← België

Arrest 258622 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/01/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.622 Rolnummer: A. 240240/XIV-39310 Zaak: Arrest 258622 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-07 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-06-10 20:34 Fiche Arrest nr 258.622 van 29 januari 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIV KAMER nr. 258.622 van 29 januari 2024 in de zaak A. 240.240/XIV-39.310 In zake :

  1. de VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS HEUVELDAL
  2. de BV R.V.B. TEXTILES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Carette en Jennifer Callebaut kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door :
  3. de STAATSSECRETARIS VOOR ASIEL EN MIGRATIE
  4. het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG ASIELZOEKERS (FEDASIL) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Mosselmans, Stef Feyen en Mathijs Van Haver kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 9 oktober 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “- De beslissing van de ministerraad van de Belgische Staat d.d. 20 juli 2023, waarbij de minister[raad] op voorstel van staatssecretaris voor Asiel en Migratie […] instemt met de financiering van medische plaatsen in [G.] voor de meest kwetsbare aanvragers van internationale bescherming, waarbij er het volgende wordt gesteld: ‘Het nieuw te openen centrum in [G.] zou een capaciteit hebben van 100 personen. Het voormalige rusthuis is geschikt voor de oprichting van een medisch opvangcentrum met een correct begeleidingskader.’ zoals bekendgemaakt op de website van ‘news.belgium.be’ ([...]) […]; - De beslissing van onbekende datum van de ministerraad tot goedkeuring om het gebouw […] aan te wenden als opvangcentrum en te openen […]; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-1/12 - De beslissing van onbekende datum van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie […] om het gebouw […] aan te wenden als opvangcentrum en te openen […]; - De beslissing van onbekende datum genomen binnen [de tweede verwerende partij] om het gebouw […] aan te wenden als opvangcentrum en te openen […]”. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari
  7. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaten Eva Bruyninx en Alexander Verschave, die loco advocaten Nicolas Carette en Jennifer Callebaut verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Mathijs Van Haver die loco advocaten, Jens Mosselmans, Stef Feyen en Mathijs Van Haver verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-2/12 III. Feiten 3.
  9. Het directiecomité van de tweede verwerende partij neemt op 14 maart 2023 de volgende beslissing met betrekking tot de medische opvangplaatsen in regio Noord: “Met betrekking tot de medische opvangplaatsen in regio Noord: Het directiecomité: J. Is akkoord om het gebouw [O. A.] in [G.], mits positief advies van IF, integraal als medisch centrum in te richten. K. Gaat akkoord om alle 46 kamers als medisch te labelen, waarbij één medisch profiel per kamer wordt toegewezen, samen met hetzij familieleden hetzij één generieke bewoner. De totale capaciteit wordt beraamd op 100 plaatsen. L. Geeft opdracht aan de dienst medisch beheer en de HR dienst om een voorstel te doen voor het personeelskader. M. Is akkoord met een financiering van het medisch doelgroepentarief van 2023 (niet high care) voor 46 personen in het opvangcentrum van [G.]. N. Gaat akkoord om 38 ongeschikte medische plaatsen in regio Noord om te vormen tot generieke plaatsen. O. Geeft toestemming aan de medische dienst van regio Noord en de coördinatie cel om indien [G.] niet als medisch centrum kan fungeren, op zoek te blijven naar een ander centrum of een vleugel binnen een opvangcentrum zodat er voldoende medische plaatsen in het collectieve opvangnetwerk van regio Noord aanwezig zijn.” Dit betreft de vierde bestreden beslissing. 3.
  10. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie stelt op 20 juli 2023 aan de ministerraad voor dat wordt ingestemd met de financiering van medische plaatsen in de opvanglocatie G. tegen het doelgroepentarief (en niet het generieke tarief). De ministerraad keurt het voorstel dezelfde dag goed. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  11. Naar aanleiding van persberichten uit de syndicus van de hoofdvereniging van mede-eigenaars bij brief van 20 juni 2023 bezwaren tegen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-3/12 het voornemen om gebouw Blok V, dat deel uitmaakt van de appartementsmede- eigendom van de residentie, te verhuren aan de tweede verwerende partij. 3.
