← België

Arrest 258696 - Varia (economische zaken) - 06/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.696 Rolnummer: A. 233155/XIV-38625 Zaak: Arrest 258696 - Varia (economische zaken) - 06/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-21 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-12 04:06 Fiche Arrest nr 258.696 van 6 februari 2024 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 258.696 van 6 februari 2024 in de zaak A. é.155/XIV-38.625 In zake : de HOGESCHOOL PXL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Beroeps- en Evaluatiecommissie Vlaams opleidingsverlof van het departement Werk en Sociale economie van 23 december 2020 […] waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep [ingesteld] namens de Hogeschool PXL”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. De verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. XIV- 38.62 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 7 december 2023 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 17 januari
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Verzoek tot afstand
  5. Bij brief van 21 november 2023 deelt de raadsman van de verzoekende partij mee dat “in navolging van de opname in de Opleidingsdatabank cliënte wenst afstand te doen van de vordering tot vernietiging””. Uit die bewoordingen blijkt duidelijk dat de verzoekende partij afziet van de verdere afhandeling van de procedure en afstand van het gehele geding doet. De omstandigheid dat zij, naar zij in die brief stelt, meent ook “nog steeds een belang [te hebben] bij de vordering tot vernietiging en het finaal beslechten van het geschil omdat zij het negatieve waardeoordeel dat volgt uit de bestreden beslissing uit de rechtsorde verwijderd wenst te zien”, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de gedane (vrijwillige) afstand volledig en zonder voorbehoud is gebeurd. XIV- 38.62 IV. Kosten
  6. De verzoekende partij vraagt in dezelfde brief van 21 november 2023 de veroordeling van de verwerende partij tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.
  7. Op grond van artikel 68, vijfde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’, wordt “in ieder geval [...] het geheel van de kosten [...] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt”. Te dezen dient de verzoekende partij te worden aangemerkt als de in fine van die bepaling bedoelde partij. De omstandigheid dat zij “niet langer aandringt op de vernietiging van de bestreden beslissing om de reden dat het concrete voordeel dat bestaat uit de opname in de Opleidingsdatabank al werd gerealiseerd”, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Uit de gegevens van de zaak blijkt immers dat deze opname is verkregen op grond van een nieuwe aanvraag die door de verzoekende partij werd ingediend nadat de bestreden beslissing reeds was genomen. De verzoekende partij heeft er aldus zelf voor gekozen de uitspraak in de voorliggende zaak niet af te wachten doch in de loop van dit geding reeds een nieuwe aanvraag in te dienen. In het licht hiervan zijn er dan ook geen redenen die verantwoorden om in te gaan op het verzoek van de verzoekende partij. BESLISSING
  8. De Raad van State verleent akte van de afstand.
  9. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van XIV- 38.62 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV- 38.62 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.696 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.