id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.660 Rolnummer: A. 240967/X-18558 Zaak: Arrest 258660 - Bevolkingsregister - 31/01/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-02 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-06-10 20:49 Fiche Arrest nr 258.660 van 31 januari 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bevolkingsregister Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2024 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 258.660 van 31 januari 2024 in de zaak A. 240.967/X-18.558 In zake : Johan MELOTTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jordy Hendrikx kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE HEUSDEN-ZOLDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Julie Swerts en Dominique Vanhaelewyn kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 18 januari 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder van 20 december 2023 waarbij verzoeker ambtshalve wordt afgevoerd uit het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder. Tevens wordt gevraagd “om, bij wijze van voorlopige maatregel, de verwerende partij te veroordelen tot het herstel van de administratieve toestand van [v]erzoeker door hem terug in te schrijven in het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder [...] en de intrekking van zijn elektronische identiteitskaart ongedaan te maken […] en dit binnen een termijn van drie
(3)werkdagen na de kennisgeving van het tussen te komen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 arrest en dit onder verbeurte van een dwangsom van tweehonderdvijftig euro (250 EUR) per dag dat de voorlopige maatregel niet is uitgevoerd”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2024, om 10u
- Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jordy Hendrikx, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Julie Swerts die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is sedert 7 november 2022 ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder, en dit op referentieadres. Deze inschrijving is gesteund op het gegeven dat hij in een mobiele woning verblijft.
- Op 24 april 2023 verzoekt de verwerende partij verzoeker om zich “te melden op de dienst bevolking voor inlichtingen omtrent [zijn] ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 referentieadres [en] de nodige bewijzen dat [hij] rondtrekt met de mobilhome, mee te brengen”.
- Op 31 mei 2023 stuurt de verwerende partij een e-mail aan de verzoeker met onder meer de volgende inhoud : “Ik verwijs naar de bewijsstukken die u ons op 22/05/2023 tijdens uw afspraak op onze dienst hebt overgemaakt omtrent het gebruik van uw mobiele woning. Deze bewijsstukken moeten voldoende aantonen dat u gedurende meer dan 6 maanden per jaar rondtrekt op het Belgisch grondgebied. […] Het is de gemeente die de relevantie van de aangereikte bewíjsstukken beoordeelt. Omdat de door u overgemaakte bewijsstukken niet voorzien worden in de […] onderrichting en ook niet objectief gecontroleerd kunnen worden door ons, verzoeken wij u om ons vóór 01/07/2023 nog de nodige extra bewijsstukken over te maken zijnde: l. De aankoopbewijzen van brandstof voor uw mobiele woning en facturen van eventuele herstellingen of aankopen die op andere locaties werden gedaan.
- Voldoende schriftelijke getuigenverklaringen van privépersonen (omschrijving van de feiten (bijvoorbeeld toelating tot verblijf op privéterrein), identificatie van de getuige (kopie van de identiteítskaart) en de relevantie van de getuige ten opzichte van de aangehaalde feiten) voorzíen van datum en handtekeníng waaruit blijkt dat u gedurende min. 6 maanden rondtrekt op het Belgisch grondgebied met een mobiele woning. Na ontvangst van deze extra en aanvullende bewijsstukken, zullen wij uw dossier opnieuw bekijken en een beslissing nemen omtrent uw referentie- adres.”
- Op 21 september 2023 schrijft de verwerende partij aan verzoeker : “Wij ontvingen de afgelopen periode al bepaalde bewijsstukken doch deze vormen geen voldoende bewijs voor een verblijf in een mobiele woning op het Belgisch grondgebied in de periode 07/11/2022 tot heden. Mogen wij u verzoeken om u voor 15/11/2023 aan te bieden op de dienst bevolking met de (bijkomende) bewijsstukken (o.a. homologatie van het voertuig als camper cfr. Uw mail van 27/07/2022; bewijs dat het GPS- toestel is ingebouwd in uw voertuig, bijkomende bewijsstukken die aantonen dat u in België rondtrekt,…)? Zo niet zijn wij genoodzaakt om de nodige stappen te zetten tot uw afvoering van ambtswege. De afvoering van ambtswege betekent in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 zekere zin dat u administratief niet meer bestaat. Dit heeft tot gevolg dat we u niet meer in het bezit kunnen stellen van de nodige administratieve stukken. Wij rekenen erop dat u zich voor de vermelde datum bij onze diensten zult aanmelden met de nodige bewijsstukken om zich in orde te stellen”.
