← België

Arrest 258589 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.589 Rolnummer: A. 237604/VII-41731 Zaak: Arrest 258589 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-01 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-10 20:18 Fiche Arrest nr 258.589 van 25 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.589 van 25 januari 2024 in de zaak A. 237.604/VII-41.731 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Roegiers kantoor houdend te 9900 Eeklo Vrombautstraat 114 tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : Martine CNOCKAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koenraad Van De Sijpe en Charlotte Dupon kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 31 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0058 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 22 september 2022 in de zaak 2122-RvVb-0072-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 26 januari
  3. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-1/9 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Martine Cnockaert heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 mei
  4. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 13 september 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Roegiers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Charlotte Dupon, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  6. De verzoekende partij tekent bij de verwerende partij beroep aan tegen de stedenbouwkundige vergunning die aan de tussenkomende partij werd ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-2/9 verleend voor de afbraak van een uit drie gebouwen bestaande hoevecomplex aan de Spiegelstraat te Kruisem, en de oprichting ter plaatse van een nieuwbouwwoning en een loods. 3.
  7. De beslissing van de verwerende partij om het beroep te verwerpen, wordt na een beroep van de verzoekende partij door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd met een arrest nr. RvVb-A-1819-0769 van 26 maart
  8. De verwerende partij beslist hierna het beroep opnieuw te verwerpen, doch ook die beslissing wordt na een beroep van de verzoekende partij door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd met een arrest nr. RvVb-A-2021-0989 van 20 mei
  9. 3.
  10. De verwerende partij verwerpt een derde maal het beroep met een beslissing van 12 augustus
  11. Het vernietigingsberoep van de verzoekende partij tegen die beslissing wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen verworpen met het bestreden arrest. IV. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van: - artikel 4.1.10 van het decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’, - artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), gelezen in samenhang met artikel 1.1.4 VCRO, - de artikelen 32, tweede lid en 35, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, - de rechterlijke motiveringsplicht, - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), - de artikelen 7bis en 149 van de Grondwet, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-3/9 “Doordat het arrest[,] door m.b.t. de erfgoedwaarden van de [te] slopen drie gebouwen enkel maar te oordelen ‘Uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat de verwerende partij erkent dat het hoevegebouw een beperkte erfgoedwaarde heeft en dat ze de sloop ervan verantwoordt op grond van gelijkaardige motieven die door de Raad reeds in het arrest van 26 maart 2019 als ontoereikend werden bevonden. (…) De verzoekende partij toont bijgevolg niet aan dat de verwerende partij onwettig besluit dat het behoud van de erfgoedkenmerken van de hoevewoning onmogelijk is en de sloop van het hoevegebouw verantwoord is.’[,] geen motieven bevat voor de verwerping van het middelonderdeel dat betrekking heeft op de erfgoedwaarden van alle drie de te slopen gebouwen en dat betrekking heeft op alle diverse erfgoedkenmerken van die gebouwen waaronder de woning, en hoewel de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] zelf aangeeft [‘]Zoals bepaald in artikel 4.1.10 van het [decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’], moet de motivering in de vergunningsbeslissing blijk geven van de afweging van de erfgoedwaarde tegen de belangen die met het bouwproject gediend worden[’,] heeft [hij] de rechterlijke motiveringsplicht geschonden door niet na te gaan of de deputatie de concrete erfgoedwaarden mee betrokken heeft in de afweging in diens besluit, hoewel de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] nochtans zelf oordeelde ‘5.3 Uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat de verwerende partij erkent dat het hoevegebouw een beperkte erfgoedwaarde heeft en dat ze de sloop ervan verantwoordt op grond van gelijkaardige motieven die door de Raad reeds in het arrest van 26 maart 2019 als ontoereikend werden bevonden.’ en in de motieven die daarop volgen de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] niet meer onderzoekt of de deputatie de concrete erfgoedwaarden van het te slopen pand mee betrokken heeft in de afweging terwijl verzoekster in het verzoekschrift toegelicht heeft dat de deputatie geen rekening hield met die elementen in haar afweging waardoor een schending voorligt van de rechterlijke motiveringsplicht en van artikel 2 en 3 van de [m]otiveringswet en doordat dus het betwiste arrest van de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] geen motieven bevat voor de verwerping van het middelonderdeel van verzoekster dat betrekking heeft op het ontbreken van de concrete erfgoedwaarden in de afweging van het bestreden besluit, en doordat de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] met aldus te oordelen [niet heeft] gemotiveerd of de deputatie de op haar rustende zorg- en motiveringsplicht bij vergunningsplichtige aanvragen voor het verwijderen van een onroerend goed opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed heeft nagekomen en of de deputatie rekening heeft gehouden met de onderliggende doelstelling van artikel 4.1.10 van het [decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’] m.n. dat ‘Vermeden moet worden dat de geïnventariseerde constructies die opgenomen zijn op de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed zonder bijkomende motivering en toetsing aan de erfgoedwaarden zoals opgenomen in de inventaris worden gesloopt.’ en doordat door dit alles blijkt dat het arrest niet afdoende gemotiveerd is en de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] hiermee de artikelen 2 en 3 van de [m]otiveringswet schendt. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-4/9 Terwijl uit de motivering van een arrest van de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] moet blijken dat de door de diverse argumenten van partijen gestaafde middelen zijn onderzocht, en terwijl artikel 4.1.10 van het [decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’] bepaalt: ‘motiveert de vergunningverlenende overheid haar beslissing en geeft ze in haar beslissing aan hoe ze de erfgoedwaarden in acht heeft genomen.’ waarbij de huidige toestand en de aanwezige erfgoedwaarden met de toestand op het tijdstip van de opname in de inventaris vergeleken moeten worden en waarbij het vergunningverlenend bestuur het dus toekomt te onderzoeken of de erfgoedwaarden niet verloren gegaan of aangetast zijn als gevolg van werken of handelingen na de opname en waarbij zoals bepaald in artikel 4.1.10 van het [decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’], de motivering in de vergunningsbeslissing blijk moet geven van de afweging van de erfgoedwaarde tegen de belangen die met het bouwproject gediend worden. en terwijl artikel 4.3.1 van de VCRO gelezen in samenhang met artikel 1.1.4 van de VCRO o.a. bepaalt dat ‘het aangevraagde (…), voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld (…) wordt (…) aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de (…) cultuurhistorische aspecten (…) in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4 waarbij artikel 1.1.4 van de VCRO bepaalt dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen en er (…) rekening (…) wordt (…) gehouden met (…) de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele (…) gevolgen’, en terwijl artikel 7bis van de Grondwet bepaalt dat bij de uitoefening van hun bevoegdheden de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen nastreven van een duurzame ontwikkeling in haar milieu-gebonden aspecten, en terwijl artikel 149 van de Grondwet vereist dat elk vonnis met redenen wordt omkleed en artikel 32 van het [decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’] vereist dat elk arrest van een Vlaams bestuursrechtscollege met redenen wordt omkleed.” Belang bij het middel
  13. Op de zitting van 21 december 2023 werpt de tussenkomende partij op dat de verzoekende partij geen actueel belang heeft bij het middel omdat het hoevecomplex dat het voorwerp uitmaakt van haar vergunning, bij ministerieel besluit van 1 juni 2023 geschrapt werd uit de inventaris van het bouwkundig erfgoed. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-5/9 Op deze exceptie, die meer dan zes maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het ministerieel besluit van 1 juni 2023, slechts mondeling wordt geformuleerd op de zitting, en die de openbare orde niet aanbelangt, moet door de Raad van State niet worden ingegaan. Beoordeling van het middel
  14. De Raad voor Vergunningsbetwistingen is geen orgaan van actief bestuur maar een rechtsprekend orgaan, zodat hij niet onderworpen is aan de bepalingen van de motiveringswet. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet omdat de Raad zijn beslissing niet afdoende zou hebben gemotiveerd, is het middel niet ontvankelijk.
