id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.619 Rolnummer: A. 240828/XIV-39496 Zaak: Arrest 258619 - Overheidsopdrachten - 26/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-29 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-10 20:29 Fiche Arrest nr 258.619 van 26 januari 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 258.619 van 26 januari 2024 in de zaak A. 240.828/XII-9445 In zake: de BV PRIOR-IT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 december 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 11 december 2023 om de opdracht ‘uitvoering van de follow-up van een wetenschappelijke evaluatie met betrekking tot de implementatie van het concept Medical First Responder’ te gunnen aan KU Leuven RD. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Philtjens, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor de aanneming van diensten met als voorwerp ‘uitvoering van de follow-up van een wetenschappelijke evaluatie met betrekking tot de implementatie van het concept Medical First Responder’. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. Er wordt gekozen voor de openbare procedure. 3.
- In punt 1 van het administratief bestek dat op deze opdracht van toepassing is, wordt het voorwerp van de opdracht beschreven als volgt: “Deze overheidsopdracht gaat over de follow-up van de realisatie van een wetenschappelijke evaluatie van de implementatie van het concept MEDICAL FIRST RESPONDER met het oog op de integratie ervan in de wet van 1964 tot regeling van de dringende geneeskundige hulpverlening in België, met als doel het therapievrij interval te verminderen en zo de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-2/14 doelstellingen na te streven die de federale regering in het Service Level Agreement heeft vastgelegd.” In punt 7 ‘Beschrijving van de te presteren diensten’ wordt de opdracht nader beschreven als volgt: “Context: In België organiseren de wet van 8 juli 1964 en zijn uitvoeringsbesluiten de dringende geneeskundige hulpverlening voor mensen van wie de gezondheidstoestand onmiddellijk niet-planbare zorg vereist. Die hulpverlening wordt georganiseerd via de inzet van een eenvormig oproepstelsel dat drie taken vervult: de eerste zorg ter plaatse, het vervoer naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis en de opname in een ziekenhuisdienst. De eerste schakel in de keten van de dringende geneeskundige hulpverlening is de getuige van een ongeval. Die geeft precieze informatie aan de aangestelde van de 112-centrale. De operatoren van de noodcentrales verzamelen de relevante informatie om gepaste hulp naar de juiste plaats te sturen en verwittigen de nodige hulpdiensten. Vandaag beschouwt de wet van 8 juli 1964 als middelen die aan de dringende geneeskundige hulpverlening meehelpen: de ambulance en de MUG [mobiele urgentiegroep]. […] In deze context wil de FOD Volksgezondheid het concept Medical First Responder onderzoeken met het oog op de integratie ervan in de wet van 1964 tot regeling van de dringende geneeskundige hulpverlening in België, met als doel het therapievrij interval te verminderen en zo de doelstellingen na te streven die de federale regering in het Service Level Agreement (SLA) heeft vastgelegd. In België streeft het SLA, of het overeengekomen minimaal dienstniveau, inzake de dringende geneeskundige hulpverlening ernaar om 90% van de interventies binnen 15 minuten uit te voeren. De Medical First Responder zou een soort ‘buffer’ zijn die naar de patiënt wordt gestuurd in afwachting van de komst van de traditionele middelen van de dringende geneeskundige hulpverlening. Bijzondere kenmerken: De opdracht bestaat erin de inhoud en vorm van een oriëntatienota voor dit type middel te bepalen, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de dringende geneeskundige hulpverlening zoals deze in België wordt georganiseerd. Met het oog op de mogelijke ontwikkeling van een toekomstig Medical First Responder-systeem. Er is reeds een eerste studie verricht om de haalbaarheid van de invoering in België te beoordelen en na te gaan in welke regio’s de geprogrammeerde middelen al dan niet volstonden om het SLA te bereiken. De resultaten daarvan zullen aan de inschrijver worden toegezonden. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-3/14 De studie moet de volgende elementen bevatten: 1) Een formulering van antwoorden op de volgende vragen: in hoeverre zijn burgers bereid en klaar om deel te nemen aan een systeem voor burgerhulpverlening in noodsituaties (MFR) en in hoeverre aanvaarden zij dat een andere burger deel uitmaakt van de inzetbare DGH-middelen. We onderscheiden drie belangrijke fasen: • Welke obstakels ondervinden burgers in een systeem van eerste medische hulp? • Focusgroepen om deze obstakels te begrijpen en te integreren in de communicatiecampagnes rond gezondheid • Experimenteren om de boodschappen gericht aan MFR te testen Voor fase 1 kan de aangewezen onderzoeksgroep een enquête uitvoeren bij burgers om een overzicht te krijgen van de obstakels waarmee ze geconfronteerd worden bij: - het helpen van een persoon in een medische noodsituatie - het volgen van cardiopulmonaire reanimatietraining en - het uitvoeren van reanimatie wanneer ze worden gewaarschuwd door een smartphone-app als onderdeel van een systeem voor eerste hulp. […] 2) Een kosten-batenanalyse van een burgerhulpverleningssysteem in noodsituaties (MFR) bij een oproep naar de 112-centrale met aanwijzingen voor een hartstilstand (BHMR-Protocol ‘P003’), uitgedrukt in ‘gewonnen gezonde levensjaren’ of ‘gewonnen voor kwaliteit gecorrigeerde gezonde levensjaren’ (d.w.z. QALY’s). […].” De “eerste studie” waarvan sprake betreft de overheidsopdracht ‘realisatie van een wetenschappelijke evaluatie van de invoering van het concept Medical First Responder’ dat in 2020 werd gegund aan de KU Leuven (Research & Development). In punt 11.1.2 ‘Kwalitatieve selectie’ worden de volgende selectiecriteria opgenomen: “[…] 11.1.2.
