id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.621 Rolnummer: A. 238982/XIV-39190 Zaak: Arrest 258621 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 29/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-07 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-06-10 20:34 Fiche Arrest nr 258.621 van 29 januari 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.621 no lien 275337 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.621 van 29 januari 2024 in de zaak A. 238.982/XIV-39.190 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Coulier kantoor houdende te 8620 Nieuwpoort Oostendestraat 11-20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN NIEUWPOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stéphanie Taelemans kantoor houdende te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 april 2023, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 21 februari 2023 van het Vast Bureau van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn waarbij de verblijfsovereenkomst met verzoeker wordt opgezegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-39.190-1/8 Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari
- Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sebastiaan De Heule, die loco advocaat Alain Coulier verschijnt voor verzoeker, en advocaat Jory Brabants, die loco advocaat Stéphanie Taelemans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.1 Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn treedt op als initiatiefnemer-beheersinstantie van het woonzorgcentrum. In die hoedanigheid is zij overeenkomstig artikel 1, 4°, van het decreet van 15 februari 2019 ‘betreffende de woonzorg’ (hierna: het decreet van 15 februari 2019) verantwoordelijk voor de uitbating en het beheer van het woonzorgcentrum. XIV-39.190-2/8 3.
- Verzoeker is gebruiker van het woonzorgcentrum en verblijft er sinds juli
- Hij ondertekent bij aanvang van zijn verblijf het met de verwerende partij gesloten verblijfscontract met daarin opgenomen een interne afsprakennota, inclusief de aldaar vermelde opzegmogelijkheden. 3.
- Bij schrijven van 1 februari 2023 maakt de verwerende partij aan verzoeker haar voornemen kenbaar om op grond van artikel 5 van de verblijfsovereenkomst en van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019 ‘betreffende de programmatie en erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019) gebruik te maken van de opzegmogelijkheid. Er wordt in aangegeven dat de feiten die aan de grondslag van het voornemen tot opzegging van de verblijfovereenkomst liggen betrekking hebben op belagend en dienstverstorend gedrag van verzoekers dochter en mantelzorger. Verzoeker en zijn dochter worden uitgenodigd op een hoorzitting van 21 februari
- 3.
- Op deze hoorzitting legt verzoekers raadsman een nota neer. Verzoekers dochter is niet aanwezig noch vertegenwoordigd. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. 3.
- Diezelfde dag beslist de verwerende partij de verblijfsovereenkomst op te zeggen. Melding wordt gemaakt dat de overeenkomst een einde neemt na het verstrijken van een opzeggingstermijn van zestig dagen. XIV-39.190-3/8 Tevens wordt verwezen naar artikel 14 van bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse regering van 28 juni 2019, waarin wordt bepaald dat in onderling overleg waar nodig gezorgd wordt voor toeleiding van de bewoner naar een passend verblijf en dat voor zover als nodig de opzegtermijn wordt verlengd tot een passend verblijf is gevonden. Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing korte debattenprocedure Ambtshalve exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie
- Het auditoraat werpt in zijn verslag ambtshalve op dat de Raad van State zonder rechtsmacht is op grond van de volgende overwegingen: “
- Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet behoren geschillen over subjectieve rechten uitsluitend of in beginsel tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Onder voorbehoud van een toewijzing van rechtsmacht inzake politieke rechten is de Raad van State niet bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Als de bestreden beslissing kadert in de contractuele rechtsverhouding die ten gevolge van een overeenkomst tussen de verzoekende partij en de verwerende partij is ontstaan, is de Raad van State zonder rechtsmacht om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring. De Raad van State mist de bevoegdheid hetzij om contractuele bepalingen te interpreteren, hetzij om de geldigheid of schending ervan te beoordelen. Voornoemde onbevoegdheid dient te worden genuanceerd op basis van de theorie van de afsplitsbare rechtshandeling. Die theorie heeft betrekking op de eenzijdige rechtshandelingen die aan een overeenkomst voorafgaan of daarop volgen en die van de overeenkomst kunnen worden afgesplitst. Het feit dat er in het dossier een contractuele component voorhanden is, leidt er niet toe dat de bevoegdheid ratione materiae van de Raad van State ten aanzien van die rechtshandelingen uitgesloten is. De theorie van de afsplitsbare rechtshandeling heeft voornamelijk betrekking op de rechtshandelingen in verband met de totstandkoming van een overeenkomst. Eenmaal de overeenkomst is gesloten, zullen geschillen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.621 XIV-39.190-4/8 omtrent de uitvoering, interpretatie, beëindiging en ontbinding van die overeenkomst door de justitiële rechter moeten worden beslecht.