  15. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet duidelijk gemaakt hoe het bestreden arrest artikel 35, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ en artikel 7bis van de Grondwet, zou hebben miskend. In zoverre de schending van die bepalingen wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk.
  16. Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). In zoverre het middel de Raad van State uitnodigt te beoordelen of de verwerende partij heeft voldaan aan de bijzondere motiveringsverplichting van artikel 4.1.10 van het decreet van 12 juli 2013 ‘betreffende het onroerend erfgoed’, en correct heeft onderzocht of het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-6/9 project verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening in de zin van de artikelen 1.1.4 en 4.3.1 VCRO, is het niet ontvankelijk.
  17. In zoverre het ontvankelijk is, wordt in het middel aangevoerd dat het bestreden arrest de rechterlijke motiveringsplicht schendt, die wordt voorgeschreven door artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Het middel gaat terug op de beoordeling die de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft gemaakt van het onderdeel van het enige middel tot nietigverklaring van de beslissing van de verwerende partij waarin de verzoekende partij aanvoerde dat “de bestreden vergunningsbeslissing niet afdoende en zorgvuldig gemotiveerd is voor de sloop en herbouw van de in de inventaris opgenomen hoevecomplex”, en waarbij zij in de toelichting bij dat onderdeel erop wees dat de verwerende partij had nagelaten alle in de inventaris van het bouwkundig erfgoed vermelde specifieke en concrete erfgoedkenmerken van alle af te breken gebouwen te betrekken in haar beoordeling. Het bestreden arrest haalt de relevante overwegingen aan van de beslissing van de verwerende partij, en beoordeelt vervolgens de kritiek van de verzoekende partij als volgt: “Uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat de verwerende partij erkent dat het hoevegebouw een beperkte erfgoedwaarde heeft en dat ze de sloop ervan verantwoordt op grond van gelijkaardige motieven die door de Raad reeds in het arrest van 26 maart 2019 als ontoereikend werden bevonden. [...] Terecht wijst de verzoekende partij die motieven aan als onvoldoende. Ook het argument dat er in de omgeving nog andere geïnventariseerde hoevegebouwen in betere staat aanwezig zijn en de nieuwbouw ook een boerenwoning beoogt, kan de sloop van het inventarispand op zich niet rechtvaardigen. De Raad kan evenwel niet omheen de vaststelling dat die motieven niet op zich staan en uit de bestreden beslissing, anders dan voorheen, blijkt dat de verwerende partij haar oordeel omstandig en doorslaggevend steunt op bijkomende informatie van de aanvrager waaruit een ‘ernstige vochtproblematiek’ zou blijken. [...] ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-7/9 Met die overwegingen geeft de verwerende partij afdoende te kennen waarom het behoud van het inventarispand niet mogelijk is en de sloop ervan verantwoord is. [...] De kritiek van de verzoekende partij maakt duidelijk dat ze, op basis van het fotoverslag, en anders dan de verwerende partij, van mening is dat het inventarisgebouw zich niet in zo’n slechte bouwfysische toestand bevindt dat de sloop verantwoord is. [...] De verzoekende partij toont bijgevolg niet aan dat de verwerende partij onwettig besluit dat het behoud van de erfgoedkenmerken van de hoevewoning onmogelijk is en de sloop van het hoevegebouw verantwoord is.” Deze motieven bevatten geen antwoord op de wettigheidskritiek van de verzoekende partij dat de verwerende partij heeft nagelaten alle in de inventaris van het bouwkundig erfgoed vermelde specifieke en concrete erfgoedkenmerken van alle af te breken gebouwen te betrekken in haar beoordeling. Het bestreden arrest voldoet aldus niet aan de rechterlijke motiveringsplicht die wordt voorgeschreven door artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Het middel is in die mate gegrond. BESLISSING
  18. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2223-0058 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 22 september 2022 in de zaak 2122-RvVb-0072-A.
  19. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  20. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-8/9
  21. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.589 VII-41.731-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.589 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.