id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.599 Rolnummer: A. 229607/X-17618 Zaak: Arrest 258599 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 26/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-02 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-10 20:31 Fiche Arrest nr 258.599 van 26 januari 2024 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.599 no lien 275317 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.599 van 26 januari 2024 in de zaak A. 229.607/X-17.618 In zake : Herman MARTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE SCHOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Vincent Vuylsteke en Chris Van Olmen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten van 19 september 2019 om Herman Martens aan te stellen als voltijds adviseur lokaal bestuur, met behoud van het statuut en de salarisschool die hij in zijn vorige functie van financieel beheerder verworven heeft. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 254.226 van 6 juli 2022 wordt het debat heropend en wordt aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een aanvullend verslag opgesteld. X-17.618-1/14 Verzoeker heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Junior Geysens, die loco advocaat Thomas Eyskens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Vincent Vuylsteke en Chris Van Olmen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Juridisch kader en feiten
- Het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur) vervangt de bestaande decreten die de organisatie en de werking van de Vlaamse lokale besturen regelen. Het voorziet onder meer in het ambt van de financieel directeur, die in de plaats treedt van zowel de financieel beheerder van de gemeente als de financieel beheerder van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW). Wat de titularis van het ambt van financieel beheerder van de gemeente of van het ambt van financieel beheerder van het OCMW betreft die niet wordt aangesteld als financieel directeur, bepaalt artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur: X-17.618-2/14 “De persoon, vermeld in artikel 583, § 2, eerste lid, die niet wordt aangesteld als financieel directeur wordt op persoonlijke titel en met behoud van de aard van zijn dienstverband en geldelijke anciënniteit aangesteld hetzij als adjunct-financieel-directeur bij de gemeente, hetzij in een passende functie van niveau A bij de gemeente of bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, of bij een verzelfstandigde entiteit van de gemeente of vereniging van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient. Hij wordt aangesteld met behoud van de salarisschaal die hij kreeg als financieel beheerder, zolang het salaris op basis daarvan gunstiger is dan het salaris dat hij zou krijgen na de inschaling in de passende functie. De adjunct-financieel-directeur staat de financieel directeur bij in de vervulling van zijn ambt, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met
- In afwijking van artikel 166 vervangt de adjunct-financieel-directeur de financieel directeur als hij afwezig of verhinderd is. De gemeenteraad regelt die vervanging.” 4.
- Verzoeker was financieel beheerder van de gemeente Schoten. 4.
- Op 29 maart 2018 beslist de gemeenteraad van Schoten om de statutaire functie van financieel directeur in te vullen door aanwerving. Verzoeker neemt niet deel aan de aanwervingsprocedure. Op 28 maart 2019 beslist de gemeenteraad om W. V. aan te stellen als statutair financieel directeur met een proefperiode van twaalf maanden. Op 28 mei 2020 stelt de gemeenteraad W. V. definitief aan als financieel directeur. Verzoekers beroepen tegen de gemeenteraadsbeslissingen van 29 maart 2018, 28 maart 2019 en 28 mei 2020 worden verworpen bij respectievelijk arrest nr. 252.277 van 1 december 2021, nr. 246.783 van 21 januari 2020 en nr. 252.278 van 1 december
- 4.