- Selectiecriteria inzake de technische bekwaamheid van de inschrijvers Eerste criterium inzake de technische bekwaamheid van de inschrijvers De inschrijver moet over voldoende en voldoende bekwame technische personeelsleden en organen beschikken om de opdracht naar behoren te kunnen uitvoeren. […] ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-4/14 Tweede criterium inzake de technische bekwaamheid van de inschrijvers De inschrijver moet beschikken over een referentie voor elk van de volgende studies, die werden uitgevoerd tijdens de laatste drie jaren: - Wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening. - Wetenschappelijke studies over de Medical First Responder. De inschrijver voegt als ondersteunend document een referentie toe met de belangrijkste diensten die gedurende de afgelopen drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag (minimum 100.000 euro incl. BTW per referentie) en de datum en de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor ze bestemd waren. De diensten worden aangetoond door attesten die de bevoegde autoriteit heeft afgegeven of medeondertekend of, in geval van diensten voor een particuliere afnemer, door attesten van de afnemer of bij ontstentenis eenvoudigweg door een verklaring van de opdrachtnemer.” Blijkens punt 11.3 ‘Gunningscriteria/gunningscriterium “prijs”’ zijn de volgende gunningscriteria van toepassing: “
- De prijs (50%);
- De uitvoeringstermijn (30%);
- De kwaliteit van de offerte/de voorgestelde methodologie/het plan van aanpak (20%).” 3.
- De verzoekende partij en de KU Leuven (Research & Development) dienen een offerte in. 3.
- Op 11 december 2023 gunt de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu de opdracht aan KU Leuven (Research & Development). De verzoekende partij wordt niet geselecteerd op grond van de volgende motivering: “
- Controle van de afwezigheid van uitsluitingsgronden en het voldoen aan de selectiecriteria […] ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-5/14 De inschrijvers hebben de bewijsstukken meegedeeld, die aantonen dat zij voldoen aan de selectiecriteria, met uitzondering van de volgende inschrijvers, die omwille van de hieronder vermelde redenen niet kunnen worden geselecteerd: Kandidaat PRIOR-IT voldoet niet aan het tweede selectiecriterium van technische bekwaamheid: De inschrijver moet beschikken over een referentie voor elk van de volgende studies, die werden uitgevoerd tijdens de laatste drie jaren: - Wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening. - Wetenschappelijke studies over de Medical First Responder. De inschrijver voegt als ondersteunend document een referentie toe met de belangrijkste diensten die gedurende de afgelopen drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag (minimum 100.000 euro incl. BTW per referentie) en de datum en de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor ze bestemd waren. De jury is van oordeel dat PRIOR-IT over onvoldoende referenties beschikt betreffende de wetenschappelijke studies over de dringende geneeskundige hulpverlening (DGH). De inschrijver heeft ervaring met Medical First Responder, en dus DGH, op basis van de referentie van het EVapp project. Binnen deze opdracht is de ervaring op vlak van DGH enkel beperkt tot hartstilstand. We zijn van oordeel dat [dit] een relevante maar eenzijdige ervaring is m.b.t. de DGH. Daarnaast vermeldt de inschrijver in zijn kandidatuur een overheidsopdracht m.b.t. triagesoftware bij de noodcentrales
- Hun bijdrage tot deze overheidsopdracht beperkt zich enkel tot ontwikkelen van software. De inschrijver heeft in het kader van deze opdracht geen medisch wetenschappelijk onderzoek verricht binnen het domein van de DGH. Tenslotte is er de referentie naar de opdracht voor medische expertise voor B-FAST, die niet voldoet aan de minimumgrens van 100.000 euro incl. BTW.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-6/14 aangevoerd. V. Onderzoek van het enig middel
