id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.590 Rolnummer: A. 236990/VII-41631 Zaak: Arrest 258590 - Milieuvergunningen - 25/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-01 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-10 20:18 Fiche Arrest nr 258.590 van 25 januari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.590 van 25 januari 2024 in de zaak A. 236.990/VII-41.631 In zake : de NV E. DE KOCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de VZW MILIEUSTEUNPUNT HULDENBERG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maay Sterckx kantoor houdend te 1190 Brussel Koningslaan 206 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 7 juni 2022 “over het beroep aangetekend tegen het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 19 november 2009 met nummer D/PMVC/09F25/13443 m.b.t. het verder exploiteren en veranderen van een zandgroeve gelegen te Neerijse, Ganzemanstraat zn, waarbij de milieuvergunning aan de nv De Kock wordt geweigerd”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De vzw Milieusteunpunt Huldenberg heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 18 oktober
- Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 februari 2023 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Anthony Roegiers, die loco advocaat Maay Sterckx verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-2/17 III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleent op 19 november 2009 aan de verzoekende partij een milieuvergunning voor het verder uitbaten en veranderen van een zandgroeve. Verschillende omwonenden, de gemeente Huldenberg, de gemeente Bertem en de tussenkomende partij stellen tegen dat besluit een bestuurlijk beroep in. De Vlaamse minister bevestigt op 12 november 2010 de vergunning, mits aanpassing van de exploitatievoorwaarden. Dat besluit wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 221.463 van 22 november
- 3.
- De Vlaamse minister doet op 6 juni 2013 opnieuw uitspraak over het beroep, en verleent de gevraagde vergunning. Dat besluit wordt vervolgens door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 225.484 van 14 november
- 3.
- De Vlaamse minister doet op 7 mei 2014 opnieuw uitspraak over het beroep, en verleent de gevraagde vergunning. Dat besluit wordt vervolgens door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 231.137 van 7 mei
- 3.
- De Vlaamse minister doet op 15 oktober 2015 opnieuw uitspraak over het beroep, en verleent de gevraagde vergunning. Dat besluit wordt vervolgens door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 236.696 van 8 december
- 3.
- De Vlaamse minister doet op 8 mei 2017 opnieuw uitspraak over het beroep, en verleent de gevraagde vergunning. Dat besluit wordt vervolgens door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 252.716 van 20 januari
- 3.
- Na dit arrest van 20 januari 2022 wordt de beroepsprocedure hernomen en worden adviezen ingewonnen. De afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van het departement Omgeving (hierna: GOP Omgeving) verleent op 5 april 2022 een ongunstig advies. Dat advies wordt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-3/17 bijgetreden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) die op 2 mei 2022 een ongunstig advies verleent. 3.
- De verwerende partij beslist op 7 juni 2022 om de beroepen gegrond te verklaren, het bestreden besluit van 19 november 2009 op te heffen, en de gevraagde milieuvergunning te weigeren. Dit is het bestreden besluit. 3.