- Onder verwijzing naar onder meer artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur stelt de algemeen directeur op 27 augustus 2019 de functiebeschrijving van adviseur lokaal bestuur (A1a-A1b-A2a) vast. X-17.618-3/14 Eveneens verwijzend naar onder meer artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur beslist de gemeenteraad op 12 september 2019 om in te stemmen met de uitbreiding van het personeelskader met één voltijdse statutaire functie van adviseur lokaal bestuur op A1a-A1b-A2a-niveau. Met toepassing van artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten op 19 september 2019 verzoeker aan als voltijds adviseur lokaal bestuur, met behoud van het statuut en de salarisschaal die hij verworven heeft in de vorige functie van financieel beheerder. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Samenvatting van het middel
- Verzoeker leidt een eerste middel af “uit de schending van art. 10, 11, 23 – al dan niet gelezen in samenhang met de art. 12 van de Grondwet en art. 8 EVRM –, 159 en 162 van de Grondwet, art. 589, § 2 van het Decreet Lokaal Bestuur”. Toegelicht wordt dat de bestreden beslissing steunt op artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur. Deze decretale regeling is al te summier en daarom rechtsonzeker opgevat, waardoor ze het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet schendt, evenals het legaliteitsbeginsel in artikel 162 van de Grondwet. Minstens ontbreken in artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur “de draagwijdte en de toekenningsvoorwaarden die aan een passende functie (minimaal) moeten worden gesteld”. Voorts moet volgens verzoeker worden opgemerkt dat een betrokkene voordien wel het beschermingsniveau genoot van een statuut dat X-17.618-4/14 uniform gold voor het hele grondgebied van Vlaanderen. Er is bijgevolg sprake van een schending van het standstillprincipe. Tevens biedt de decreetgever, in strijd met artikel 23 van de Grondwet, geen waarborgen “op het vlak van de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid en het recht op billijke arbeidsvoorwaarden”. De decretale bepaling waarop de bestreden beslissing berust, is strijdig met artikel 23 van de Grondwet. Er is reden om het Grondwettelijk Hof hierover prejudicieel te ondervragen. Na het antwoord te hebben ontvangen “moet worden besloten dat de bestreden akte steunt op een ongrondwettelijke grondslag, net zoals de reglementaire besluiten dd. 27 augustus 2019 en 12 september 2019 waarop de bestreden akte steunt, die derhalve om deze reden en op grond van art. 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten moet worden”. Beoordeling
- Gevolg gevend aan verzoekers vraag stelde de Raad van State bij arrest nr. 254.226 van 6 juli 2022 de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt art. 589, § 2 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ de artikelen 10, 11, en 23 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 162 van de Grondwet, in zoverre deze bepaling niet voorschrijft op grond van welke criteria de keuze moet worden gemaakt tussen, enerzijds, een aanstelling als adjunct-financieel-directeur bij de gemeente en, anderzijds, een aanstelling in een passende functie van niveau A bij gemeentelijke en daaraan verbonden overheden, en in zoverre erin wordt nagelaten het begrip ‘passende functie’ te concretiseren en er een uniforme invulling aan te geven?” In antwoord hierop zegde het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 55/2023 van 23 maart 2023 voor recht dat artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur niet de artikelen 10, 11 en 23, in samenhang gelezen met artikel 162, van de Grondwet schendt. Overwogen werd onder meer wat volgt: X-17.618-5/14 “B.7.
- De in het geding zijnde bepaling voorziet erin dat de financieel beheerder die niet als financieel directeur wordt aangesteld, hetzij als adjunct-financieel directeur in de gemeente, hetzij in een ‘passende functie’ van niveau A binnen de gemeente, het OCMW of een verzelfstandigde entiteit van de gemeente of het OCMW wordt aangesteld. De in het geding zijnde bepaling bepaalt dat de adjunct-financieel directeur de financieel directeur bijstaat in de vervulling van zijn ambt, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in de artikelen 217 tot 220 van het Decreet Lokaal Bestuur, en dat hij de financieel directeur vervangt als hij afwezig of verhinderd is. Door met betrekking tot de tweede functie te bepalen dat het moet gaan om een ‘passende’ functie van niveau A, heeft de decreetgever aangegeven dat de gewezen financieel beheerder moet worden aangesteld in een evenwaardige functie die voor de betrokkene geen degradatie mag inhouden. Uit de rechtspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de gemeenten voor zover mogelijk rekening dienen te houden met de competenties en de belangstelling van de betrokkene (RvSt, 5 juli 2022, nr. 254.219; RvSt, 25 november 2021, nr. 252.230). De in het geding zijnde bepaling voorziet voorts erin dat de aanstelling gebeurt op persoonlijke titel en met behoud van de aard van het dienstverband, de geldelijke anciënniteit en de salarisschaal, zolang het salaris op basis daarvan gunstiger is dan het salaris verbonden aan de passende functie. Ten slotte bepaalt paragraaf 3 van artikel 589 van het Decreet Lokaal Bestuur dat de gewezen financieel beheerder tot en met 31 december 2023 wordt geacht te voldoen aan de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden die door de gemeenteraad worden vastgesteld voor het ambt van financieel directeur en dat de gemeenteraad de betrokkene ook kan opnemen in een wervingsreserve. De in het geding zijnde bepaling bevat derhalve zowel inhoudelijke als pecuniaire waarborgen ten aanzien van de functie waarin de gewezen financieel beheerder kan worden aangesteld. B.7.