- Op 14 december 2023 schrijft de verwerende partij aan verzoeker: “Op 21/09/2023 stuurden wij u een aangetekende brief met verzoek ons bijkomende bewijsstukken over te maken betreffende uw rondtrekkend verblijf in een mobiele woning op het Belgisch grondgebied. De stukken die u ons binnenbracht op 13/11/2023 zijn onvoldoende en u voldoet hierdoor niet meer aan de voorwaarden om het referentieadres te kunnen behouden. Het college van burgemeester en schepenen zal daardoor een einde stellen aan uw referentieadres en een beslissing tot afvoering nemen”.
- Bij e-mail van 19 december 2023 vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen om aangaande de voorgenomen beslissing te worden gehoord.
- Op 20 december 2023 neemt het college van burgemeester en schepenen de volgende beslissing : “Juridische gronden ● decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 56 ● wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteits- kaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (B.S. 3 september 1991) ● koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (B.S. 15 augustus 1992 - gewijzigd door het KB van 9 maart 2017) Feiten en context Indien een persoon niet meer voldoet aan de voorwaarden die vereist zijn om hun referentieadres betreffende een verblijf in een mobiele woning op het Belgisch grondgebied te behouden zal er een einde gesteld worden aan het referentieadres en overgegaan worden tot een ambtshalve afvoering uit de registers. Argumentatie Naar aanleiding van de binnengebrachte bewijsstukken, die niet voldoende zijn om het referentieadres te kunnen behouden, wordt volgende persoon van ambtswege afgevoerd uit ons bevolkingsregister: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 - [J. M.], geboren te Koersel op […], […] 3550 Heusden-Zolder BESLUIT UNANIEM Artikel 1: Volgende personen worden van ambtswege afgevoerd uit ons bevolkingsregister: -[J. M.], geboren te Koersel op […], […] 3550 Heusden-Zolder” Dit is de bestreden beslissing.
- Op 21 december 2023 heeft de gemeente deze beslissing ter kennis gebracht van de verzoeker: “Het college van burgemeester en schepenen heeft in de zitting van 20/12/2023 beslist om u van ambtswege af te voeren. Dit betekent een schrapping uit het bevolkingsregister en de annulering van uw elektronische identiteitskaart of verblijfskaart. Een verzoekschrift om een betwisting voor te leggen aan de Minister van Binnenlandse Zaken moet binnen de dertig kalenderdagen gedagtekend en ondertekend schriftelijk worden ingediend (wet van 09/11/2015 art.12) aan: Algemene Directie Instellingen en Bevolking Park Atrium, Koloniënstraat 11 1000 Brussel callcenter.rrn@rrn.lbz.fqov.be Indien het verzoekschríft per e-mail wordt ingediend, is een elektronische handtekening noodzakelijk. Het verzoekschrift moet de volgende gegevens bevatten : […]”
- Bij e-mail van 21 december 2023 vraagt verzoeker aan de verwerende partij om hem “inzage te geven middels pdf afschrift van het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van 20 december 2021”, evenals van het “volledige administratieve dossier”. Bij e-mail van 22 december 2023 vraagt verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen om de beslissing van 20 december 2023 in te trekken.
- Op 4 januari 2024 vraagt de raadsman van de verzoeker eveneens om “volledig afschrift van de beslissing van het college van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 burgemeester en schepenen van 20 december 2023 op basis waarvan [J.] werd afgevoerd samen met alle documenten die tot het administratief dossier behoren.”
- Op 9 januari 2024 maakt de verwerende partij de gevraagde documenten over aan de raadsman van verzoeker.
- Op 18 januari 2024 wordt huidig verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De verwerende partij houdt voor dat de bestreden beslissing vatbaar was voor een georganiseerd administratief beroep, en verwijst daarvoor naar artikel 8, §1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten (hierna: wet van 19 juli 1991). Vermits deze beroepsmogelijkheid niet werd aangewend, is het beroep bij de Raad van State volgens de verwerende partij niet ontvankelijk.
