id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.650 Rolnummer: A. 233807/IX-9900 Zaak: Arrest 258650 - O.C.M.W. - 31/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-08 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-10 20:43 Fiche Arrest nr 258.650 van 31 januari 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.650 no lien 275360 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.650 van 31 januari 2024 in de zaak A. é.807/IX-9900 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gent van 1 april 2021 waarbij XXXX bij ordemaatregel met onmiddellijke ingang wordt overgeplaatst van de dienst Betaalbureau naar de dienst Scanning onder de dienst Bestuursondersteuning van het departement Bedrijfsvoering. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 255.108 van 25 november 2022 is het debat heropend. IX-9900-1/16 Eerste auditeur Iris Verheven heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mattijs Vanmarcke, die loco advocaat Alexander De Becker verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Wouter Rubens, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Voor een uiteenzetting van de feiten mag worden verwezen naar arrest nr. 255.108 van 25 november 2022 (hierna: het tussenarrest). IX-9900-2/16 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel
- In het tussenarrest is het eerste middel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), “in het bijzonder van artikel 3 ervan – niet geschraagd door het dossier, in samenlezing met het redelijkheidsbeginsel”. Verzoekster voert aan dat overeenkomstig artikel 3 van de formelemotiveringswet elke bestuurshandeling ten aanzien van een bestuurde gemotiveerd moet zijn met motieven die geschraagd worden door het dossier. Opdat de ordemaatregel op 1 april 2021 met recht en reden gemotiveerd kan worden, moeten er stukken in het dossier worden opgenomen die toelaten om de motivering te ondersteunen. Deze stukken moeten toelaten om na te gaan of de motivering die aangehaald wordt, overeenstemt met hetgeen in het dossier tot uiting komt. Geen enkel stuk laat toe om aan te geven dat verzoekster de voorbije drie jaar enig ongepast gedrag of enige ongepaste ingesteldheid zou hebben vertoond. Aangezien de motivering expliciet stelt dat de evaluatie van 29 januari 2018 de basis vormt, zijn er geen stukken in het dossier uit de laatste drie jaar waarop de ordemaatregel wordt geënt. Intussen is er gedurende drie jaar geen opmerking op de ingesteldheid en het gedrag van verzoekster gekomen. Er worden geen stukken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.650 IX-9900-3/16 aangevoerd om dit te staven. Alles dateert van een ongunstige evaluatie van méér dan drie jaar geleden, waarbij een maatregel wordt opgelegd die niet meer steunt op enig document dat redelijkerwijze op 1 april 2021 nog in aanmerking kon worden genomen. Er blijkt uit geen document dat het gedrag of de ingesteldheid van verzoekster ongepast zou zijn om de betrokken functie uit te oefenen. Zij wordt evenmin niet competent geacht om zulks te doen, zoals expliciet staat te lezen in de motivering.
- In haar aanvullende laatste memorie blijft verzoekster bij haar standpunt dat wanneer de verwerende partij een nieuwe maatregel wilde nemen op 2 april 2021 die verband houdt met het gedrag en de werking van verzoekster, dit alleen kan als deze beslissing gelinkt is aan de situatie op het ogenblik van de beslissing, niet die van drie jaar eerder. Beoordeling
- Artikel 3 van de formelemotiveringswet luidt: “De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.” Dit artikel 3 legt aan de verwerende partij de verplichting op om in een beslissing als de hier bestredene de juridische en de feitelijke overwegingen op te nemen die aan het besluit ten grondslag liggen. Dat die vermeldingen luidens hetzelfde artikel “afdoende” moeten zijn, betekent dat ze als zodanig – dit wil zeggen los van de gegevens van het dossier – een deugdelijke grondslag vormen voor de beslissing. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. IX-9900-4/16
- In de mate dat verzoekster zou eisen dat de in de bestreden beslissing veruitwendigde motieven ook steun vinden in het administratief dossier – met andere woorden: daarin hun rechtens vereiste feitelijke grondslag vinden – verwart zij de formelemotiveringsplicht met de materiëlemotiveringsplicht. Uit de sub 3.10 in het tussenarrest aangehaalde motivering blijkt dat de bestreden overplaatsing uitvoerig gemotiveerd is; motieven die verzoekster overigens met huidig beroep aan haar wettigheidskritiek heeft onderworpen.
