id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.587 Rolnummer: A. 237040/VII-41639 Zaak: Arrest 258587 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-01 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-10 20:17 Fiche Arrest nr 258.587 van 25 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.587 van 25 januari 2024 in de zaak A. 237.040/VII-41.639 In zake : de NV INTERNATIONALE LUCHTHAVEN KORTRIJK-WEVELGEM (ILKW) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Franki DOORNAERT
- Rudy DEWILDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0959 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 7 juli 2022 in de zaak 2021-RvVb-0567-A. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 15 september
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Vlaamse Gewest heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 oktober
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 29 maart 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elias Gits, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verwerende partijen en advocaat Elliott Missault, die loco advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-2/8 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij dient bij de tussenkomende partij een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het herinrichten van een luchthaventerrein. De tussenkomende partij verleent op 10 mei 2019 aan de verzoekende partij de omgevingsvergunning na het volgen van een vereenvoudigde procedure. 3.
- De Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigt die beslissing met een arrest van 10 december 2020 omdat niet bleek dat de tussenkomende partij zorgvuldig had onderzocht welke vergunningsprocedure kon worden toegepast, en niet afdoende had gemotiveerd waarom de vereenvoudigde procedure kon worden gevolgd. 3.
- Op 12 februari 2021 neemt de tussenkomende partij een herstelbeslissing waarbij de omgevingsvergunning opnieuw wordt verleend. Ter verantwoording van de toepassing van de vereenvoudigde procedure overweegt de tussenkomende partij onder meer dat de stedenbouwkundige handelingen die bij de herinrichting van het luchthaventerrein zouden gesteld worden, vrijgesteld zijn van vergunning, met name omdat voldaan wordt aan de voorwaarde dat het terrein van de luchthaven niet wordt uitgebreid en dat de bestaande bufferzones blijven behouden (artikelen 8.1, 8°, en 8.2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’). 3.
- Na beroep van de verwerende partijen vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen dit besluit bij arrest van 7 juli
- Dit is het bestreden arrest. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-3/8 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in het middel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 17 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, en de artikelen 8.1 en 8.2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’. Het middel komt op tegen de beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de tussenkomende partij ten onrechte de stedenbouwkundige handelingen van het project van de verzoekende partij heeft gekwalificeerd als handelingen die vrijgesteld zijn van vergunning. De motieven van het bestreden arrest zouden volgens de verzoekende partij tegenstrijdig zijn: enerzijds wordt gemotiveerd dat de stedenbouwkundige handelingen zich situeren binnen de ‘zone luchtzijde en Demarcated Area Noord’ en dat deze gebieden deel uitmaken van het luchthaventerrein, en anderzijds wordt gemotiveerd dat het luchthaventerrein wel degelijk wordt uitgebreid. Beoordeling
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 17 van het decreet van 25 april 2014 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-4/8 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, en de artikelen 8.1 en 8.2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’. Artikel 149 van de Grondwet verplicht de Raad voor Vergunningsbetwistingen om zijn uitspraak te motiveren. Aan deze vormvereiste is voldaan wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Motieven die een onjuist gevolg verbinden aan een wettelijke bepaling of een rechtsbeginsel, brengen de schending met zich van die bepaling of dat beginsel, maar niet van de rechterlijke motiveringsplicht. Alleen het gebrek aan motivering of de daarmee gelijkgestelde gevallen zoals de tegenstrijdigheid van de motieven, maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. In de uiteenzetting van het middel beperkt de verzoekende partij zich tot de kritiek dat het arrest tegenstrijdige motieven bevat. Zij verduidelijkt niet hoe het arrest een schending zou inhouden van artikel 17 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, en van de artikelen 8.1 en 8.2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’, bepalingen die volgens de verzoekende partij met artikel 149 van de Grondwet zouden moeten worden samen gelezen. In zoverre de schending wordt aangevoerd van die bepalingen is het middel niet-ontvankelijk.