- Inmiddels had de verzoekende partij een nieuwe aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de uitbating van de zandgroeve, en hiervoor een nieuw milieueffectenrapport (hierna: MER) opgemaakt. De deputatie heeft deze vergunning op proef verleend bij besluit van 16 juni
- Na beroep werd de vergunning echter geweigerd bij besluit van de Vlaamse minister van Omgeving van 23 december
- IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat het beroep onontvankelijk is bij gebrek aan belang van de verzoekende partij bij de nietigverklaring. Na kennisname van het auditoraatsverslag waarin geadviseerd wordt de exceptie te verwerpen, stelt de verwerende partij in haar laatste memorie dat zij “het verslag van het auditoraat dat besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het beroep [onderschrijft]”. De verwerende partij doet aldus afstand van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid, die bijgevolg door de Raad van State niet meer dient beoordeeld te worden. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 23, § 2, en 27, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), van het gezag van gewijsde van het arrest ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-4/17 van de Raad van State van 20 januari 2022 met nr. 252.716, van de beperkte terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest, van het fair play - beginsel, en van het materieel motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij zet uiteen dat de aangevraagde milieuvergunning door de bestreden beslissing wordt geweigerd omdat er geen nieuwe elementen zouden bekend zijn met betrekking tot de verbetering van de toestand van de ontsluitingsweg, verwijzend naar het ongunstig geïntegreerd advies van 5 april 2022 van de GOP Omgeving, en ten overvloede verwijzend naar de onmogelijkheid om in het kader van een milieuvergunningsprocedure een nieuw openbaar onderzoek te organiseren om rekening te houden met geactualiseerde studies zoals het nieuwe MER. Zij brengt in herinnering dat luidens het vernietigingsarrest van 20 januari 2022 slechts gemotiveerd kan worden overgegaan tot het nemen van een beslissing houdende milieuvergunning voor de betrokken inrichting op voorwaarde dat enerzijds de bestaande toestand van de ontsluitingswegen is verbeterd en anderzijds dat de te verwachten vrachtwagenbewegingen van de inrichting geen hinder veroorzaken die de draagkracht van dit wegennet te boven gaat. Met betrekking tot de geplande ingrepen aan de wegenis heeft de Raad overwogen dat niet kan ingezien worden hoe dit relevantie kon vertonen ten tijde van het nemen van de destijds bestreden beslissing van 8 mei
- Dit arrest impliceert volgens de verzoekende partij dat de beroepsprocedure moet worden overgedaan, rekening houdend met de inhoud van dit arrest opdat een rechtsherstellend effect kan worden gecreëerd. Het onvolkomen retroactief karakter van een vernietigingsarrest zou evenwel met zich brengen dat het bestuur, ofschoon teruggeplaatst in de voorheen bestaande toestand, zijnde vlak voor het nemen van de vernietigde beslissing, wel degelijk en terdege rekening dient te houden met de inmiddels geëvolueerde actuele situatie, inzonderheid met de in de tussentijd veranderde feitelijke omstandigheden die bij het nemen van een nieuwe beslissing niet mogen worden over het hoofd gezien. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-5/17 De verzoekende partij merkt op dat het departement Mobiliteit en Openbare Werken geen tijdig advies heeft verstrekt zodat moet worden aangenomen dat het betrokken adviesverlenend overheidsorgaan een gunstige beoordeling heeft gedaan over de door haar te onderzoeken aspecten van de ingedeelde inrichting, zijnde de mobiliteit. Niettemin nemen zowel de minister als de GOP Omgeving het tegendeel aan van de strekking van voormeld advies, aangezien zowel de minister als de GOP Omgeving ervan uitgaan dat er geen sprake is van verbetering van de toestand van de ontsluitingsweg. De minister neemt aldus volgens de verzoekende partij op tegenstrijdige wijze het tegendeel aan van de werkelijke toedracht van de zaak, nu inmiddels wel degelijk verbeteringen werden aangebracht aan de ontsluitingsweg, getuige het gunstig advies met voorwaarden van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van 8 april 2022 in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag, waarop de deputatie steunt om een omgevingsvergunning te verlenen op proef bij besluit van 16 juni
- De verwerende partij heeft bijgevolg volgens de verzoekende partij geen rekening gehouden met de inmiddels gewijzigde feitelijke omstandigheden met betrekking tot de bestaande toestand van de ontsluitingswegen, in acht genomen dat de kritiek in het arrest van 20 januari 2022 vanzelfsprekend betrekking had op de feitelijke toestand ten tijde van het nemen van de destijds bestreden beslissing van 8 mei
