicht. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond. Tweede onderdeel van het middel 19. Zoals hiervoor werd uiteengezet in de beoordeling van het eerste onderdeel van het middel, was de aanleiding tot het opleggen van de maatregelen van versterkte controle de aanwezigheid van de niet-toegestane stof acepromazine zowel als residu in een dier, als in de vorm van een niet-verpakt geneesmiddel op een naald, zodat de verwerende partij zowel de regels van artikel 7 als de regels van artikel 8 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 kon volgen. De toe te passen maatregelen zijn blijkens artikel 11 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 dezelfde, of zij nu worden opgelegd na toepassing van artikel 7 dan wel na toepassing van artikel 8. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 vindt hier geen toepassing. Het gebrek aan nauwkeurigheid dat erin bestaat in het bestreden besluit te bepalen dat de maatregelen van versterkte controle worden opgelegd “in toepassing van art. 7 §3 (
§2)” van het koninklijk besluit van 27 februari ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.
258.575 VII-40.780-17/23 2013, leidt niet ertoe dat het bestreden besluit de artikelen 7, 8, 9 of 11 van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 schendt. De omstandigheid dat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 om de maatregelen van versterkte controle op te leggen, kan evenmin leiden tot de onregelmatigheid van het bestreden besluit, nu deze maatregelen niet op grond van die bepaling worden opgelegd. Het is maar wanneer niet zou voldaan worden aan artikel 7, § 3 en/of artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 dat het bestreden besluit onwettig is.
- De maatregelen van versterkte controle bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 kunnen slechts opgelegd worden: - in het geval dat de enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt (artikel 7, § 3), en/of - indien de enquête niet aantoont dat de aanwezigheid van residuen te wijten is aan een legale behandeling (tenzij de aard van de aangetoonde residuen en hun concentraties verenigbaar zijn met een natuurlijke oorsprong) (artikel 8, § 3). Verzoeker betwist in het tweede onderdeel van het middel dat aangetoond wordt dat hij de niet-toegestane stof heeft gebruikt voor een illegale behandeling, zodat er hiervoor ook geen gegronde verdenking kan bestaan in de zin van artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari
- Het bestreden besluit gaat voort op de beoordeling van de evaluatiecommissie die op basis van de haar voorgelegde gegevens tot de gegronde verdenking kon komen dat verzoeker bewust een zeug die ter slachting werd aangeboden, heeft ingespoten met een product dat acepromazine bevatte, en aldus deze niet-toegestane stof heeft gebruikt voor een illegale behandeling. Uit de enkele omstandigheid dat de stof werd aangetroffen in een monster dat werd genomen ter hoogte van de injectieplaats van de zeug én op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-18/23 twee naalden in het bedrijf van verzoeker, volgt weliswaar niet het bewijs van de illegale behandeling. Om de maatregelen van versterkte controle te kunnen toepassen in de gevallen bedoeld door artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, is echter dit bewijs niet nodig, en volstaat de “gegronde verdenking”, wat betekent dat de verwerende partij dient te beschikken over bijkomende gegevens die het weinig aannemelijk maken dat de niet-toegestane stof niet ten gevolge van een illegale behandeling in de monsters is terechtgekomen. De evaluatiecommissie heeft onder meer gewezen op: - de omstandigheid dat verzoeker onvoldoende zorgvuldig omgaat met het gebruik en de registratie van diergeneesmiddelen, wat uit een hele reeks vaststellingen blijkt; - de weinig plausibele uitleg van verzoeker, pas afgelegd nadat de intentie tot het opleggen van maatregelen tot versterkte controle werd meegedeeld, dat het aantreffen van acepromazine veroorzaakt werd door de contaminatie van een spuit met een product dat aan een paard werd toegediend, terwijl hij voorheen beweerde acepromazine niet te kennen. Deze bevindingen volstaan opdat de verwerende partij redelijkerwijze kon besluiten dat er een “gegronde verdenking” bestaat dat verzoeker de niet-toegestane stof acepromazine heeft gebruikt voor een illegale behandeling. Het tweede onderdeel van het middel is ongegrond. Derde onderdeel van het middel
- De maatregelen van versterkte controle bedoeld in artikel 11, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013 kunnen slechts opgelegd worden: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-19/23 - in het geval dat de enquête het gebruik of een gegronde verdenking van het gebruik van niet-toegestane stoffen voor een illegale behandeling bevestigt (artikel 7, § 3), en/of - indien de enquête niet aantoont dat de aanwezigheid van residuen te wijten is aan een legale behandeling (tenzij de aard van de aangetoonde residuen en hun concentraties verenigbaar zijn met een natuurlijke oorsprong) (artikel 8, §3). Verzoeker betwist in het derde onderdeel van het middel dat niet aangetoond wordt dat hij de niet-toegestane stof heeft gebruikt voor een legale behandeling, in de zin van artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari
- Het bestreden besluit gaat voort op de beoordeling van de evaluatiecommissie die op basis van de haar voorgelegde gegevens tot de bevinding kon komen dat het bewijs niet wordt geleverd dat de niet-toegestane stof in het dier is terechtgekomen ten gevolge van een legale behandeling. Uit de enkele omstandigheid dat de stof werd aangetroffen in een monster dat werd genomen ter hoogte van de injectieplaats van de zeug én op twee naalden in het bedrijf van verzoeker, volgt weliswaar niet het bewijs van een illegale behandeling. Om de maatregelen van versterkte controle te kunnen toepassen in de gevallen bedoeld door artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 27 februari 2013, is echter dit bewijs niet nodig, en volstaat dat niet aangetoond wordt dat de niet-toegestane stof in het dier is terechtgekomen ten gevolge van een legale behandeling. De evaluatiecommissie heeft onder meer gewezen op: - de omstandigheid dat verzoeker onvoldoende zorgvuldig omgaat met het gebruik en de registratie van diergeneesmiddelen, wat uit een hele reeks vaststellingen blijkt; - de weinig plausibele uitleg van verzoeker, pas afgelegd nadat de intentie tot het opleggen van maatregelen tot versterkte controle werd meegedeeld, dat het aantreffen van acepromazine veroorzaakt werd door de contaminatie van een spuit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-20/23 met een product dat aan een paard werd toegediend, terwijl hij voorheen beweerde acepromazine niet te kennen. Deze bevindingen volstaan opdat de verwerende partij redelijkerwijze kon besluiten dat niet wordt aangetoond dat de niet-toegestane stof acepromazine in het dier is terechtgekomen ten gevolge van een legale behandeling.