- De in het geding zijnde bepaling bepaalt weliswaar niet op grond van welke criteria een gemeente de keuze moet maken tussen de aanstelling van een gewezen financieel beheerder in de functie van adjunct-financieel directeur bij de gemeente of in een passende functie van niveau A bij de gemeente, bij het OCMW of bij een daaraan verbonden entiteit. Evenmin bevat de in het geding zijnde bepaling aanwijzingen over welke functies als ‘passende functies’ kunnen worden beschouwd. De in het geding zijnde bepaling verleent de gemeenten over die aspecten derhalve een discretionaire bevoegdheid. Zoals uit B.4.1 blijkt, waarborgt artikel 162 van de Grondwet niet alleen het wettigheidsbeginsel, maar ook de bevoegdheid van de gemeenten voor alles wat van gemeentelijk belang is. De voormelde grondwetsbepaling verankert, net als artikel 41, eerste lid, eerste zin, van de Grondwet, het beginsel van de lokale autonomie, dat impliceert dat de lokale overheden zich elke aangelegenheid kunnen toe-eigenen waarvan zij menen dat ze tot hun belang behoort en ze kunnen regelen zoals zij dat opportuun achten. Het formeel wettigheidsbeginsel neemt derhalve niet weg dat de decreetgever het beginsel van de lokale autonomie dient te respecteren. Op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.599 X-17.618-6/14 grond van dat laatste beginsel zijn de gemeenten principieel bevoegd om regelingen vast te stellen inzake de eigen interne organisatie, de eigen diensten en het eigen personeel (RvSt, advies nr. 15.933/9 van 9 mei 1984; advies nr. 18.760/8 van 17 mei 1989). Het komt in principe de gemeenten toe functies in te richten en de opdrachten te bepalen die bij die functies horen (RvSt, advies nr. 18.809/2 van 5 december 1988). De toekenning aan de gemeenten van de bevoegdheid om te bepalen in welke functie de gewezen financieel beheerder moet worden aangesteld, wordt dan ook verantwoord door het beginsel van de lokale autonomie. Uit de parlementaire voorbereiding van het Decreet Lokaal Bestuur blijkt overigens dat één van de achterliggende doelstellingen van het voormelde decreet bestaat in ‘het streven naar organieke regels die getuigen van vertrouwen en die derhalve veel meer ruimte bieden voor de lokale autonomie (maatwerk)’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1353/1, p. 6). Het feit dat de decreetgever niet op een uniforme wijze heeft bepaald in welke functie een gewezen financieel beheerder kan worden aangesteld, is dan ook een gevolg van het feit dat hij het aan de gemeenten zelf wenste over te laten om, naar gelang van de noden van de gemeente en als onderdeel van het beginsel van de lokale autonomie, te bepalen in welke functie de gewezen financieel beheerder het best wordt aangesteld. Op de keuzes die de gemeente ter zake maakt, wordt toegezien door de toezichthoudende overheid en de bevoegde rechter. B.
- De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 23, in samenhang gelezen met artikel 162, van de Grondwet.”