- Inmiddels zijn er al meer dan vijf jaar verstreken en met dat tijdsverloop werd volgens de verzoekende partij in de thans bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening gehouden. De verzoekende partij wijst op het tijdsverloop inzake de behandeling van de omgevingsvergunningsaanvraag waaruit blijkt dat de GOP Omgeving op de vergadering van de Provinciale Omgevingsvergunningscommissie (hierna: POVC) van 26 april 2022 een minderheidsstandpunt heeft ingenomen met betrekking tot de mobiliteit in weerwil van het voorwaardelijk gunstig advies van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van 8 april
- De zorgvuldigheid, de redelijkheid en het fair play - beginsel brengen volgens de verzoekende partij met zich mee dat de GOP Omgeving de minister op de hoogte had moeten brengen van het voorwaardelijk gunstig advies ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-6/17 dat het departement Mobiliteit en Openbare Werken op 8 april 2022 heeft uitgebracht naar aanleiding van de omgevingsvergunningsaanvraag betreffende dezelfde site en dezelfde ingedeelde inrichting, temeer daar de verzoekende partij in haar nota voor de GMVC uitdrukkelijk in herinnering had gebracht dat een afzonderlijke omgevingsvergunningsaanvraag lopende was en dat nagenoeg alle adviezen gunstig of voorwaardelijk gunstig waren. Deze gegevens werden niet betrokken in de herbeoordeling van de bestreden beslissing, zodat het heronderzoek volgens de verzoekende partij niet heeft gedaan wat de Raad van State heeft opgedragen, namelijk een onderzoek met betrekking tot de actuele toestand van de ontsluitingswegenis. De gelijkluidende formulering van de bestreden beslissing en het advies van de GOP Omgeving dat haar “geen nieuwe elementen bekend zijn” is volgens de verzoekende partij niet in overeenstemming met de werkelijke feitelijke toedracht, gezien de GOP Omgeving op 26 april 2022 door toedoen van de POVC-hoorzitting op de hoogte was van het inmiddels uitdrukkelijk voorwaardelijk gunstig advies van het departement Mobiliteit en Openbare Werken ter duiding en precisering van de juiste feitelijke toedracht en toestand van de ontsluitingswegenis. Verder was het in de gegeven omstandigheden volgens de verzoekende partij even onzorgvuldig en kennelijk onredelijk om de uitkomst van de behandeling van de omgevingsvergunningsaanvraag niet af te wachten, getuige het op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing verstreken tijdsverloop in de afhandeling van de omgevingsvergunningsaanvraag die op 16 juni 2022 heeft geleid tot het verlenen van een omgevingsvergunning op proef. Bij de heroverweging na vernietiging beschikte de minister immers slechts over een termijn van orde. Wanneer het bestuur bij het nemen van de vernietigde beslissing niet verplicht moet beslissen binnen een vervaltermijn, loopt er evenmin een integrale nieuwe vervaltermijn. In de gegeven omstandigheden was het volgens de verzoekende partij redelijk geweest mocht de minister in plaats van reeds te beslissen op 7 juni 2022, nadere informatie hebben gevraagd aan haar betrokken diensten betreffende de uitkomst van de behandeling van de omgevingsvergunningsaanvraag, nu deze effectief heeft geleid tot het verlenen van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-7/17 een omgevingsvergunning op proef bij besluit van de deputatie van 16 juni 2022, om op dat ogenblik na te gaan in welke mate de milieuvergunningsaanvraag nog een voorwerp heeft en teneinde tegenstrijdige beslissingen te vermijden, waarbij de minister de vergunning voor dezelfde site en dezelfde ingedeelde inrichting heeft geweigerd op grond van manifest onjuiste niet-actuele feitelijke gegevens, terwijl de deputatie voor deze zelfde site en inrichting een omgevingsvergunning op proef heeft verleend op grond van juiste, actuele feitelijke gegevens van het dossier, zodat de overtollige verwijzing naar het niet kunnen in ogenschouw nemen van het nieuwe project-MER in de gegeven omstandigheden de weigering niet kan schragen. De omgevingsvergunning werd door de deputatie op proef verleend op grond van een nieuw project-MER waaruit blijkt dat er geen significante effecten te verwachten zijn van de verkeersafwikkeling. De minister kon bijgevolg het ingeroepen procedureel onvermogen om daarmee rekening te houden in het kader van de milieuvergunningsprocedure volgens de verzoekende partij oplossen door te wachten op de afloop van de procedure inzake de omgevingsvergunning mét project-MER en daaraan de juiste gevolgen te verbinden. De verzoekende partij beweert dat zij nooit gezegd heeft dat haar zaak niet zonder voorwerp kon worden, dit zou alleen op het moment van de hoorzitting bij de GMVC zijn aangegeven in de op dat ogenblik bestaande stand van zaken. Het zou de taak van de verwerende partij zijn om op het moment van de besluitvorming rekening te houden zowel met feitelijke als met juridische ontwikkelingen, te meer daar er geen vervaltermijn liep en de redelijke termijn evenmin al verstreken was. De verzoekende partij besluit dat de bestreden weigeringsbeslissing bijgevolg niet getuigt van een zorgvuldige en redelijkerwijze te verwachten nauwkeurige herbeoordeling van de zaak op grond van de inmiddels na een tijdsverloop van vijf jaar gewijzigde feitelijke toestand van de ontsluitingswegenis.