- De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van artikel 71 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), artikel 65 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), het beginsel patere legem, de materiële motiveringsplicht, het gelijkheids-, het niet-discriminatie- en transparantiebeginsel inzake overheidsopdrachten zoals neergelegd in artikel 4 van de wet overheidsopdrachten 2016, en het eruit voortvloeiende verbod op willekeur, en de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. De verzoekende partij acht deze bepalingen en beginselen geschonden, “Doordat, de bestreden beslissing die zich bedient van strengere voorwaarden, waarbij een niet objectief vastgesteld aantal aan referenties die een niet nader bepaalde graad van ervaring zou aantonen, […] een nadere invulling [betreft] van het minimale niveau dat op voorhand werd vastgesteld in het administratief bestek. Terwijl, artikel 71 Wet Overheidsopdrachten voorschrijft dat vooropgestelde selectiecriteria betrekking kunnen hebben op onder meer de technische en beroepsbekwaamheid (3°), doch dat deze moeten worden beperkt om te garanderen dat een kandidaat over de technische- en beroepsbekwaamheid beschikt om de bewuste opdracht te kunnen uitvoeren. De voorwaarden tot deelname moeten verband houden en in verhouding staan met het voorwerp. Dat overeenkomstig artikel 65, tweede lid van het KB Plaatsing de aanbestedende overheid verplicht is om voorafgaandelijk voor ieder kwalitatief selectiecriterium een gepast niveau te verbinden en voorafgaandelijk ter kennis moet brengen en dit ongeacht de toepasselijke plaatsingsprocedure. Meer in het bijzonder moet de aanbestedende entiteit bij de omschrijving van de kwalitatieve selectiecriteria, het minimale niveau preciseren dat met het oog op selectie gehaald moet worden. Dat bij de beoordeling van het selectiecriterium van een inschrijver rekening moet worden gehouden met de aard van de opdracht en een daadwerkelijk[e] evaluatie mogelijk wordt gemaakt. Dat een selectiecriterium het vermogen moet bevatten om een bepaalde vaardigheid of deskundigheid te meten als maatstaf van beoordeling, en geen pretext mag vormen om een ongebreidelde beoordelingsvrijheid te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-7/14 creëren in hoofde van de aanbestedende dienst aangaande de te weerhouden kandidaten. Dat het beginsel patere legem quam ipse fecisti vereist dat de aanbestedende entiteit het door haar vastgestelde minimale niveau voor het desbetreffende selectiecriterium eerbiedigt. De vooropgestelde regels uit het administratief bestek dienen te worden nageleefd. Bij de beoordeling van de referenties dient de aanbestedende entiteit zich te houden aan de eisen, die zij aan de gevraagde referenties heeft gesteld in de opdrachtdocumenten. Dat op basis van het beginsel van de materiële motiveringsverplichting vereist [is] dat de beslissing gedragen moet worden door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn. De motieven moet kenbaar, feitelijk juist en daadkrachtig zijn. Dat het transparantiebeginsel vereist dat het beoordelingskader bestaande uit de voorwaarden waarop wordt ingeschreven en de criteria ter beoordeling van de offertes in het bestek zodanig dienen te zijn geformuleerd dat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers in staat zijn deze informatie op dezelfde wijze te interpreteren. De aanbestedende dienst dient daarbij de uitgangspunten van het bestek gedurende de gehele procedure op dezelfde wijze uit te leggen, en dient deze contractuele uitgangspunten van de opdrachtdocumenten bij de selectie van de offertes op objectieve en uniforme wijze toe te passen op alle inschrijvers. Zodat de bestreden beslissing die bij de beoordeling van de offerte van verzoekende partij een dusdanige invulling geeft aan het tweede selectiecriterium inzake de technische bekwaamheid van de inschrijvers waardoor een niet beschreven minimaal vereist niveau wordt gehanteerd en dus vereisten van de desbetreffende kwalitatieve selectiecriteria die zijn opgenomen in het administratief bestek worden