- Naar hieruit blijkt, gaat het verwijt van verzoeker in het besproken middel dat artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur te summier is en onvoldoende garanties bevat, zodat de reglementaire besluiten van 27 augustus 2019 en 12 september 2019 buiten toepassing moeten worden gelaten en de bestreden beslissing moet worden vernietigd, niet op. Immers moet worden aangenomen dat de bepaling zowel inhoudelijke als pecuniaire waarborgen bevat ten aanzien van de functie waarin de gewezen financieel beheerder kan worden aangesteld, én dat het beginsel van de lokale autonomie voldoende de toekenning verantwoordt aan de gemeenten van de discretionaire bevoegdheid om te bepalen in welke functie de gewezen financieel beheerder moet worden aangesteld. Precies omdat de decreetgever het, als onderdeel van de lokale autonomie, aan de gemeenten zelf heeft willen overlaten om uit te maken in welke functie de gewezen financieel beheerder het best wordt aangesteld, heeft hij niet op een uniforme wijze bepaald in welke functie een gewezen financieel beheerder kan worden aangesteld. X-17.618-7/14
- Het eerste middel doet dus niet aannemen dat de bestreden beslissing en de reglementaire besluiten van 27 augustus 2019 en 12 september 2019 op een ongrondwettige decretale bepaling berusten.
- Tevergeefs blijft verzoeker er in zijn aanvullende laatste memorie op aandringen dat ook nog na het arrest van het Grondwettelijk Hof zou worden geoordeeld dat de decreetgever in gebreke is gebleven om de inhoud, draagwijdte en toekenningsvoorwaarden van de passende functie van niveau A nader te bepalen of om aan de Vlaamse regering op te dragen een uniform stelsel uit te werken. Zoals gezien is het niet vereist dat de decreetgever het begrip ‘passende functie’ nader concretiseert en een uniforme invulling ervan garandeert.
- In zoverre verzoeker zich erover beklaagt dat hem in de gegeven omstandigheden, als enige “optie”, een eenzijdig vastgestelde functie wordt opgedrongen waarin hij “ten prooi” is “aan de grillen van een Algemeen Directeur, een Schepencollege en/of een Gemeenteraad die elk naar eigen inzicht in principe vrij in de arbeidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden van de betrokken passende functie kunnen ingrijpen”, wordt opgemerkt dat het zijn eigen keuze was om niet deel te nemen aan de aanwervingsprocedure voor financieel directeur en dat, zoals ook het Grondwettelijk Hof aangeeft, hij de keuzes die de verwerende partij in verband met zijn nieuwe functie maakt bij de bevoegde rechter kan aanvechten. Dat doet hij overigens in het derde middel.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Samenvatting van het middel
- Een tweede middel is “genomen uit de schending van art. 589, § 2 van het Decreet Lokaal Bestuur, art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het X-17.618-8/14 redelijkheidsbeginsel, het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Toegelicht wordt dat de keuze tussen een aanstelling als adjunct-financieel-directeur of in een passende functie van niveau A niet is gebeurd op grond van een zorgvuldige afweging tussen, eensdeels, de bestuurlijke noden en belangen en, anderdeels, de particuliere wensen en rechten van de betrokken ambtenaar. Noch de bestreden beslissing, noch de reglementaire besluiten van 27 augustus 2019 en 12 september 2019 steunen op enige motivering ter zake. Het blijkt ook niet dat een zorgvuldig onderzoek is gevoerd. Beoordeling
- Wat de financieel beheerder van de gemeente en van het OCMW betreft die niet wordt aangesteld als financieel directeur, schrijft artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur voor dat hij wordt aangesteld “hetzij als adjunct-financieel-directeur bij de gemeente, hetzij in een passende functie van niveau A bij de gemeente of bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, of bij een verzelfstandigde entiteit van de gemeente of vereniging van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient”. Uit het gebruik van de nevenschikking “hetzij/hetzij” volgt dat de aanstelling als adjunct-financieel-directeur en die in een passende functie van niveau A, op dezelfde voet naast mekaar staan en als een gelijke benoeming te beschouwen zijn.
- Zoals het Grondwettelijk Hof met betrekking tot artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur genoegzaam benadrukt, heeft de decreetgever het aan de gemeente overgelaten om uit te maken, overeenkomstig haar noden, in welke functie precies de gewezen financieel beheerder dient aangesteld te worden. X-17.618-9/14 Te dezen heeft de verwerende partij het nodig geacht om voor verzoeker in de functie van adviseur lokaal bestuur te voorzien, waarin hij de algemeen directeur moet adviseren over complexe vragen en over de bovengemeentelijke samenwerkingen van de gemeente, en verantwoordelijk is voor de samenwerking met de kerkfabrieken.