- Voorts volgt uit de beoordeling van het eerste middel in het tussenarrest dat “het niet onzorgvuldig of onredelijk [kan] worden genoemd dat de verwerende partij de oorspronkelijke beslissing herneemt op grond van de toen gekende gegevens”. Hieruit volgt dat verzoekster, ook voor het tweede middel, vertrekt van een verkeerd uitgangspunt. Overigens toont verzoekster in het tweede middel niet aan, net zomin als zij het deed in het eerste middel, “dat uit haar actuele functioneren op de dienst Scanning kan worden afgeleid dat haar gedrag en ingesteldheid inmiddels zodanig zijn geëvolueerd dat de eigenheden en specifieke vereisten van de werkzaamheden in het Betaalbureau Leefloon thans voor haar geen beletsel meer zouden vormen voor het behoud van een tewerkstelling in dat bureau” (tussenarrest sub 8). Zij vraagt – in de memorie van wederantwoord – enkel dat haar de “kans [wordt] gegeven” om te voldoen aan de vereisten om er te werken en noemt de stelling dat haar huidige functie “minder moeilijk” is “niet ter zake”.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-9900-5/16 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van deel 2, titel 2, hoofdstuk 4, afdeling 6, ‘Tucht’ van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (“decreet lokaal bestuur”), “in het bijzonder van de artikelen 199, 200, 207 – al dan niet in samenlezing met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel – verkapte tuchtstraf”. Verzoekster legt uit dat de ordemaatregel steunt op haar gedrag en ingesteldheid. Artikel 199 van het decreet lokaal bestuur bepaalt dat elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, alsook een overtreding van de rechtspositieregeling, een tuchtvergrijp is en aanleiding kan geven tot een tuchtstraf. Als “het gedrag en de ingesteldheid” van verzoekster dermate waren dat zij de werking van een dienst beïnvloedde, had een tuchtmaatregel opgelegd kunnen worden. Het is duidelijk, gelet op de motivering van de bestreden beslissing, dat het de handelingen en de ingesteldheid zijn van verzoekster die tot deze ordemaatregel aanleiding hebben gegeven en die expliciet als verwijtbaar gedrag worden beschouwd. De verwerende partij beoogt dus aan verzoekster een straf op te leggen, hetgeen de motivering ook expliciet stelt. Een aantal citaten maken dit duidelijk. Een laakbaar gedrag wordt verzoekster verweten doch, in plaats van een tuchtprocedure op te starten waarbij de rechten van verdediging een verderstrekkende impact hebben dan bij het opleggen van een ordemaatregel, verkiest de verwerende partij het om drie jaar na datum een ordemaatregel van overplaatsing op te leggen. IX-9900-6/16 De verwerende partij beseft dat zij voor feiten die méér dan drie jaar gekend zijn, niet langer een tuchtprocedure kan opstarten. Dat is in strijd met artikel 207 van het decreet lokaal bestuur dat oplegt dat een tuchtvordering binnen zes maanden na de kennisname van de feiten moet worden opgestart. Aangezien de tuchtstraf ‘overplaatsing’ niet meer kon worden opgelegd en om toch de slag thuis te halen en te voorkomen dat verzoekster haar oorspronkelijke functie terug zou kunnen uitoefenen, heeft de verwerende partij aan verzoekster een verkapte tuchtstraf opgelegd. Waar evaluatie en tucht raakvlakken kunnen hebben, is het hier volgens verzoekster overduidelijk dat het de enkele en loutere intentie was om haar gedrag en ingesteldheid te bestraffen. Zij mag niet terugkeren naar haar oorspronkelijke dienst omdat haar gedrag en ingesteldheid dat niet zouden toelaten. Beoordeling
- Ook een ordemaatregel – zoals in casu de overplaatsing in het belang van de dienst – mag steunen op het storende gedrag van het betrokken personeelslid. De stelling dat het loutere gegeven dat een storende gedraging in voorkomend geval het voorwerp kán zijn van een tuchtrechtelijk optreden, ipso facto uitsluit dat die verstoring van de dienst verholpen wordt met een ordemaatregel, faalt naar recht.