- In de memorie van antwoord merkt de verwerende partij vooreerst op dat de aangevoerde schending van de artikelen 23, § 2, en 27, § 2, van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-8/17 Vlarem I, niet wordt ontwikkeld. Zij benadrukt vervolgens dat zij in uitvoering van het arrest van 20 januari 2022 de administratieve beroepen aan een nieuw onderzoek heeft onderworpen, waarbij rekening is gehouden met de gevraagde en verstrekte recente adviezen, waaronder het stilzwijgend gunstig subadvies van de afdeling Beleid van het departement Mobiliteit en Openbare Werken. In het licht van de nieuwe adviezen en het gezag van gewijsde van het vermelde arrest kwam de verwerende partij, na onderzoek hiervan, tot de volgens haar gerechtvaardigde conclusie “dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt” en “dat de aangevraagde inrichting niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening” met de motivering: “Overwegende dat - met het oog op de drastische verbetering van de impact van het vrachtverkeer tot een aanvaardbaar niveau - een gefaseerde aanpak nodig is voor het realiseren van een apart, gescheiden voet- en fietspad om de onveilige toestand aan te pakken waarbij in een eerste fase huizen worden afgebroken, in een tweede fase voortuinen worden onteigend en de feitelijke aanleg van het voet- en fietspad in een derde fase, en dat er momenteel geen nieuwe elementen bekend zijn waaruit blijkt dat de toestand van de ontsluitingsweg recent op dergelijke wijze is verbeterd.” De verwerende partij merkt vervolgens op dat zij geen rekening moest houden met de beslissing van de deputatie van 16 juni 2022, die trouwens van latere datum is, en dan ook terecht, op grond van een eigen onderzoek, en binnen een redelijke termijn, de milieuvergunning kon weigeren. De schending van het zorgvuldigheids-, redelijkheid- en fair play - beginsel, doordat de GOP Omgeving de minister niet op de hoogte zou hebben gebracht van het voorwaardelijk gunstig advies van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van 8 april 2022, dat aanleiding gaf tot de beslissing van de deputatie van 16 juni 2022, wordt volgens de verwerende partij niet gestaafd. Daarnaast zou de bewering in feite falen aangezien dit advies enkel betrekking had op een wijzigingsverzoek van de aanpassing van de verplaatsing van een buurtweg en niet op de verbetering van de ontsluitingswegen. En zelfs ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-9/17 indien men rekening houdt met voormelde beslissing van de deputatie, komt men volgens de verwerende partij tot de conclusie dat de bestaande toestand van de ontsluitingswegen niet is verbeterd met de zogenaamde ‘quick wins’, en dat de te verwachten vrachtwagenbewegingen van de verzoekende partij hinder zullen veroorzaken die de draagkracht van het wegennet te boven gaat.
