← België

Arrest 258731 - Dierenwelzijn - 08/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.731 Rolnummer: A. 233612/VII-41106 Zaak: Arrest 258731 - Dierenwelzijn - 08/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-20 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-10 21:00 Fiche Arrest nr 258.731 van 8 februari 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.731 no lien 275391 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.731 van 8 februari 2024 in de zaak A. é.612/VII-41.106 In zake : A.K. woonplaats kiezend te tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Valérie De Schepper kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de bestemmingsbeslissing van 31 maart 2021 met het dossiernummer G-21-0713 waarbij een serval met toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ definitief in volle eigendom wordt gegeven aan het erkende dierenasiel dat hiermee instemt. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft op 20 december 2023 een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.731 VII-41.106-1/6 Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 februari
  3. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Verzoekster, die in persoon verschijnt en advocaat Valérie De Schepper, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoekster brengt op 11 februari 2021 een serval met een gebroken poot naar een dierenkliniek. De medewerkers van de dierenkliniek verwittigen meteen zowel de lokale politie als de afdeling Dierenwelzijn van de verwerende partij waarna het dier in beslag wordt genomen en overgebracht naar een erkend asiel.
  6. Verzoekster wordt op 10 maart 2021 samen met haar zoon verhoord door de lokale politie. Zij verklaren dat zij niet wisten dat het verboden is een serval als huisdier te houden in België, en vragen of het mogelijk is het dier onder te brengen bij een familielid in Nederland. VII-41.106-2/6
  7. De verwerende partij beslist op 31 maart 2021 om de serval definitief in volle eigendom te geven aan het erkende dierenasiel dat hiermee instemt. Dit is het bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het vernietigingsberoep Exceptie
  8. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat verzoekster geen belang heeft bij het vernietigingsberoep dat gericht wordt tegen de bestemmingsbeslissing. Zij zet uiteen: “De betrokken serval is door de lokale politie […] reeds op 11 februari 2021 in beslag genomen. [Verzoekster] heeft dit beslag niet aangevochten en betwist niet dat het houden van de serval in strijd is met artikel 3bis van de dierenwelzijnswet. [Verzoekster] meent echter dat verwerende partij een andere beslissing had moeten nemen, namelijk het toevertrouwen van het dier aan een vriend in Nederland. Zelfs indien aangenomen zou worden dat de serval op wettige wijze in Nederland kan worden gehouden, hetgeen [verzoekster] niet aantoont, verliest [verzoekster] uit het oog dat de Vlaamse overheid een beleid voert waarbij een serval geacht wordt om vanuit fysiologische en ethologische redenen niet geschikt te zijn om door mensen gehouden te worden. Een serval aan een persoon toevertrouwen omdat hij onderworpen wordt aan de minder stringente wetgeving van een ander land zou tegen dit beleid en de ratio legis van de dierenwelzijnswet ingaan. Daarenboven kan verwerende partij geen controle uitoefenen op hoe het dier in Nederland gehouden wordt. Het aangevoerde belang is dan ook onwettig, minstens onbestaand. Verwerende partij benadrukt dat in ieder geval [verzoekster] geen belang heeft bij de vernietiging omdat de bestreden beslissing aanleiding heeft gegeven tot een eigendomsoverdracht conform het burgerlijk recht. Zoals dit het geval is inzake overheidsopdrachten, kan de bestreden beslissing (nl. een zogenaamde ‘acte détachable’) enkel op ontvankelijke wijze aangevochten worden indien deze nog geen aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van een overeenkomst volgens het burgerlijk recht. Ter zake heeft het dierenasiel de eigendomsoverdracht aanvaard. Dit brengt met zich mee dat de situatie op burgerrechtelijk vlak gewijzigd is en vaststaat. […] De nietigverklaring van de bestreden beslissing kan in deze omstandigheden geen enkel voordeel aan [verzoekster] opleveren.” VII-41.106-3/6 Op de terechtzitting van 1 februari 2024 deelt de verwerende partij mee dat het dierenasiel de serval inmiddels heeft uitgevoerd naar een gespecialiseerd opvangcentrum in Zuid-Afrika, zodat de door verzoekster gewenste bestemming in elk geval onmogelijk is geworden. Beoordeling
  9. Het beroep tot nietigverklaring bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan op grond van artikel 19 van deze wetten slechts op ontvankelijke wijze worden ingesteld door een partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. Deze vereiste betekent dat de bestreden handeling nadelig moet zijn voor de verzoekende partij, en dat de gevorderde vernietiging aan dat nadeel kan verhelpen. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat.
  10. Uit het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord blijkt dat verzoekster het belang bij het beroep enkel ziet in de mogelijkheid die hierdoor zou ontstaan dat het dier na de vernietiging zou kunnen worden overgedragen aan een familielid in Nederland, waar het niet verboden zou zijn om een serval te houden als huisdier. De door de verwerende partij verstrekte gegevens maken voldoende aannemelijk dat het dier inmiddels definitief werd overgedragen aan een opvangcentrum in Zuid-Afrika. Het is dan ook feitelijk onmogelijk geworden om aan het dier nog een andere bestemming te geven. Aan het nadeel dat verzoekster ondergaat ten gevolge van de bestreden beslissing, kan door de vernietiging ervan niet meer worden verholpen. De omstandigheid dat verzoekster ook gewag maakt van morele schade, doet hieraan geen afbreuk. De door haar aangevoerde morele schade VII-41.106-4/6 betreft immers enkel de gevolgen van het gemis aan gezelschap van het dier. Ook aan die morele schade kan de vernietiging van het bestreden besluit niet verhelpen.
  11. Het beroep is niet ontvankelijk. V. Herstelmaatregel
  12. Verzoekster vraagt de Raad van State om, naast de nietigverklaring van het bestreden besluit, een “herstelmaatregel te nemen waarbij een overdracht van de serval naar het buitenland, zijnde Nederland, wordt bevolen”.
  13. Als wettigheidsrechter is de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel bevoegd om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken bestuurshandeling nietig te verklaren. Hij is dan geen rechter die in hoger beroep kennis neemt van de betwisting die een partij heeft met het bestuur en die een eigen beslissing in de plaats vermag te stellen. De Raad van State is dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van de vraag van verzoekster tot het bevelen van een herstelmaatregel. VI. Kort debat
  14. In deze zaak volstond een kort debat. De zaak wordt op grond van artikel 93 van het algemeen procedurereglement definitief beslecht. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  15. Het vernietigingsberoep wordt verworpen omwille van de definitieve toestand die ontstaan is door de uitvoer van het dier naar het buitenland. In deze omstandigheden kan de verwerende partij niet beschouwd worden als een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.731 VII-41.106-5/6 “in het gelijk gestelde partij” in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij kan bijgevolg geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Francis Van Nuffel VII-41.106-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.731 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.