- Ten onrechte houdt verzoeker voor dat het bestreden besluit niet zou duidelijk maken dat de verwerende partij het advies van de evaluatiecommissie bijvalt. Het bestreden besluit stelt immers: “De evaluatiecommissie was van oordeel dat: ‘de evaluatiecommissie adviseert om de versterkte controle onverkort toe te passen op het volledig varkensbeslag’. In aansluiting met dit advies deel ik u mee dat in toepassing van art. 7 §3 (
§2
) van het Koninklijk Besluit van 27 februari 2013[…] uw bedrijf(ven) onderworpen word(t)(en) aan deze versterkte controle met volgens de code N2 die opgelegd werd.” Door uitdrukkelijk te bepalen dat zij de maatregelen oplegt “in aansluiting met dit advies”, en dit advies bovendien als bijlage bij het bestreden besluit ter kennis te brengen van verzoeker, heeft de verwerende partij voldoende duidelijk gemaakt dat zij dit advies bijvalt en zich de overwegingen ervan eigen maakt en schendt zij noch de bepalingen van de motiveringswet, noch het materiëlemotiveringsbeginsel.
- In het kader van het derde onderdeel van het middel bekritiseert verzoeker verder de beoordeling van het dossier door de evaluatiecommissie. Ten onrechte beweert verzoeker dat de evaluatiecommissie zijn verklaring voor de aanwezigheid van de niet-toegestane stof niet naar behoren zou hebben onderzocht. De evaluatiecommissie kon redelijkerwijze, rekening houdend met de bezwarende elementen die het onderzoek aan het licht had gebracht met betrekking tot het gebruik en registratie van diergeneesmiddelen in het bedrijf van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-21/23 verzoeker, en in het licht van de verklaringen die verzoeker tijdens de enquête had afgelegd, tot de bevinding komen dat de verklaring waarmee verzoeker voor die aanwezigheid pas afkwam nadat de intentie tot het treffen van maatregelen van versterkte controle werd meegedeeld, weinig geloofwaardig en plausibel was. Terecht heeft de evaluatiecommissie het ook in dit verband betreurd dat verzoeker niet persoonlijk aanwezig was tijdens de hoorzitting omdat op die wijze geen bijkomende informatie kon verkregen worden over het geneesmiddelengebruik op het bedrijf en enkel kon worden voortgegaan op de stukken van het dossier. De omstandigheid dat de evaluatiecommissie niet over meer gegevens beschikte, is dan ook niet het gevolg van een schending van de hoorplicht, maar van de eigen keuze van verzoeker om zich ter gelegenheid van de hoorzitting te laten vertegenwoordigen door een advocaat die blijkbaar de gewenste bijkomende informatie niet kon verstrekken. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, blijkt uit het dossier dat hij wel degelijk verklaard heeft acepromazine niet te kennen, zodat zijn kritiek dat de verwerende partij een feitelijk onjuist motief zou hebben gebruikt, feitelijke grondslag mist. Bovendien verliest verzoeker hier uit het oog dat deze vaststelling kadert in de motivering waarom weinig geloof wordt gehecht aan de verklaring die verzoeker heeft gegeven voor de aanwezigheid van de niet-toegestane stof acepromazine: de evaluatiecommissie heeft immers enkel willen aangeven dat verzoeker doorheen het dossier tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, wat de geloofwaardigheid van zijn relaas ondermijnt. In het algemeen slaagt verzoeker met zijn detailkritiek op bepaalde motieven niet erin de bevindingen van de evaluatiecommissie te weerleggen op grond waarvan redelijkerwijze kon besloten worden dat het bewijs niet wordt geleverd dat de niet-toegestane stof acepromazine in het dier is terechtgekomen ten gevolge van een legale behandeling. Het derde onderdeel van het middel is ongegrond. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-22/23 BESLISSING
- Het Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.575 VII-40.780-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.575 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div