- In het verzoekschrift tot tussenkomst stelt de tussenkomende partij vast dat de verzoekende partij zich bij haar argumentatie voornamelijk baseert op het deputatiebesluit van 16 juni 2022, waartegen onder meer door de tussenkomende partij beroep werd aangetekend. Zij wijst op haar beroepschrift waarin uitgebreid zou worden aangetoond dat de overwegingen en het besluit van de deputatie inzake de zogenaamde structurele verbeteringen van de wegen absoluut niet kloppen. Daarenboven zou met de stellingnames in het deputatiebesluit volledig worden ingegaan tegen het gezag van gewijsde van de uitgesproken vernietigingsarresten, onder meer dit van 20 januari
- De milieuvergunningsaanvraag werd dan ook volgens de tussenkomende partij terecht geweigerd door de verwerende partij middels haar ministerieel besluit van 7 juni
- In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat de deputatie in het besluit van 16 juni 2022 een correcte uitvoering heeft gegeven aan het laatste vernietigingsarrest van de Raad van State door in de proefvergunning in extenso te preciseren welke concrete maatregelen op het vlak van mobiliteit en verkeersveiligheid inmiddels werden uitgevoerd en/of in uitvoering zijn. Zij legt de nadruk op de onzorgvuldigheid en de kennelijke onredelijkheid van de handelwijze van de verwerende partij die het bestreden besluit heeft genomen zonder de uitkomst af te wachten van de behandeling door de deputatie van de aanvraag voor de omgevingsvergunning. De verwerende partij zou in ieder geval niet het vereiste onderzoek hebben gedaan naar de verbetering van de toestand van de weg. Uit het deputatiebesluit van 16 juni 2022 blijkt dat er wel degelijk in recente jaren veel verbeteringen zijn doorgevoerd, en de verwerende partij zou ook tot die vaststelling zijn gekomen, moest zij een deugdelijk onderzoek hebben gevoerd ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-10/17 zoals dit door de Raad van State vereist werd in het laatste vernietigingsarrest. Ten onrechte zou de verwerende partij ook geen rekening hebben gehouden met de gunstige strekking van het (stilzwijgend) advies van het departement Mobiliteit en Openbare Werken, in weerwil van de artikelen 23, § 2, en 27, § 2, van Vlarem I. In zoverre de verwerende partij het bestreden besluit nog tracht te verantwoorden door erop te wijzen dat de bestaande toestand van de ontsluitingswegen niet is verbeterd met de zogenaamde ‘quick wins’, en dat de te verwachten vrachtwagenbewegingen van de verzoekende partij hinder zullen veroorzaken die de draagkracht van het wegennet te boven gaat, zou zij nieuwe motieven aanhalen die in het bestreden besluit niet te vinden waren. In dat besluit werd immers geen rekening gehouden met de verbeteringswerken (de zogenaamde ‘quick wins’) zodat deze thans ook niet meer kunnen beoordeeld worden ter rechtvaardiging van het bestreden besluit.
- In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat zij niet heeft opgeworpen dat de verwerende partij in het bestreden besluit had moeten rekening houden met het besluit van de deputatie van latere datum, maar dat het onzorgvuldig en kennelijk onredelijk was om de uitkomst van de behandeling van de omgevingsvergunningsaanvraag niet af te wachten. De handelwijze van de verwerende partij, waarbij geen deugdelijk, zorgvuldig en redelijk onderzoek werd gedaan naar de verbetering van de toestand van de weg, kan volgens de verzoekende partij niet in overeenstemming gebracht worden met het laatste vernietigingsarrest van 20 januari 2022, op grond waarvan in heroverweging een onderzoek diende te gebeuren naar de (verbetering van de) bestaande toestand van de ontsluitingswegen.
- De verwerende partij wijst in de laatste memorie erop dat de omgevingsvergunning die door de deputatie op proef was verleend, inmiddels in beroep werd geweigerd. Zij herhaalt dat de bestreden beslissing op afdoende wijze motiveert waarom de aanvraag niet verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, meer bepaald op het vlak van de verkeersveiligheid op de ontsluitingswegen van de aangevraagde inrichting. Het feit dat de afdeling Beleid van het departement Mobiliteit en Openbare Werken een stilzwijgend gunstig ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-11/17 advies verleende, is volgens de verwerende partij niet relevant omdat het advies niet bindend is en zij op gemotiveerde wijze ervan kon afwijken, wat zij ook gedaan heeft, zich steunend op de objectieve elementen van het dossier.