- Een ordemaatregel mag echter geen verkapte tuchtmaatregel zijn. Essentieel is dat een ordemaatregel, in tegenstelling tot een tuchtmaatregel, niet steunt op het bestraffen van een schuldig gedrag, maar wel betrekking heeft op het herstellen van de goede werking van de dienst. Het valt daarbij aan een verzoekende partij toe om het voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat aan een maatregel die als een ordemaatregel wordt gekwalificeerd een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.650 IX-9900-7/16 disciplinaire bedoeling ten grondslag ligt zodat, ondanks de schijn van het tegendeel, het een verdoken tuchtmaatregel is, omdat uit de omstandigheden moet worden afgeleid dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel is haar te bestraffen. Tot het bestaan van een dergelijke niet-veruitwendigde bedoeling mag niet worden besloten op grond van louter subjectieve gevoelens van de getroffen ambtenaar. Integendeel dient de ambtenaar met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel erin bestaat hem te bestraffen. De Raad van State onderzoekt vervolgens of het geheel van de gegevens, die de ambtenaar hem voorlegt, in hun samenhang bekeken, in redelijkheid het besluit rechtvaardigen dat de bestraffing het dragend motief is van de genomen beslissing.
- In het inleidend verzoekschrift faalt verzoekster volkomen in de op haar rustende bewijslast, om aan te tonen dat de werkelijke beweegreden van de verwerende partij erin bestaat om haar voor haar tekortkomingen te straffen en dat de maatregel haar méér treft dan vereist. De omstandigheid dat een maatregel rekening houdt met “het gedrag en de ingesteldheid” van verzoekster, volstaat alleszins op zich niet om aan te nemen dat de intentie om te straffen aan de genomen beslissing ten grondslag ligt. De zienswijze van verzoekster dat de verwerende partij niet meer vermocht op te treden met een tuchtmaatregel, omdat de feiten daarvoor verjaard zijn, volstaat evenmin om de tuchtrechtelijke aard van de haar opgelegde overplaatsing aan te tonen. Dit alles des te meer daar de bestreden beslissing inhoudelijk dezelfde draagwijdte heeft als de beslissing vernietigd bij arrest nr. 249.539 van 20 januari 2021, verzoekster in die zaak lijkt te aanvaarden, want met geen enkel middel heeft bestreden, dat de toentertijd genomen beslissing een ordemaatregel IX-9900-8/16 was en de thans bestreden beslissing enkel beoogt aan verzoekster rechtsherstel te verlenen voor de in dat arrest vastgestelde onwettigheid.
- In haar laatste memorie na het aanvullend verslag argumenteert verzoekster uitvoeriger waarom, volgens haar, de bestreden maatregel een verdoken tuchtsanctie is. Het zijn argumenten waarmee de Raad van State geen rekening mag houden. Dat betoog had immers al in het inleidend verzoekschrift kunnen en moeten zijn opgenomen, is laattijdig en onontvankelijk.