gewijzigd dan wel aangevuld, de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen en beginselen schendt.” Na de aangevoerde bepalingen en beginselen te hebben toegelicht, stelt de verzoekende partij dat het minimale niveau van het selectiecriterium van de technische bekwaamheid van de inschrijvers te dezen wordt bepaald, enerzijds door het minimum aantal voor te leggen referenties, zijnde één referentie, om de ervaring en technische bekwaamheid van de inschrijver aan te tonen in de beide studies, uitgevoerd in de laatste drie jaren, en anderzijds door de waarde van de voor te leggen referenties (100.000 euro, btw inbegrepen). Er worden geen andere vereisten of invulling gegeven om het minimale niveau van het criterium nader te bepalen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-8/14 De gemotiveerde gunningsbeslissing doet volgens haar afbreuk aan de vooropstelling van het bestek “waarbij één referentie die de ervaring in beide domeinen vereist als voldoende en als selectiecriterium zelf wordt beschouwd”. Hieraan kan bij de beoordeling van het ondersteunend bewijsmateriaal niet worden afgeweken van het criterium zelf, zijnde een referentie “die de gewenste wetenschappelijke studies combineerde, en die werd uitgevoerd in de laatste drie jaren”. De gemotiveerde gunningsbeslissing bedient zich van strengere voorwaarden waarbij plots een niet objectief vastgesteld aantal aan referenties dient voor te liggen. Dit is dan ook manifest onwettig. De verzoekende partij stelt voorts vast dat de selectiecriteria de aard en het voorwerp van de referenties kunnen bepalen, doch deze uiteraard voorafgaandelijk moeten zijn opgenomen in het administratief bestek opdat de eisen voldoende transparant worden gesteld ten aanzien van alle inschrijvers. In tegenstelling tot dit principe bedient de gemotiveerde gunningsbeslissing zich van strengere voorwaarden doordat plots een niet objectief vastgestelde en niet nader bepaalde graad van ervaring moet worden aangetoond voor de wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening (DGH). De verwerende partij erkent namelijk dat zij ervaring heeft “met Medical First Responder, en dus DGH”, maar stelt vervolgens dat de ervaring onder de dringende geneeskundige hulpverlening te beperkt is daar deze zich enkel toespitst op hartstilstand. Dergelijk prestatieniveau werd niet vastgesteld in het bestek, en zou ook niet voldoen aan de vereiste graad van transparantie en éénduidigheid (objectiviteit) die de regelgeving vereist. Ten slotte zijn de motieven van de bestreden beslissing volgens de verzoekende partij feitelijk niet juist, noch draagkrachtig. De invulling die de verwerende partij geeft aan het selectiecriterium is in strijd met de verplichting dat een selectiecriterium pertinent moet zijn en verband moet houden met het voorwerp van de te gunnen opdracht, overeenkomstig artikel 71, tweede lid, van de wet overheidsopdrachten
- Enkel afdoende eisen mogen worden gesteld en geen vereisten die in wanverhouding staan tot het voorwerp van de moeilijkheidsgraad van de opdracht. Door te oordelen dat de ervaring van de verzoekende partij te eenzijdig is, schendt de verwerende partij haar materiële ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-9/14 motiveringsverplichting. Het voorwerp van de overheidsopdracht is namelijk in concreto gericht op de implementatie van een systeem van Medical First Responder. De opdracht vereist, onder punt 7 ‘Beschrijving van de te presteren diensten’ van het bestek, dat een “kosten-batenanalyse van een burgerhulpverleningssysteem in noodsituaties (MFR) bij een oproep naar de 112-centrale met aanwijzingen voor een hartstilstand” wordt gemaakt. Door te oordelen dat de voorgelegde referentie in het kader van DGH te eenzijdig is, vermits deze enkel betrekking heeft op hartstilstand, is de aanbestedende overheid haar beoordelingsbevoegdheid te buiten gegaan. Het voorwerp van de voorliggende opdracht is in concreto gesitueerd binnen een specifiek deeldomein van DGH, namelijk hartstilstand.