- De tussenkomende partij wijst in haar laatste memorie erop dat geen rechtsregel de verwerende partij ertoe verplicht om de beslissing over het beroep tegen de milieuvergunning uit te stellen wanneer er tegelijk een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Verder houdt zij voor dat de ‘quick wins’ waarnaar de verzoekende partij verwijst, géén structurele verbetering hebben aangebracht aan de verkeersveiligheid op de ontsluitingswegen van de zandgroeve. Die ontsluitingswegen zijn volgens de tussenkomende partij nog steeds ongeschikt hetgeen de weigering van de milieuvergunning volgens haar verantwoordt. Beoordeling
- De vernietiging door de Raad van State van de in graad van beroep verleende milieuvergunning verplicht de beroepsinstantie tot het hernemen van de beroepsprocedure en tot een nieuwe beoordeling van het ingestelde beroep, met eerbiediging van het gezag van het vernietigingsarrest. Die beroepsinstantie dient zich daarbij te gedragen naar de juridische en feitelijke stand van zaken zoals die zich op het moment van de nieuwe beslissing voordoet.
- Uit het arrest van de Raad van State nr. 252.716 van 20 januari 2022 volgt dat de milieuvergunning slechts kan worden verleend aan de verzoekende partij wanneer blijkt dat “enerzijds de bestaande toestand van de ontsluitingswegen is verbeterd, en anderzijds dat de te verwachten vrachtwagenbewegingen van de inrichting geen hinder veroorzaken die de draagkracht van dit wegennet te boven gaat”. Wat meer in het bijzonder de draagkracht van het wegennet betreft, blijkt uit het arrest dat moet blijken dat het karakter van de N253 op het vlak van de verkeersleefbaarheid essentieel gewijzigd is in vergelijking met de eerder beoordeelde toestand. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-12/17
- Het bestreden besluit bevat volgende motieven met betrekking tot de toestand van de ontsluitingswegen: “
- MOTIVERING VAN DE BESLISSING WAT BETREFT DE AANVAARDBAARHEID VAN DE HINDER […] Overwegende dat de gemeente Huldenberg wordt doorkruist door de gewestweg N253 tussen Leuven en Overijse; dat de ontsluiting van de aangevraagde inrichting naar het hoger wegennet gebeurt via deze gewestweg; dat deze gewestweg is ingedeeld als secundaire weg 3; dat deze weg bestaat uit 2x1 rijvakken met gemengd verkeer; dat in het MER wordt gesteld dat deze weg niet goed is uitgerust als ontsluitingsweg voor de gemeente; dat tussen de E40 en de E411 vijf woonkernen worden doorkruist; dat er, op enkele lokale uitzonderingen na, geen voetgangers- of fietsvoorzieningen aanwezig zijn langs de N253 in de dorpskern van Neerijse waardoor zwakke weggebruikers er zich moeten mengen met het gemotoriseerd verkeer; Overwegende dat de N253 een wegbreedte heeft van 6 tot 7 m en het tracé bochtig verloopt, met steile hellingen; dat in het bijzonder ten westen van de aansluiting met de Langestraat zich een subjectief gevaarlijke S-bocht bevindt vanwege de korte bochten en beperkte zichtbaarheid; dat ter hoogte van het kruispunt Langestraat – N253 de woning op de noordoostelijke hoek het zicht op het verkeer op de N253 komende uit de richting van Leuven bemoeilijkt; dat het hellende terrein en het groenscherm aan de andere kant het zicht bemoeilijken op het verkeer komende uit de richting van Overijse; Overwegende dat in het MER, goedgekeurd op 3 juni 2009, met betrekking tot het aspect ‘Mens-Verkeer’ wordt geconcludeerd dat het effect van het vrachtwagenverkeer licht negatief is; dat dit volgens dit MER uitsluitend te wijten is aan de scores van het aspect ‘Verkeersveiligheid’; dat voor de andere aspecten (verkeersbelasting, verkeersleefbaarheid en doorstroming openbaar vervoer) de verschillen met en zonder de exploitatie niet significant zijn; dat op het vlak van verkeersintensiteit in het MER wordt opgemerkt dat de inrichting van de weg niet voldoet aan de gewenste inrichting van een secundaire weg type 3; dat op het vlak van verkeersleefbaarheid wordt gesteld dat de wijziging van de verkeersleefbaarheid ter plaatse niet significant is maar dat daarmee niet