- Het is naar het oordeel van de Raad van State niet vereist dat de verwerende partij bij het instellen van die functie en bij de aanstelling erin van verzoeker, verantwoordde waarom zij het niét nodig achtte om, in de plaats daarvan, te voorzien in de functie van adjunct-financieel-directeur en verzoeker in die functie te benoemen. De omstandigheid dat verzoeker steeds behoorlijk gefunctioneerd zou hebben als financieel beheerder van de gemeente en nooit een negatieve opmerking over zijn functioneren heeft ontvangen, doet daar niet aan af.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Samenvatting van het middel
- In een derde middel wordt de schending aangevoerd “van art. 589, § 2 van het Decreet Lokaal Bestuur, art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoeker zet in de eerste plaats uiteen dat de bestreden beslissing onwettig is omdat ze steunt op de gemeenteraadsbeslissing van 12 september 2019 tot uitbreiding van het personeelskader met een functie van adviseur lokaal bestuur, welke beslissing op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Meer bepaald verantwoordt de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.599 X-17.618-10/14 gemeenteraad in zijn beslissing van 12 september 2019 niet om welke reden een functie van adviseur lokaal bestuur in het personeelskader moet worden voorzien. Het is “volstrekt onduidelijk”, zo betoogt verzoeker, welk concreet algemeen gemeentelijk belang deze passende functie moet nastreven. Essentieel opdat deze passende functie zou stroken met het algemeen belang, is “dat minstens het nut en de zin van de functie in de gemeente is onderzocht en bij de besluitvorming is betrokken”. Het blijkt niet dat dit gebeurd is. Het is voorts intern strijdig om voor de functie van adviseur lokaal bestuur een relevante beroepservaring van vier jaar (bij aanwerving) of een niveau-anciënniteit in een administratieve of technische graad van niveau B van vier jaar (bij bevordering) te vereisen voor een functie die passend geacht moet worden voor een gewezen financieel beheerder met dertig jaar dienst bij de gemeente. In het dossier zijn voldoende gegevens voorhanden waaruit blijkt dat de gemeente in werkelijkheid verzoeker “tracht te treffen, in gevolge van een aversie ten aanzien van zijn persoon”. Dit is geen wettig motief om een passende functie te “verzinnen” en hem door de bestreden aanstelling “verder op een administratief dood spoor te plaatsen”. Beoordeling
- In het middel, zoals het geadstrueerd is, doet verzoeker wezenlijk gelden dat er geen deugdelijke verantwoording bestaat voor het instellen van de “passende functie” waarin hij aangesteld werd en dat er in werkelijkheid mee beoogd is hem “te treffen” en op een “administratief dood spoor” te zetten.
- Dat verzoeker de passende functie “waarvoor een titel van ‘adviseur lokaal bestuur’ is bedacht” en haar niet hoog aanslaat, mag duidelijk zijn, maar het wekt ook verwondering. Zoals uit stuk 1 van het administratief dossier blijkt, is de verwerende partij, voorafgaand aan de gemeenteraadsbeslissing van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.599 X-17.618-11/14 12 september 2019 en de bestreden beslissing, met hem in gesprek gegaan over wat voor hem de passende functie kon zijn en heeft zij hem om “input” gevraagd. Verzoeker heeft zelf de functiebenaming ‘adviseur lokaal bestuur’ voorgesteld en heeft op 14 mei 2019 twee werkdomeinen geopperd. Een eerste was de intergemeentelijke samenwerking; een tweede betrof “specifieke dossiers debiteurenbeheer”, waaromtrent hij uit een e-mail van 10 mei 2019 al moest begrepen hebben dat dit voor de verwerende partij geen optie was. Uiteindelijk besluit de verwerende partij op 12 september 2019 het personeelskader uit te breiden met de functie van adviseur lokaal bestuur, waarvan de functiebeschrijving op 27 augustus 2019 door de algemeen directeur werd opgesteld. Volgens die functiebeschrijving zijn de hoofdtaken van de adviseur lokaal bestuur: het geven van advies aan de algemeen directeur “over complexe, algemene of specifieke vragen die een hoger niveau van ervaring en analyse vereisen”; het analyseren en adviseren met betrekking tot de zogenaamde intercommunales; de opvolging van de dossiers inzake de samenwerking met de kerkfabrieken. Terecht dan ook brengt de bestreden beslissing in verband met het gepaste karakter van de aan verzoeker toebedeelde functie in herinnering dat “de toekomstige functievervuller zelf aangegeven heeft geïnteresseerd te zijn in onder meer de bovengemeentelijke samenwerkingsverbanden en daar een deel van zijn passende functie in zag”.