- De verwerende partij is een erkende woonzorgvoorziening in de zin artikel 1, 4° van het decreet van 15 februari 2019 betreffende de woonzorg verantwoordelijk voor de uitbating en het beheer van het woonzorgcentrum. Voornoemd decreet bepaalt in artikel 38, 6°, dat de Vlaamse Regering voor de erkenning aanvullende voorwaarden kan opleggen onder meer met betrekking tot de wederzijdse rechten en plichten van woonzorgvoorziening en gebruikers. Artikel 12 en artikel 13 van bijlage 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers bepalen dat er een opnameovereenkomst en afsprakennota moet worden afgesloten alsook welke voorwaarden deze documenten minstens moeten bevatten. Artikel 14 van voornoemde bijlage legt met betrekking tot het ontslag van de opname volgende voorwaarde op: ‘De initiatiefnemer ontslaat een bewoner niet tenzij wegens overmacht of om redenen en volgens de procedure, vermeld in de schriftelijke opnameovereenkomst. Als de initiatiefnemer een bewoner ontslaat omdat zijn gedragingen ernstig storend zijn voor de medebewoners of voor de werking van het woonzorgcentrum, of omdat zijn gezondheidstoestand van dien aard is, dat een overplaatsing naar een meer passende voorziening noodzakelijk is, wordt altijd het oordeel ingewonnen van de behandelende arts, van de coördinerend en raadgevend arts, en van het interdisciplinaire team dat die bewoner verzorgt. Als dat wenselijk is, kan ook externe experten om advies worden verzocht. De initiatiefnemer zorgt in overleg met de gebruiker, zijn vertegenwoordiger of mantelzorger voor de toeleiding van de gebruiker naar een passend verblijf en verlengt de opzeggingstermijn tot er een passend verblijf is gevonden.’
- Het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het geschil betreft de vraag of de verwerende partij de opnameovereenkomst inzake de huisvesting, voeding en verzorging van verzoeker mocht opzeggen overeenkomstig de overeenkomst, en of die overeenkomst wel in overeenstemming met bijlage 11 van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 [is]. Het betreft de interpretatie en rechtsgeldigheid van een overeenkomst. De rechtsmacht om kennis te nemen van een dergelijk geschil komt toe aan de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde. Ambtshalve moet worden vastgesteld dat de Raad van State niet over de vereiste rechtsmacht beschikt.” XIV-39.190-5/8 Beoordeling
- Wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld - en zulks des te meer wanneer dit zoals te dezen gebeurt in het beredeneerd verslag dat over de zaak is opgesteld door het daartoe aangestelde lid van het auditoraat - dan moet die partij daarover een standpunt innemen en de nodige verduidelijkingen bijbrengen. Ter terechtzitting, dit is bij de eerste procedurele gelegenheid die zich voor verzoeker in het kader van de toegepaste procedure van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) daarvoor aanbood, heeft hij niets daartegen ingebracht. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat de Raad van State zonder rechtsmacht is. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. V. Toepassing korte debattenprocedure - Vordering tot schorsing
- De zaak kan met korte debatten een oplossing krijgen zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het algemeen procedurereglement. Er is bijgevolg geen grond meer om uitspraak te doen over de vordering tot schorsing. XIV-39.190-6/8 VI. Kosten
- Bij de kennisgeving van de bestreden beslissing is verzoeker ten onrechte medegedeeld dat hij bij de Raad van State in beroep kon komen. Het past daarom de kosten van het geding ten laste te leggen van de verwerende partij. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-39.190-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig januari tweeduizend vierentwintig, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Chantal Bamps, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.190-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.