gezegd is dat de leefbaarheid op dit moment, zijnde 2009, goed te noemen is; Overwegende dat de Raad van State in verschillende arresten heeft geoordeeld dat een milieuvergunning pas kan worden verleend als enerzijds blijkt dat de bestaande toestand van de ontsluitingswegen is verbeterd en anderzijds de te verwachten vrachtwagenbewegingen van de inrichting geen hinder veroorzaken die de draagkracht van dit wegennet te boven gaat; Overwegende dat de exploitant op 7 juli 2015 een mobiliteitseffectenrapport (MOBER) heeft toegevoegd aan het dossier ter aanvulling en actualisatie van de mobiliteitseffectbeoordeling in het MER; dat in het MOBER met betrekking tot verkeersveiligheid wordt geconcludeerd dat de huidige en feitelijke toestand van de belangrijkste ontsluitingswegen voor de zandgroeve op sommige punten te wensen over laat wat zichtbaarheid betreft omwille van het bochtige en hellende tracé en omwille van obstakels; dat er ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-13/17 de subjectieve verkeersonveiligheid voor voetgangers en fietsers groot is omwille van het feit dat zij zich gemengd met het gemotoriseerd verkeer moeten verplaatsen; Overwegende dat - met het oog op de drastische verbetering van de impact van het vrachtverkeer tot een aanvaardbaar niveau - een gefaseerde aanpak nodig is voor het realiseren van een apart, gescheiden voet- en fietspad om de onveilige toestand aan te pakken waarbij in een eerste fase huizen worden afgebroken, in een tweede fase voortuinen worden onteigend en de feitelijke aanleg van het voet- en fietspad in een derde fase, en dat er momenteel geen nieuwe elementen bekend zijn waaruit blijkt dat de toestand van de ontsluitingsweg recent op dergelijke wijze is verbeterd; dat bijgevolg het arrest moet worden bijgetreden; Overwegende dat bovendien de Raad van State al meermaals heeft geoordeeld […] dat het toevoegen van een nieuw en cruciaal element, zoals in dit geval een MOBER, bij de vergunningverlening de rechten van derden schendt; dat belanghebbenden hun inspraakrechten slechts nuttig kunnen uitoefenen wanneer de vergunningsaanvraag voldoende gegevens bevat op basis waarvan derdebelanghebbenden kunnen inschatten welke hinder en risico’s aan de exploitatie verbonden zijn en die mogelijk van aard zijn hun leefomgeving nadelig te beïnvloeden; dat in tegenstelling tot de omgevingsvergunningsprocedure, de milieuvergunningsprocedure niet in de mogelijkheid voorziet om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren om op die manier derden de kans te geven om kennis te nemen en eventueel te repliceren op de nieuw toegevoegde essentiële informatie […]; dat bijgevolg er geen rekening kan worden gehouden met het MOBER, of dat nieuw geactualiseerde studies (zoals het nieuwe MER) worden toegevoegd aan de aanvraag;
- MOTIVERING VAN DE BESLISSING OVER DE VERENIGBAARHEID MET DE OMGEVING EN DE GOEDE PLAATSELIJKE ORDENING […] Goede ruimtelijke ordening (artikel 4.3.1, §2 van de VCRO) Overwegende dat het aangevraagde moet beoordeeld worden aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op onder andere de inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, hinderaspecten en veiligheid in het algemeen; dat het aangevraagde een projectgebied omvat van meer dan 18 hectare in de nabijheid van woningen wat voor hinder zal zorgen en de draagkracht van een landelijke gemeente overschrijdt; dat een bijkomende belasting van ca. 200 vrachtwagenbewegingen per dag niet verzoenbaar is met de bestaande overbelasting van vrachtverkeer; Overwegende dat gelet op bovenstaande ongunstige evaluatie met betrekking tot de verkeerssituatie, moet worden vastgesteld dat de aanvraag in strijd is met de bepalingen van artikel 4.3.1, §2 van de VCRO en moet geweigerd worden;”
