← België

Arrest 258735 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 Rolnummer: A. 234711/VII-41216 Zaak: Arrest 258735 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-20 Raadplegingen: 129 - laatst gezien 2026-06-10 21:01 Fiche Arrest nr 258.735 van 8 februari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 no lien 275394 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.735 van 8 februari 2024 in de zaak A. 234.711/VII-41.216 In zake : C.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tijl Delrue kantoor houdend te 8500 Kortrijk Stationsstraat 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 7 juli 2021 waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Roeselare van openbaar nut wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 29 maart 2023 een verslag opgesteld. VII-41.216-1/9 Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Estelle Destadsbader, die loco advocaat Tijl Delrue verschijnt voor verzoekster en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is samen met haar broer onverdeeld eigenaar van een perceel grond, gelegen aan de Regenbeekstraat te Roeselare (Rumbeke). Het perceel is gelegen vlak naast een bestaande rioolwaterzuiveringsinstallatie. 3.
  6. De nv Aquafin wenst de installatie te renoveren en uit te breiden, teneinde ter plaatse bijkomende en meer geconcentreerde vuilvracht te kunnen verwerken en de overstortwerking van de regenbezinktanks naar de Mandel uit te schakelen. In het kader van de uit te voeren werken zou het perceel van verzoekster tijdelijk ingericht worden als een werfzone. 3.
  7. In juni 2020 dient de nv Aquafin bij de bevoegde Vlaamse minister een aanvraag in tot het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut. VII-41.216-2/9 3.
  8. Over de aanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Tijdens dat onderzoek dient onder meer verzoekster een bezwaar in. Zij laat gelden dat enkel haar perceel wordt “geviseerd” voor de werken die “veel beter zouden worden uitgevoerd op het perceel Sectie A nr. 228v, eigendom van NV Renewi” gelegen aan de overkant van de site, dat die “woeste grond” bovendien reeds bezwaard is met erfdienstbaarheden (leidingen, collectoren) zodat aldaar geen bijkomende last wordt veroorzaakt, dat al het zware verkeer over de Regenbeekstraat zal moeten passeren die daardoor “volledig kapotgereden” zal worden, dat door het inpalmen van het betrokken perceel ook het aanliggende perceel dat eveneens haar eigendom is onbereikbaar zal worden en daarvoor geen vergoeding zal worden betaald, dat het eigendom tijdens de werken volledig onbruikbaar zal zijn, dat de voorwaarde dat zoveel als mogelijk het normale gebruik van het perceel zal worden gewaarborgd “dode letter” zal blijven en Aquafin op dat vlak trouwens “een zeer slechte reputatie heeft”, dat het dossier onvolledig en onduidelijk is omdat noch de datum van de aanvang van de werken noch de uitvoeringstermijn ervan wordt vermeld, dat er mogelijk een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, dat er geen milieueffectenrapport werd opgemaakt, dat er blijkbaar geen tegensprekelijke plaatsbeschrijving zal gebeuren, en dat de ingreep kennelijk “enkel is ingegeven door het louter privaat belang van de N.V. Aquafin”. 3.