- De verwerende partij antwoordt in de nota dat het criterium inzake de technische bekwaamheid van de inschrijvers vereist dat twee referenties worden voorgelegd, namelijk een referentie voor de tijdens de laatste drie jaren uitgevoerde wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening en een referentie voor de tijdens de laatste drie jaren uitgevoerde studies over de Medical First Responder. Om aan te tonen dat zij voldoet aan dit selectiecriterium beroept de verzoekende partij zich in haar offerte op een proefproject inzake burgerhulpverlening dat zij samen met de vzw EVapp heeft opgezet. Dit betreft dus slechts één referentie, terwijl in het bestek wordt gevraagd om twee referenties voor te leggen, namelijk één voor elk van beide wetenschappelijke studies. De overige door de verzoekende partij ingeroepen referenties zijn niet relevant, wat zij niet betwist. Aangezien de verzoekende partij het gevraagde aantal referenties niet voorlegt, werd zij dus terecht niet geselecteerd. Bovendien werd de voorgelegde referentie door de verwerende partij beoordeeld als zijnde een te eenzijdige ervaring om in aanmerking te komen als nuttige referentie voor de uitgevoerde wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-10/14 Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 65 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 worden de selectiecriteria alsook de aanvaardbare bewijsmiddelen door de aanbestedende overheid vermeld in de aankondiging van de opdracht of in de opdrachtdocumenten. De aanbestedende overheid is verplicht om elk kwalitatief selectiecriterium te verbinden aan een gepast niveau. Elk criterium moet geformuleerd worden op een voldoende duidelijke wijze teneinde de selectie van de kandidaten of van de inschrijvers toe te laten. Overeenkomstig artikel 68, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit kan de aanbestedende overheid met betrekking tot de technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid voorwaarden opleggen opdat ondernemers over de noodzakelijke personele en technische middelen en ervaring beschikken om de opdracht volgens een passend kwaliteitsniveau uit te voeren. Zij kan met name eisen dat de ondernemers een voldoende mate van ervaring hebben die kan worden aangetoond met geschikte referenties inzake in het verleden uitgevoerde opdrachten. Het komt in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid toe om de voorgelegde referenties te beoordelen op de overeenstemming met het gevraagde. Het beginsel patere legem quam ipse fecisti verplicht het bestuur de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. Daaruit vloeit voort dat de aanbestedende overheid bij de beoordeling van offertes gebonden is door de regels die hieromtrent in het bestek zijn vastgesteld.
- Zoals weergegeven sub 3.2, moet luidens het bestek de inschrijver beschikken “over een referentie voor elk van de volgende studies, die werden uitgevoerd tijdens de laatste drie jaren: - Wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening. - Wetenschappelijke studies over de Medical First Responder.” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-11/14 Uit deze omschrijving kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid, zoals de verwerende partij thans doet in haar nota, dat “er twee referenties […], namelijk één voor elk van beide wetenschappelijke studies” moeten worden voorgelegd. Minstens lijkt met de verzoekende partij op het eerste gezicht te moeten worden vastgesteld dat deze bestekbepaling onduidelijk is, en in de bestreden beslissing lijkt te worden aangenomen dat één referentie voor de beide studies kan volstaan, op voorwaarde dat die nuttig kan worden ingeroepen zowel voor de wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening als voor de wetenschappelijke studies over de Medical First Responder.
- Uit de offerte van de verzoekende partij blijkt dat zij in totaal vier referenties heeft voorgelegd. Dat twee daarvan, namelijk de opdracht met betrekking tot de “triagesoftware 112-noodcentrales” en de opdracht voor medische expertise voor B-Fast, niet voldoen, betwist de verzoekende partij niet. Daarnaast legt de verzoekende partij twee andere referenties voor, namelijk “Proefproject EVapp Hoogstraten”, in opdracht van de FOD Volksgezondheid, Nationale Raad voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening, en “Wetenschappelijke onderzoekslijn burgerhulpverlening”, in opdracht van de vzw EVapp. In de bestreden beslissing lijkt de verwerende partij deze twee referenties als één referentie te beschouwen, waar wordt verwezen naar “de referentie van het EVapp project”. De verzoekende partij stelt op het eerste gezicht terecht dat het motief in de bestreden beslissing, dat deze referentie weliswaar relevant maar onvoldoende is want “enkel beperkt tot hartstilstand”, niet deugdelijk is. Het bestek lijkt immers geen vereisten op te leggen aangaande de deeldomeinen die de wetenschappelijke studie over dringende geneeskundige hulpverlening dient te bevatten. De verzoekende partij lijkt daarbij bovendien op het eerste gezicht terecht te wijzen op het voorwerp van de opdracht dat, blijkens punt 7 van het bestek, in concreto is gericht op de haalbaarheid van een Medical-First-Respondersysteem “bij een oproep naar de 112-centrale met ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-12/14 aanwijzingen voor een hartstilstand”, en aldus is gesitueerd binnen dit specifiek deeldomein van dringende medische hulpverlening. Door het betrokken selectiecriterium zo in te vullen dat de ervaring een bepaald niveau moet bereiken, heeft de verwerende partij op het eerste gezicht in strijd met haar eigen bestek gehandeld en zodoende het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden.
- Het enig middel is ernstig. VI. Besluit en kosten
- Het enig middel is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook ingewilligd.
- Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 11 december 2023 om de opdracht voor de uitvoering van de follow-up van een wetenschappelijke evaluatie met betrekking tot de implementatie van het concept Medical First Responder te gunnen aan KU Leuven RD. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Patricia De Somere ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.619 XII-9445-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.619 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.654 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div