← België

Arrest 258588 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:202

§ 4

VCRO, het beginsel van machtsoverschrijding, en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het eerste onderdeel van het middel wordt gericht tegen de beoordeling van het bestreden arrest dat artikel 5.1.3 VCRO er niet aan in de weg staat dat een gemeentelijke overheid ambtshalve een registratiebeslissing kan nemen. Die extensieve lezing van deze bepaling zou volgens verzoeker geen grondslag vinden in de voorbereidende werken van de VCRO, en het bestreden arrest zou de eigen redenering ook niet onderbouwen. Verzoeker wijst erop dat de VCRO voor de ambtshalve opname in het vergunningenregister geen procedure heeft voorzien, en dat de interpretatie van het bestreden arrest leidt tot situaties waarvoor deze niet bedoeld zijn, zoals in de voorliggende zaak “alwaar geen alternatieve herstelvordering ter zake woonkwaliteit (wegens een stedenbouwkundig misdrijf) werd genomen lastens [verzoeker], maar er pas veel later, nadat de woonkwaliteit integraal was hersteld (en de herstelvordering zonder voorwerp was), alsook nadat de handhavende overheid ([in casu de verwerende partij]) daarop werd gewezen alsnog ambtshalve een vermoeden van vergunning heeft ingeschreven, dat volgens haar strookt met de werkelijkheid, zonder verzoeker […] daarbij enigszins te willen gaan betrekken, i.p.v. een proces-verbaal ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.588 VII-41.747-10/15 - louter op stedenbouwkundig vlak - op te gaan maken, en dat vervolgens aan het Parket toe te zenden”. Verzoeker laat daarbij nog gelden dat hij “wel degelijk kan aantonen dat er 4 woongelegenheden vermoed vergund zijn, maar daartoe nooit de kans werd geboden om zulks aan te tonen, laat staan dat hij op de hoogte was van enige registratie-aanvraag van (in casu overigens beweerdelijk) hemzelf, waar hij diende te interveniëren, te meer gelet op de interferentie met de strafprocedure, alwaar hij nooit werd vervolgd voor beweerdelijk het slechts vergund (geacht) zijn van 3 woongelegenheden (en niet 4)”. In het tweede onderdeel van het middel komt verzoeker op tegen de beoordeling in het bestreden arrest van zijn grief dat de bestreden beslissing de zorgvuldigheidsplicht schendt. Hij zet daarbij uiteen: “Dergelijke redenering gaat kennelijk voorbij aan het feit dat verzoeker nooit in kennis is gesteld geweest van enige procedure, en het hem moeilijk kan worden verweten in die zin ook nooit enige informatie te hebben kunnen aanbrengen […] die ontvankelijk werd geacht. Dit geldt des te meer gelet op zeer atypische omstandigheden in casu, waarbij verzoeker […] tot en met de sluiting van de debatten door [de verwerende partij] werd voorgehouden dat hijzelf de aanvraag had gedaan, hetgeen wel degelijk afdoende is om te stellen dat er een schending voorligt van de zorgvuldigheidsplicht, vermits dit een totaal onbestaand feit is, en ipso facto impliceert dat verzoeker nooit in de procedure werd betrokken, meer nog, zelfs nooit een standpunt heeft mogen innemen nu - illusoir weliswaar - de aanvraag tot registratiebeslissing van hemzelve zou zijn uitgegaan. En terwijl, de Raad [voor Vergunningsbetwistingen] in [zijn] persbericht dd. 4 oktober 2022 zelf stelt dat er sprake kan zijn van machtsoverschrijding in zoverre de randvoorwaarden niet zijn vervuld, o.a. dat ‘de actieve onderzoeksplicht van de gemeentelijke overheid evenals de beginselen van behoorlijk bestuur kunnen in deze situatie noodzaken dat ze de relevante houders van zakelijke of persoonlijke rechten op de constructie bij haar onderzoek betrekt, aangezien deze mogelijk relevante informatie over de vergunningstoestand van de constructie kunnen bijbrengen waarover de gemeentelijke overheid niet beschikt’. Terwijl, het duidelijk is dat verzoeker […] zelfs nooit de mogelijkheid werd geboden om te worden betrokken bij het onderzoek […]. Dat er derhalve wel degelijk een schending van de zorgvuldigheidsplicht voorligt, die in deze zeer specifieke omstandigheden niet zo maar ter zijde kan worden geschoven, vanuit de in het bestreden arrest […] ingenomen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.588 VII-41.747-11/15 premisse dat het een en ander wel [degelijk] ambtshalve - en dus niet op aanvraag - is geschied, hetgeen artikel 5.1.3 VCRO luidens het bestreden arrest weldegelijk zou toelaten. Verzoeker […] wordt echter in een beweging voor voldongen feiten geplaatst, die hijzelf niet heeft gevraagd, en waaraan hij daarenboven zelf ook geen enkele inspraak heeft gehad, omdat de aanvraag beweerdelijk destijds van hemzelf zou zijn uitgegaan. […] Zodat het bestreden [arrest], de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt, door […] a priori [uit te gaan] van de vaststelling dat er geen schending van de zorgvuldigheidsplicht zou voorliggen, hoewel zulks in casu precies impliceert dat verzoeker […] - indien de aanvraag van hem was uitgegaan - weldegelijk in de procedure zou zijn betrokken geweest, terwijl […] de conclusie in het bestreden arrest dat het een ambtshalve beslissing was, precies aantoont dat verzoeker juist niet in de procedure was betrokken, en daardoor ook nooit in de mogelijkheid is gesteld geweest om ten overstaan van de verwerende partij […] omtrent het onderzoek naar het vermoeden van vergunning enigszins standpunt in te nemen, laat staan nuttige inlichtingen aan te leveren.” Beoordeling 13. Artikel 5.1.3, §§ 1 en 2, VCRO bepaalt: “§ 1. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het vergunningenregister opgenomen als ‘vergund geacht’, onverminderd artikel 4.2.14, §