- Volgens de verzoeker gaat het te dezen echter niet om een geschil betreffende de hoofdverblijfplaats van verzoeker. Beoordeling
- Artikel 8, §1, eerste en tweede lid, van de wet van 19 juli 1991, zoals gewijzigd door artikel 12 van de wet van 9 november 2015 houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken, bepaalt : “In geval van betwisting betreffende de plaats van de huidige hoofdverblijfplaats bepaalt de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, deze plaats na, indien nodig, een onderzoek ter plaatse te hebben laten uitvoeren. De minister wordt binnen de dertig kalenderdagen volgend op de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 kennisgeving van de betwiste beslissing betreffende de huidige hoofdverblijfplaats gevat door middel van een schrijven of van een elektronisch verzonden schrijven.”
- De memorie van toelichting bij voornoemde bepaling geeft volgende toelichting: “In dit voorontwerp van wet wordt derhalve getracht om de beroepsmogelijkheden betreffende de betwistingen inzake de hoofdverblijfplaats bij de minister van Binnenlandse Zaken te rationaliseren. Overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State zullen enkel de betwistingen betreffende de plaats van de verblijfplaats het voorwerp kunnen uitmaken van een onderzoek betreffende de echtheid van de verblijfplaats. Elke andere gemotiveerde overweging dan die over de plaats van de betwisting, zal aldus worden verworpen.” (Parl. St. Kamer 2014-15, nr.1298/1,210).
- De bestreden beslissing beslist tot afvoering uit het bevolkings- register omdat verzoeker niet meer zou voldoen aan de voorwaarden om het referentieadres te kunnen behouden. De bestreden beslissing houdt geen beslissing in aangaande de hoofdverblijfplaats, en ter zake wordt er ook geen betwisting gevoerd.
- In de huidige stand van zaken moet dan ook worden aangenomen dat de bestreden beslissing niet kadert in een betwisting betreffende de plaats van de huidige hoofdverblijfplaats, zodat daartegen geen administratief beroep openstaat. De exceptie wordt niet bijgevallen. V. Voorwaarden voor een schorsing of het opleggen van een andere voorlopige maatregel
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot het bevelen van een schorsing van de tenuitvoerlegging of van een andere voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Onderzoek van de vordering tot schorsing A. Voorwaarde van een ernstig middel Standpunt van de partijen
- In het tweede middel betoogt verzoeker dat het “onderzoek dat voorafgaand aan de bestreden beslissing werd gevoerd, [onzorgvuldig is] omdat uit de bestreden [beslissing] niet kan worden afgeleid hoe en op welke wijze rekening werd gehouden met de diverse documenten die door verzoeker werden aangeleverd”. Verzoeker roept ook in dat uit de bestreden beslissing niet blijkt “op basis van welke redenen de verwerende partij heeft besloten dat verzoeker niet langer voldoet aan de voorwaarden voor een referentieadres”. Volgens verzoeker is er ook geen wettelijke basis voor “de opdracht om de voortdurende naleving van de voorwaarden voor het verkrijgen van een referentieadres te controleren”. Volgens verzoeker is er sprake van een schending “van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”.
- De verwerende partij van haar kant wijst er op dat zij “veel moeite heeft gedaan om van verzoekende partij de nodige bewijsstukken te verkrijgen omtrent diens zgn. rondtrekkend bestaan”, maar dat de “door haar specifiek gevraagde stukken, die haar zouden kunnen doen besluiten dat voldaan werd aan de voorwaarden voor een referentieadres voor een mobiele woning” nooit werden aangeleverd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 Verwerende partij wijst er in dat verband ook op dat zij in kennis werd gesteld van “tegenindicaties, met name een beweerd vast verblijf van verzoekende partij in buurgemeente Zonhoven”. De bestreden beslissing geeft volgens haar “blijk van de feitelijke en juridische elementen waarop zij is gebaseerd”, met name “het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor een referentieadres voor een mobiele woning”. Beoordeling
- Verzoeker heeft sedert februari 2022 te kennen gegeven dat hij in een camper wou gaan leven en een referentieadres bij zijn broer wou nemen. Nadat de nodig geachte bewijsstukken werden overgemaakt, heeft de verwerende partij verzoeker op 7 november 2022 op het gevraagde referentieadres ingeschreven.