- Het middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vierde middel is genomen uit de schending van artikel 3 van de wet van 10 mei 2007 ‘ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie’ (“antidiscriminatiewet”), namelijk “discriminatie op grond van gezondheidstoestand”. De verwerende partij was en is op de hoogte van de gezondheidstoestand van verzoekster. Dat blijkt uit het gesprek bij de evaluatiecommissie van 13 mei
- Ook in de motivering van de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de stoornis die verzoekster heeft, gekend is door de verwerende partij. De verwerende partij stelt evenwel zonder enige bijkomende verklaring dat de arbeidsarts sinds 2019 geen antwoord van de behandelende arts heeft gekregen en dat, gelet op het feit dat er toen geen opmerkingen waren geformuleerd, er thans ook geen opmerkingen zouden zijn. Dat is evident onjuist. Een gezondheidstoestand is evolutief. Vermits de bestreden beslissing genomen werd in 2021, moest de arbeidsarts onderzoeken wat de impact van de beslissing op een gekende aandoening zou kunnen zijn en in hoeverre een maatregel op basis van het gedrag en de ingesteldheid van verzoekster gekoppeld is aan haar gezondheidstoestand. De verwerende partij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.650 IX-9900-9/16 erkent eigenlijk, ook in haar motivering, dat zij dat onderzoek niet heeft gedaan. Zij heeft niet nagegaan of verzoekster door haar dwangmatige persoonlijkheidsstoornis gediscrimineerd wordt door deze maatregel. De behandeling heeft, door haar persoonlijkheidsstoornis, voor verzoekster ergere gevolgen dan voor iemand anders. Bovendien is het steunen van een ordemaatregel op het gedrag en de ingesteldheid duidelijk gekoppeld aan de persoonlijkheid van iemand. Zij is dus, op basis van haar gezondheidstoestand, anders behandeld dan andere personen. De verwerende partij heeft volledig nagelaten in 2021 contact op te nemen met de arbeidsarts om na te gaan of de maatregel met haar gezondheidstoestand verband houdt, dan wel minstens niet discriminerend was. Er zijn dus duidelijke aanwijzingen van discriminatie op basis van gezondheidstoestand. Verzoekster wijst nog op artikel 28 van de antidiscriminatiewet dat bepaalt dat wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie, voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie op grond van een van de beschermde criteria kunnen doen vermoeden, de verwerende partij dient te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de verwerende partij op 2 april 2021 niet kan beweren niet op de hoogte te zijn van de problematiek van verzoekster. Zij moet nagaan in welke mate de stoornis een rol speelt bij de uitvoering van haar werkzaamheden. Het is totaal onjuist en in strijd met artikel 4, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (“welzijnswet”) dat de werkgever niet zelf moet uitpluizen welke maatregelen het meest geschikt zijn. Dat is precies wat de werkgever wel moet doen. Dat dient hij te doen in overleg met de arbeidsarts die mogelijk bijkomende informatie heeft IX-9900-10/16 opgevraagd. Bijgevolg is het absoluut net wel een verplichting die op de werkgever rust. De verwerende partij heeft geen enkel onderzoek gedaan naar de verplichting die op haar rust via artikel 4 van de welzijnswet. Om die reden is het dan ook duidelijk dat de maatregel die is opgelegd niet vanuit medisch oogpunt is gecheckt. Verzoekster wijst nogmaals op artikel 28 van de antidiscriminatiewet. Verzoekster heeft haar ziekte bekendgemaakt en zulke stoornis heeft een impact op de persoonlijkheid van verzoekster en onvermijdelijk op haar gedrag op het werk. De verwerende partij erkent niet te hebben nagegaan of hetgeen zij verzoekster verwijt – namelijk dat zij haar werk in 2018 te veel zelf organiseerde en dat zij vaak te laat kwam – met die stoornis verband houdt. Vermits de verwerende partij niet bewijst dat zij deze vorm van discriminatie heeft trachten te vermijden maar wel op de hoogte was van de stoornis, schendt zij de aangestipte bepaling.