- De verplichting om, bij de herbeoordeling van het beroep na het vernietigingsarrest van de Raad van State, rekening te houden met inmiddels ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-14/17 gewijzigde feitelijke omstandigheden, houdt in dat de beroepsinstantie moet rekening houden met de elementen die haar in dat verband door de vergunningsaanvrager, de beroepers en de adviesverlenende instanties worden voorgelegd. Terecht oordeelt de verwerende partij dat zij daarbij echter geen rekening kan houden met het door de verzoekende partij bijgebrachte mobiliteitseffectenrapport uit 2015 en evenmin met het nieuwe project-MER van de verzoekende partij, nu deze rapporten niet het voorwerp hadden uitgemaakt van een openbaar onderzoek in het kader van de voorliggende milieuvergunningsaanvraag, en dergelijk openbaar onderzoek ook niet meer kon georganiseerd worden. In zoverre het MER uit 2009 door het lange tijdsverloop inmiddels zijn actualiteit was verloren, kon hieraan niet meer verholpen worden in het kader van de voorliggende milieuvergunningsprocedure. De andere elementen die de verwerende partij ter beschikking stonden ter beoordeling van de vraag of ten tijde van het bestreden besluit voldaan werd aan de voorwaarden voor de vergunningverlening die waren gesteld in het arrest van de Raad van State van 20 januari 2022, werden terdege in die beoordeling betrokken. Op basis van die gegevens kon de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit komen dat aan die voorwaarden niet was voldaan.
- Het behoorde de verwerende partij daarbij niet om de beslissing van de deputatie over de nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag van de verzoekende partij af te wachten. Zoals de verzoekende partij ook zelf had aangegeven in haar nota ten behoeve van de hoorzitting van de GMVC, dienden beide vergunningsprocedures onafhankelijk van elkaar te worden behandeld. Noch het zorgvuldigheidsbeginsel, noch het redelijkheidsbeginsel, noch het beginsel van fair play hielden voor de verwerende partij een verplichting in om bij de herbeoordeling van het beroep tegen de milieuvergunning, na een vernietigingsarrest van de Raad van State, rekening te houden met de gegevens die zouden blijken uit een inmiddels opgestarte procedure tot aanvraag van een omgevingsvergunning voor dezelfde inrichting. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-15/17
- Het bestreden besluit verantwoordt aan de hand van de beschikbare gegevens waarop acht kon worden geslagen op afdoende wijze waarom ten tijde van het besluit niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor de vergunningverlening die waren gesteld in het arrest van de Raad van State van 20 januari
- Het gezag van gewijsde van dat arrest wordt dan ook door het bestreden besluit niet geschonden. Evenmin wordt afbreuk gedaan aan de regel dat het bestuur zich dient te gedragen naar de juridische en feitelijke stand van zaken zoals die zich op het moment van de nieuwe beslissing voordoet (door de verzoekende partij “het beperkt terugwerkend karakter van dat arrest” genoemd).
- De door de verzoekende partij geviseerde bepaling van artikel 23, § 2, van Vlarem I is niet van toepassing op de vergunningsprocedure in beroep, en kan bijgevolg door het bestreden besluit niet zijn miskend.
- De omstandigheid dat de afdeling Beleid van het departement Mobiliteit en Openbare Werken geen advies heeft verstrekt over de aanvraag zodat dit met toepassing van artikel 27, § 2, van Vlarem I geacht wordt gunstig te zijn met betrekking tot de door haar te onderzoeken aspecten, doet aan hetgeen voorafgaat geen afbreuk. Het stilzwijgend gunstig advies in de zin van artikel 27, § 2, van Vlarem I is niet bindend voor de vergunningverlenende overheid en zij kan hiervan afwijken mits afdoende motivering. Die afdoende motivering is hier voorhanden doordat de elementen worden aangehaald die in redelijkheid aannemelijk maken dat er op het vlak van de verkeersleefbaarheid van de N253 geen essentiële wijziging heeft plaatsgevonden. In zoverre de schending wordt aangevoerd van voormeld artikel 27, § 2, van Vlarem I en van de materiëlemotiveringsplicht kan het middel dan ook evenmin slagen.
- Het enige middel is ongegrond. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.590 VII-41.631-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div