- Voorts wordt, met de verwerende partij in de bestreden beslissing, vastgesteld dat de aanstelling van verzoeker – indien niet als adjunct-financieel-directeur – in een passende functie een decretale verplichting is, en dat de adviseur lokaal bestuur rechtstreeks rapporteert en verantwoording aflegt aan de algemeen directeur, wat beklemtoont dat de functie, op die van algemeen directeur na, zich op het hoogste niveau in het organogram bevindt.
- Rekening houdend met het voorgaande valt de Raad van State niet bij dat de uitbreiding van het personeelskader met de functie waarin de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.599 X-17.618-12/14 bestreden beslissing verzoeker aanstelt, onzorgvuldig genomen is en zonder dat er een nood aan, of toereikende verantwoording voor, bestaat. Dat wordt, louter volledigheidshalve, post factum bevestigd door de vaststelling, die de verwerende partij volgens haar eerste laatste memorie recent “in het kader van organisatiebeheersing” deed, van twee lacunes in de huidige organisatie, namelijk met betrekking tot het aansturen van de samenwerking met de intercommunales en van die met de kerkfabrieken. Evident, in dit licht, kan evenmin de grief dat de gemeenteraadsbeslissing van 12 september 2019 tot uitbreiding van het personeelskader zou beogen verzoeker te “treffen” wegens “een aversie ten aanzien van zijn persoon” bijval genieten.
- De grief dat de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden voor de functie van adviseur lokaal bestuur beweerdelijk “niet passend” zouden zijn, is – zelfs indien ze juist zou zijn, wat te betwijfelen valt – hoe dan ook niet van aard dat te ontkrachten. Voor een aanwerving in de functie van financieel beheerder is zelfs geen ervaring vereist.
- Rest, ten slotte, nog verzoekers kritiek in verband met wat hij zegt op het terrein – “in de feiten” – te ervaren, namelijk dat hij in een “administratief isolement” verkeert, zonder overleg met het politieke niveau, sinds 18 maart 2020 zonder rechtstreeks contact met de algemeen directeur, met een bureau in een nagenoeg verlaten OCMW-gebouw, en zelfs zonder vermelding in de telefoonlijst. Het is een kritiek waar de verwerende partij zich in haar eerste laatste memorie met een zeer uitvoerige uiteenzetting, en niet zonder elke overtuigingskracht, tegen verzet. Zij concludeert: “Het beeld dat verzoeker ophangt over zijn beweerd isolement, is dus alleszins niet aan het bestuur toe te schrijven. Zo er al sprake is van een isolement, wordt dat eerder door verzoeker zelf geconstrueerd vanuit de ingesteldheid dat hij de hem toegekende passende functie niet wil opnemen.” X-17.618-13/14 Naar aldus blijkt, geeft de uitvoering van de passende functie waarin de verwerende partij verzoeker aanstelde kennelijk aanleiding tot problemen en ergernis. Dit zou eventueel een bemiddelingstraject kunnen verantwoorden, maar wijst als zodanig nog niet uit dat het instellen zelf van de betrokken functie en de aanstelling erin van verzoeker onwettig zijn en de in het middel aangevoerde rechtsregels schenden.
- Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.618-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.599 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.