- In haar laatste memorie na het aanvullend verslag merkt verzoekster op dat het niet-nemen van redelijke aanpassingen in het geval van een langdurige mentale aandoening een vorm van discriminatie betreft ex artikel 14 van de antidiscriminatiewet, omdat die aandoening met een handicap wordt gelijkgesteld. De verwerende partij begaat een vorm van – verboden – directe discriminatie omdat zij i) niet in de passende maatregelen voorziet om verzoekster haar functie te laten uitoefenen, ii) de herplaatsing heeft doorgevoerd omwille van gedrag – haar gezondheidstoestand – ten gevolge van haar handicap. De verwerende partij heeft verzoekster aldus twee keer gediscrimineerd wegens haar gezondheid. Beoordeling
- Artikel 3 van de antidiscriminatiewet, in de bewoordingen van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt: IX-9900-11/16 “Deze wet heeft tot doel met betrekking tot de in artikel 5 bedoelde aangelegenheden een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst.” Deze bepaling verwoordt de beleidsmatige doelstelling van de wet. Zo een bepaling is niet normatief en legt uit zichzelf geen verplichtingen op aan de overheid. Uit de toelichting bij het middel kan worden begrepen dat verzoekster zich gediscrimineerd voelt op grond van haar gezondheidstoestand en dat zij aanvoert dat de verwerende partij heeft nagelaten zich ervan te vergewissen of die gezondheidstoestand heeft bijgedragen tot het gedrag dat aanleiding heeft gegeven tot haar overplaatsing, dan wel wat de impact zou zijn van de overplaatsing op haar aandoening. Dit betoog valt niet onder te brengen in een schending van artikel 3 van de antidiscriminatiewet. Het viel toe aan verzoekster om meer precies de wettelijke bepaling(en) aan te voeren die zij geschonden ziet en toe te lichten op welke wijze de bestreden beslissing die bepaling(en) miskent. Dit falen kan in latere procedurestukken niet meer worden verholpen.
- De welzijnswet brengt verzoekster pas voor het eerst ter sprake in haar memorie van wederantwoord, laattijdig en dus onontvankelijk. Overigens is artikel 4, § 1, van de welzijnswet een bepaling die enkel een algemeen beginsel verwoordt – “De Koning kan aan de werkgevers en de werknemers alle maatregelen opleggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Het welzijn wordt nagestreefd door maatregelen die betrekking hebben op: […] 2° de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk” – zodat ook niet valt in te zien hoe die bepaling geschonden kan zijn en die schending de regelmatigheid van de ordemaatregel zou aantasten. IX-9900-12/16
- In haar laatste memorie na het aanvullend verslag, en dus eveneens laattijdig en onontvankelijk, geeft verzoekster een nieuwe grondslag aan het middel door er thans ook de beschermde categorie ‘handicap’ bij te betrekken en te argumenteren dat haar “langdurige mentale aandoening” daarom ook een vorm van discriminatie betreft ex artikel 14 van de antidiscriminatiewet. Voor zover verzoekster in deze laatste memorie erover klaagt dat de verwerende partij heeft nagelaten voor “redelijke aanpassingen” te zorgen – en daargelaten wat het verband is met de bestreden maatregel – is dit eveneens laattijdig.