  12. Op 25 juli 2023 ondertekent de tweede verwerende partij een huurovereenkomst betreffende de voornoemde locatie, die ingaat op het moment van de ondertekening. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  13. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partijen opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partijen
  15. De verzoekende partijen voeren in het verzoekschrift aan dat volgens de rechtspraak van de Raad van State, een zaak spoedeisend is en vatbaar voor beoordeling in kortgeding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt en dat bijgevolg het kortgeding mag worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne kan worden opgelost. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-4/12 De verzoekende partijen benadrukken vooreerst dat in het voorliggende geval er wel degelijk sprake is niet alleen van vrees voor schade van enig belang, maar er tevens sprake is van vrees voor ernstige nadelen, onder meer voor wat betreft de leefomstandigheden van de asielzoekers die in het gebouw zouden worden opgevangen, nu uit het krantenartikel van 20 april 2023 de wens blijkt om 100 personen onder te brengen in het gebouw, wat zich, volgens de verzoekende partijen, zou voltrekken vanaf 6 november
  16. De verzoekende partijen wijzen er vervolgens op dat het gebouw zelf maar over 30 kamers beschikt en uiterst ongeschikt is voor de huisvesting van 100 personen, temeer er ernstige vragen rijzen naar de brandveiligheid toe, waardoor niet enkel het risico ontstaat dat er gemeenschappelijke delen in het gedrang komen, maar tevens ook het risico ontstaat dat de veiligheid van zowel de personen die zouden worden gehuisvest in het gebouw, alsook van de in de naburige gebouwen van het complex residerende omwonenden precair wordt. Dienaangaande wordt door de verzoekende partijen opgemerkt dat de verzekering van het gebouw momenteel geen dergelijk gebruik voor Blok V toestaat en dat indien er een ongeval zou gebeuren, er een reëel risico bestaat dat de verzekering geen enkele dekking zal verlenen. Het verzekeringscontract werd volgens de verzoekende partijen specifiek opgemaakt op maat van de residentie en de toegelaten activiteiten die er zouden in worden ondergebracht. Tevens wordt in dit contract expliciet verwezen naar een preventieplan zoals dit werd neergelegd op 13 februari 2017, dat integraal deel uitmaakt van het contract en dat bij niet naleving tot gevolg heeft dat bij een ongeval er een verval van dekking kan worden uitgesproken. De gevolgen zijn op dat punt tevens onomkeerbaar en dit dreigt ook de aansprakelijkheid van eerste verzoekende partij in het gedrang te brengen. Tot slot laten de verzoekende partijen nog gelden dat het gebruik van het gebouw manifest in strijd is met de gangbare orde en rust die er momenteel binnen het gebouwencomplex heerst en die krachtens de statuten moeten worden nageleefd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-5/12 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-6/12 Beoordeling
  17. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-7/12 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-8/12
  18. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is ertoe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zou ondergaan indien het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Eventueel ter terechtzitting nieuw aangehaalde argumenten kunnen niet in aanmerking worden genomen, aangezien alleen de in het verzoekschrift aangebrachte gegevens de overige partijen toelaten zich daartegen op de geëigende wijze – in hun geschreven procedurestukken – te verweren en het voorwerp kunnen uitmaken van het onderzoek door het auditoraat.
  19. In zoverre de verzoekende partijen verwijzen naar de “vrees voor schade van enig belang” en de “vrees voor ernstige nadelen”, volstaat de vaststelling dat de beduchtheid die bestaat bij de verzoekende partijen op zich niet volstaat om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden, nu zij met het poneren van deze loutere bewering, verzuimen om aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uiteen te zetten in welke mate zij onherroepelijke schadelijke gevolgen zouden ondergaan indien zij het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zouden moeten afwachten. Evenmin kunnen de nadelen voor de verzoekers in internationale bescherming wat hun leefomstandigheden betreft nuttig ter adstructie van de spoedeisendheid worden aangevoerd, nu de spoedeisendheid in hoofde van de verzoekende partijen moet bestaan. Gevolgen voor derden, zoals in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-9/12 casu in hoofde van de verzoekers in internationale bescherming, kunnen de spoedeisendheid bijgevolg niet aantonen, nu zulks immers niet aantoont dat de verzoekende partijen door dit vermeende nadeel, zich persoonlijk in een toestand bevinden “met onherroepelijke schadelijke gevolgen”. In zoverre de verzoekende partijen vervolgens laten gelden dat het gebouw maar over 30 kamers beschikt en uiterst ongeschikt is voor de huisvesting van 100 personen en er ernstige vragen rijzen naar de brandveiligheid toe, met een risico zowel voor de gemeenschappelijke delen, alsook voor de veiligheid van de personen die zouden worden gehuisvest in het gebouw en voor de omwonenden van het complex, volstaat de vaststelling dat deze argumenten evenmin aantonen dat de verzoekende partijen zich daardoor in een toestand zouden bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, nu enerzijds niet wordt aannemelijk gemaakt dat op het ogenblik van de ingebruikname van het gebouw het niet geschikt zou zijn gemaakt voor de opvang van het vooropgestelde aantal personen en anderzijds de ernstige vragen naar de brandveiligheid en de daaruit volgens de verzoekende partijen voortvloeiende vermeende risico’s niet verder reiken dan louter hypothetische veronderstellingen. In zoverre de verzoekende partijen daarnaast aanvoeren dat een reëel risico bestaat dat de brandverzekeraar geen dekking zal verlenen bij een gebruik van het gebouw als opvangcentrum en ter ondersteuning van hun betoog refereren aan het preventieplan dat integraal deel uitmaakt van de brandverzekering, volstaat andermaal de vaststelling dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift nalaten om dit argument te concretiseren, nu zij verzuimen aan te tonen welke specifieke elementen van het preventieplan dermate in het gedrang zouden komen door over te gaan tot de opvang van de verzoekers in internationale bescherming in het gebouw en hierdoor de brandverzekeraar niet langer zou tussenkomen bij een schadegeval dat valt onder de polisvoorwaarden, zodat wat dit aspect van het aangevoerde betoog betreft, evenmin door de verzoekende partijen wordt aangetoond dat zij zich door dit aangevoerde nadeel, persoonlijk in een toestand bevinden “met onherroepelijke schadelijke gevolgen” ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-10/12 In zoverre de verzoekende partijen tot slot nog laten gelden dat het gebruik van het gebouw manifest in strijd is met de gangbare orde en rust die er momenteel binnen het gebouwencomplex heerst en die krachtens de statuten moeten worden nageleefd, leggen zij evenmin enig begin van bewijs voor dat die orde en rust zou worden verstoord door de integratie van een medisch opvangcentrum in het gebouw, temeer nu er gelet op de aard van het opvangcentrum, niet door de verzoekende partijen wordt aangetoond, hoe het gebruik ervan de orde en rust in het complex zou kunnen belemmeren.
  20. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partijen niet aantonen dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  21. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.622 39.310-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.622 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.698 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.