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de stedenbouwkundige handelingen die worden voorzien in de aanvraag van de verzoekende partij, leiden tot de uitbreiding van het terrein van de luchthaven zodat de tussenkomende partij ten onrechte heeft beslist dat werd voldaan aan de voorwaarde van artikel 8.2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-5/8 Artikel 8.2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’ luidt als volgt: “De vrijstelling, vermeld in artikel 8.1, geldt alleen als de handelingen voldoen aan de volgende voorwaarden: […] 2° het terrein wordt niet uitgebreid en de bestaande bufferzones blijven behouden; [...]” De Raad voor Vergunningsbetwistingen steunt zijn beoordeling op volgende motieven die niet door de verzoekende partij worden bekritiseerd: “De aanvraag voorziet volgens de bestreden beslissing onder meer in de ‘aanleg noordelijke taxiweg, inclusief intersecties en dienstweg air side noord’, waarlangs vliegtuigen aldaar een vrije doorgang krijgen tot de luchtvaartgebonden bedrijven door verplaatsingen op de grond. In die optiek behoort ook de ‘dienstweg’ Vliegveld tot het luchtvaarterrein omdat de vliegtuigen via de intersecties daarover taxiën richting de luchtvaartgebonden bedrijven. […] In dit kader wordt opgemerkt dat het weliswaar in beginsel aan de aanvrager toekomt om het voorwerp van zijn vergunningsaanvraag te omschrijven, maar dat de vergunningverlenende overheid er toe is gehouden om het werkelijke voorwerp van de aanvraag te bepalen en de aanvraag op basis daarvan te toetsen op haar toelaatbaarheid. De Raad verwijst daarbij naar de overwegingen in zijn vernietigingsarrest van 10 december 2020 (onder randnummer 5), waarin onder meer wordt vastgesteld dat ‘de aanvrager klaarblijkelijk zelf een onderscheid maakt tussen het omheinde luchthaventerrein, de daaraan palende openbare weg Vliegveld, en de aan deze weg palende private terreinen van de luchtvaartgebonden bedrijven, terwijl de beoogde infrastructuurwerken plaatsvinden ter hoogte van deze drie zones, en dus ook voorbij de bestaande draadafsluiting’. Uit het administratief dossier en in het bijzonder de plannen ‘ontwerp wegenis’ […] blijkt met name dat de weg Vliegveld daarop vanaf huisnummer 49 in de ‘legende ontworpen toestand’ wordt aangeduid als ‘Taxiway: bitumineuze verharding - Af te frezen + nieuwe toeplaag’, terwijl er daarop ook sprake is van een ‘slagboom’, ‘speedgate’ en ‘poort’. Dit wordt bevestigd in de bestreden beslissing, waarin dit onderdeel van de aanvraag door verwerende partij wordt beschreven als ‘de aanleg van een noordelijke taxiweg, inclusief intersecties en dienstweg’, waarbij ‘de openbare weg Vliegveld vanaf huisnummer 49 wordt afgesloten met een poort’, waardoor ‘de zone ‘Demarcated Area Noord’, die bestaat uit het afgesloten gedeelte van de weg Vliegveld en de private terreinen van de luchtvaartgebonden bedrijven, ontstaat’.” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-6/8
- De kritiek dat deze beoordeling tegenstrijdig is met motieven waarin wordt overwogen dat de stedenbouwkundige handelingen binnen de ‘zone luchtzijde en Demarcated Area Noord’ plaatsvinden en dat deze gebieden deel uitmaken van het luchthaventerrein, berust op een verkeerde lezing van het arrest. De door de verzoekende partij geviseerde motieven kaderen in de beoordeling die de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft gemaakt van de motieven van de beslissing van de tussenkomende partij waarin het begrip “terrein van de luchthaven” in de zin van voormeld artikel 8.2 geïnterpreteerd werd aan de hand van de definities van de begrippen “luchtvaartterrein”, “luchtzijde” en “beveiliging” in het koninklijk besluit van 3 mei 1991 ‘houdende regeling van de beveiliging van de burgerluchtvaart’. Volgens het bestreden arrest kon de tussenkomende partij “op basis van de (loutere) verwijzing naar [deze definities] niet zonder meer concluderen dat ‘de Demarcated Area Noord, met inbegrip van de weg Vliegveld, niet behoort tot het luchtvaartterrein’ en dat ‘alle stedenbouwkundige handelingen zich situeren binnen de contouren van het luchthaventerrein’, zodat het terrein van de luchthaven niet wordt uitgebreid”. Het bestreden arrest heeft met deze motieven enkel gewezen op het ondeugdelijk karakter van de motieven van de tussenkomende partij die gebaseerd waren op de definities in het koninklijk besluit van 3 mei 1991, hetgeen niet tegenstrijdig is met de beoordeling dat de stedenbouwkundige handelingen die worden voorzien in de aanvraag van de verzoekende partij leiden tot de uitbreiding van het terrein van de luchthaven, en die steun vindt in de hoger aangehaalde motieven. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet, mist het feitelijke grondslag en is het bijgevolg ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-7/8
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.587 VII-41.639-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.587 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div