§ 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht.

De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als ‘vergund geacht’. De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als ‘vergund geacht’. Een weigering tot opname als ‘vergund geacht’, wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. § 2. Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.588 VII-41.747-12/15 waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als ‘vergund geacht’, onverminderd artikel 4.2.14, §

§ 4. Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht.

Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als ‘vergund geacht’. De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als ‘vergund geacht’. De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als ‘vergund geacht’. Een weigering tot opname als ‘vergund geacht’, wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. Deze mededelingsplicht geldt niet ten aanzien van die constructies waarvoor reeds een gemotiveerde mededeling werd verricht bij de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister.”

  1. De “actieve onderzoeksplicht” waarvan sprake in deze bepaling sluit aan bij de verplichting die elke gemeente heeft om een vergunningenregister op te maken, te actualiseren, ter inzage te houden van elkeen en er uittreksels uit af te leveren (artikel 5.1.2, § 2, VCRO). In het belang van de rechtszekerheid moet het bestuur inspanningen leveren om het vergunningenregister zo volledig en actueel mogelijk te houden, wat ook inhoudt dat de bestaande constructies waarvoor een vermoeden van vergunning geldt in de zin van artikel 4.2.14 VCRO, zo veel als mogelijk als ‘vergund geacht’ in het vergunningenregister worden opgenomen met toepassing van artikel 5.1.3 VCRO. Hieruit volgt dat de “actieve onderzoeksplicht” inhoudt dat het bestuur op eigen initiatief en zonder uitdrukkelijke aanvraag van een belanghebbende de vergunningstoestand van een constructie mag onderzoeken en op grond van dat onderzoek mag beslissen om haar al dan niet als “vergund geacht” op te nemen in het vergunningenregister. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.
  2. In zoverre verzoeker in het eerste onderdeel van het middel nog aanvoert dat hem niet de kans geboden werd om aan te tonen dat er vier woongelegenheden in zijn gebouw, in plaats van drie, geacht moeten worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.588 VII-41.747-13/15 vergund te zijn, blijkt dat hij deze kritiek niet heeft laten gelden in zijn beroep tot nietigverklaring. Hij kan die wettigheidskritiek die gericht wordt tegen de beslissing van de verwerende partij niet voor het eerst in cassatie ontwikkelen. Verzoeker heeft weliswaar in zijn nota met opmerkingen voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen aangevoerd dat zijn pand kan genieten van het vermoeden van vergunning met vier woongelegenheden, met verwijzing naar stavingsstukken, zodat het gebouw ten onrechte met slechts drie woongelegenheden in het vergunningenregister werd opgenomen, doch die argumentatie werd in het bestreden arrest verworpen als een niet-ontvankelijke uitbreiding van het middel nu die wettigheidskritiek niet in het inleidend verzoekschrift was vermeld, en verzoeker niet aannemelijk maakt dat de grondslag voor deze uitbreiding pas later aan het licht is kunnen komen of de openbare orde raakt. Tegen die beoordeling van het bestreden arrest formuleert verzoeker geen kritiek in cassatie voor de Raad van State.
  3. De in het tweede onderdeel van het middel aangevoerde wettigheidskritiek wordt eveneens gericht tegen het besluit van de verwerende partij, en kan niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. Verzoeker heeft weliswaar voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel, doch heeft die aangevoerde schending enkel betrokken op de omstandigheid dat het bestreden besluit van de verwerende partij zich heeft uitgesproken over een niet-bestaande aanvraag tot opname in het vergunningenregister. De kritiek dat dit bestreden besluit het zorgvuldigheidsbeginsel schendt doordat het onderzoek naar de vergunningstoestand van het pand van verzoeker gevoerd werd zonder hem de gelegenheid te geven zijn standpunt hierover uiteen te zetten, werd niet voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen uiteengezet, en kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.588 VII-41.747-14/15
  4. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  5. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
  7. De te veel betaalde rolrechten met bijdrage ten bedrage van 224 euro dienen te worden terugbetaald aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.588 VII-41.747-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.588 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.