- Louter ten overvloede mag erop worden gewezen dat bij het onderzoek van het eerste middel al is geoordeeld dat de verwerende partij niet onwettig handelt als zij enkel rekening houdt met de gegevens zoals die voorlagen op 29 januari
- In de brief waarmee de thans bestreden beslissing aan verzoekster is meegedeeld, gaat de verwerende partij als volgt in op het argument van verzoekster: “In uw standpunt geeft uw raadsman verder nog aan dat de werkgever er toe gehouden zou zijn om rekening te houden met uw ‘dwangmatige persoonlijkheidsstoornis’. Hierover volgt het OCMW het advies van de arbeidsarts, die best geplaatst is om zich hierover uit te spreken en aanbevelingen kan doen aan de werkgever over eventuele aanpassingen die moeten gebeuren. In uw eerder gevolgd ontwikkelingstraject, zowel met de interne loopbaanbegeleider als met de begeleiding van Divergent, werd dan ook in samenspraak met u de arbeidsarts betrokken. In het formulier voor de gezondheidsbeoordeling van 17 september 2018 van de arbeidsarts werden geen opmerkingen of aanbevelingen opgeno- men. In het daaropvolgende formulier voor de gezondheidsbeoordeling van 11 juni 2019 werd door de arbeidsarts wel uitdrukkelijk naar verdere info van uw behandelende arts gevraagd. Tot op vandaag werd dit echter door u nog niet bezorgd aan de arbeidsarts, noch nam uw behandelende arts contact op met de arbeidsarts. We willen er daarom op aandringen dat u of uw behandelende arts contact opnemen met de arbeidsarts van Idewe om meer info te bezorgen zodat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.650 IX-9900-13/16 die indien nodig aanbevelingen kan formuleren waarmee we als werkgever rekening zullen houden.” Verzoekster betoogt thans dat een gezondheidstoestand evolutief is, zonder die algemene en abstracte stelling toe te spitsen op haar persoonlijke situatie. Ook zo beschouwd is het middel onontvankelijk, aangezien verzoekster nalaat de feitelijke grondslag aan te tonen die het uitgangspunt vormt van het middel. In dat verband mag eraan worden herinnerd “dat er enkel sprake kan zijn van een omkering van de bewijslast nadat het slachtoffer feiten heeft bewezen die het bestaan van discriminatie doen vermoeden”, zoals het Grondwettelijk Hof overwoog in zijn arrest nr. 17/2009 van 12 februari 2009 (Ov. B.93.3). Er is geen reden om het in deze zaak anders te zien: “[de] bewijslast ligt derhalve in de eerste plaats bij het slachtoffer” en “[het] volstaat daarbij niet dat een persoon aantoont dat hij het voorwerp is geweest van een voor hem ongunstige behandeling. Hij dient tevens de feiten te bewijzen die erop lijken te wijzen dat die ongunstige behandeling is ingegeven door ongeoorloofde motieven” (ibidem). Voorts kan verzoekster bezwaarlijk de verwerende partij verwijten geen rekening te houden met haar gezondheidstoestand, als blijkt dat de verwerende partij in 2019 en opnieuw in 2021 vergeefs aandringt bij verzoekster opdat haar behandelende arts een gezondheidsbeoordeling zou bezorgen. Wat dan weer de toentertijd voorliggende gegevens betreft, mag eraan worden herinnerd dat de Raad van State in zijn arrest nr. 249.539 van 20 januari 2021 al het volgende overwoog: “Anders dan verzoekster het ziet, valt het de ambtenaar toe die meent dat haar ziektetoestand een invloed heeft op haar functioneren, om dit aan te kaarten bij haar werkgever en dit, desgevallend, ter sprake te brengen tijdens een functioneringsgesprek. De gezondheidstoestand van een personeelslid raakt de persoonlijke levenssfeer, zodat het betrokkene toevalt om de grenzen te bepalen waarbinnen zij haar werkgever inzage daarin wenst te geven. Dit geldt des te meer indien betrokkene, zoals in dit geval, te kennen geeft dat zij ondanks een aandoening niet anders behandeld wil worden dan haar collega’s. IX-9900-14/16 Verzoekster heeft de OCPS-problematiek en de weerslag ervan op haar functioneren zelf niet ter sprake gebracht tijdens de functioneringsgesprekken. Zij kan het de verwerende partij dan ook niet ten kwade duiden dat dit aspect niet tijdens die gesprekken aan bod is gekomen. […] Evenmin maakt verzoekster aannemelijk dat de evaluatie onredelijk is doordat zij voorafgaandelijk geen gepaste begeleiding kreeg voor haar OCPS-problematiek en de weerslag ervan op haar functioneren. Verzoekster heeft immers zelf te kennen gegeven dat zij zich niet op haar medische problematiek wilde beroepen om een aangepast takenpakket te krijgen en zij heeft de OCPS-problematiek niet ter sprake gebracht tijdens de functioneringsgesprekken.”
- Het middel is niet ontvankelijk. IX-9900-15/16 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9900-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.650 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.