- De inschrijving op een referentieadres is niet beperkt in de tijd. Op het eerste gezicht kan het dan ook verwondering wekken dat de verwerende partij reeds binnen de zes maanden, op 24 april 2023, verzoeker heeft uitgenodigd om zich te melden met “de nodige bewijzen dat [hij] rondtrekt met de mobilhome”.
- Volgens de verwerende partij houdt dit verband met “meldingen”, die de verwerende partij zou hebben gekregen, dat verzoeker over een vast verblijfsadres in buurgemeente Zonhoven zou beschikken. Het administratief dossier bevat op het eerste gezicht echter geen spoor van concrete meldingen. Er blijkt ook niet dat de verwerende partij ter zake enig onderzoek heeft verricht. Weliswaar werd er, naar aanleiding van een vraag van de verwerende partij, door de gemeente Zonhoven een “Model 4” (attest van niet- ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.55 inschrijving) opgemaakt waarin wordt vermeld dat verzoeker verklaard heeft dat hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd te Zonhoven. Verzoeker betwist echter formeel een dergelijke verklaring te hebben afgelegd. Dit element komt in de bestreden beslissing ook niet aan bod. Niettemin kan zowel uit de nota als uit het administratief dossier worden opgemaakt dat de aangelegenheid niet zonder invloed is geweest.
- De bestreden beslissing steunt in essentie op de overweging dat “de binnengebrachte bewijsstukken […] niet voldoende zijn om het referentieadres te kunnen behouden”. Er wordt echter niet vermeld welke documenten als bewijsstukken werden ingediend en waarom deze niet als voldoende werden beschouwd. Op het eerste gezicht lijkt die overweging evenmin op een eenduidige wijze uit het administratief dossier te kunnen worden afgeleid, des te minder gelet op de tegenwerpingen die verzoeker formuleerde.
- In die omstandigheden lijkt de verwerende partij prima facie het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel te hebben geschonden, zodat het tweede middel als ernstig is te beschouwen. B. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
- Ter staving van de ingeroepen uiterst dringende noodzakelijk- heid verwijst verzoeker naar het verlies van “iedere mogelijke band met het bestuur in de meest ruime zin, de sociale diensten en derden”. Hij verwijst verder ook naar, onder meer, het “verlies van ziekte-uitkering bij zijn mutualiteit”, het gegeven dat hij zijn stemrecht niet zal kunnen uitoefenen en een beperking van zijn recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.558 Verzoeker wijst ook op de negatieve impact op zijn psychisch welbevinden, in een context die reeds kwetsbaar is. Beoordeling
- Een verzoeker die claimt dat er met zijn vordering tot schorsing een uiterst dringende noodzakelijkheid gemoeid is, moet zich daar ook naar gedragen, op gevaar af de beweerde uiterste urgentie zelf te ontkrachten.
- In casu blijkt dat verzoeker op 14 december 2023 door de verwerende partij werd ingelicht van het voornemen om de bestreden beslissing te nemen. Er blijkt ook dat hij op 21 december 2023 effectief kennis had van de bestreden beslissing, vermits hij dan een afschrift van de beslissing en het administratief dossier heeft opgevraagd, een verzoek dat op 4 januari 2024 door de raadsman van verzoeker werd hernomen.
- Uiteindelijk heeft verzoeker pas op 18 januari 2024, bijna een volle maand na de kennisneming van de bestreden beslissing, zijn vordering ingesteld.
- Verzoeker geeft in zijn verzoekschrift geen enkele toelichting of verantwoording waarom hij zolang heeft gewacht met het instellen van zijn vordering. In die omstandigheden kan de Raad niet besluiten tot het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid. C. Conclusie
- Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.558 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.558 VII. Onderzoek van de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel
- Zoals hiervoor gebleken, doet verzoeker geen uiterst dringende noodzakelijkheid aannemen. Deze vaststelling volstaat om ook de vordering tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel dan de gevorderde schorsing te verwerpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vorderingen.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenendertig januari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: David D’Hooghe, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck David D’Hooghe ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR. 258.660 X-18.558 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.660 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.155 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div