  9. Met het thans bestreden besluit van 7 juli 2021 verklaart de bevoegde Vlaamse minister de door de nv Aquafin beoogde werken van openbaar nut. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  10. In een enig middel voert verzoekster de schending aan van artikel 3, § 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 ‘houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de nv Aquafin in toepassing van artikel 2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 VII-41.216-3/9 (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), “minstens van de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel”, en van het zorgvuldigheids-, het evenredigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Verzoekster zet uiteen dat de redenen die het gebeurlijk bezetten van een privaat domein rechtvaardigen “deugdelijk en pertinent” moeten zijn en moeten kunnen worden “betrokken op de concrete gegevens van de zaak”. Zij heeft (samen met haar broer) tijdens het openbaar onderzoek een bezwaarschrift ingediend tegen het voornemen om een verklaring van openbaar nut uit te vaardigen, maar daar is door de Vlaamse minister slechts “heel summier en zonder gedegen concreet onderzoek” op ingegaan, meer bepaald wat betreft “de door verzoekende partij aangeduide alternatieve mogelijkheden” om de werkzaamheden uit te voeren. In de eerste plaats merkt verzoekster op dat op het terrein van de nv Aquafin zelf “toch nog heel wat onbebouwde en onbewerkte oppervlaktes voorhanden” zijn, die “gezamenlijk” zelfs groter zijn dan haar perceel. Zij zegt niet in te zien waarom de terreinen van de nv Aquafin “een uitgesloten scenario” zouden moeten zijn. Het opgegeven motief dat het terrein van de nv Aquafin “nagenoeg volgebouwd” zou zijn, is feitelijk onjuist. Tevens meent verzoekster dat de gronden die gelegen zijn aan de overzijde van de afvalwaterzuiveringsinstallatie en die toebehoren aan de nv Renewi, ten onrechte niet in aanmerking werden genomen voor de verklaring van openbaar nut. Het feit dat op dat terrein bomen, struiken en planten staan, neemt volgens verzoekster niet weg dat “op de thans overwoekerde plaatsen” zeker de beoogde werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Dat zich tussen het terrein van de nv Renewi en de afvalwaterzuiveringsinstallatie een waterloop bevindt is volgens verzoekster evenmin een onoverkomelijk probleem, nu het een gracht betreft die “het grootste gedeelte van het jaar droog” staat en die middels het plaatsen van rijplaten tijdelijk kan worden overbrugd. Daarenboven zou ook het gegeven dat het terrein in kwestie niet rechtstreeks bereikbaar is vanaf het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 VII-41.216-4/9 openbaar domein, niet verhinderen dat het wel bereikbaar is vanaf de waterzuiveringsinstallatie (met rijplaten over de gracht) en vervolgens via de toegangsweg die naast haar eigendom gelegen is. Op die manier zouden de werkzaamheden “in hoofdzaak een interne aangelegenheid blijven” en zou niet gekozen moeten worden “voor de meest makkelijke oplossing” om haar perceel te gebruiken als werfzone. De bestreden beslissing is volgens verzoekster derhalve aangetast door een gebrekkige “alternatievenafweging”, waarbij eenvoudig de keuze is gevallen om haar landbouwgrond in te nemen, terwijl het perceel dat door de nv Renewi enkel in reserve wordt gehouden voor haar bedrijfsactiviteiten (afvalverwerking) ongemoeid wordt gelaten. De hinder die haar zodoende wordt berokkend, zou “wezenlijk vele male[n] groter” zijn dan die hinder die zou worden teweeggebracht door het gebruik van het perceel van de nv Renewi. De motieven van de bestreden beslissing falen volgens verzoekster dan ook “faliekant”, zijn volkomen ontoereikend en “getuigen van onvoldoende pertinentie”.
  11. De verwerende partij antwoordt dat verzoekster tijdens het openbaar onderzoek niet heeft aangevoerd dat er op het eigen terrein van de nv Aquafin voldoende plaats voor de werfzone aanwezig was. Met betrekking tot de mogelijkheid om de werfzone in te richten op de terreinen van de nv Renewi, stelt zij dat verzoekster enerzijds “toe[geeft] dat de overwegingen van de minister niet onjuist zijn”, maar anderzijds de mening is toegedaan dat “met wat meer moeite […] de problemen om het terrein van Renewi te gebruiken, overwonnen [zouden] kunnen worden”. In dit verband benadrukt de verwerende partij dat het duidelijk is dat het perceel van verzoekster “het vlotst bereikbaar is”, dat zij niet concretiseert welke hinder zij zou kunnen ondervinden en dat de loutere omstandigheid dat de bevoegde Vlaamse minister een andere mening is toegedaan op zich niet betekent dat de bestreden beslissing zou getuigen van onredelijkheid.
  12. In haar memorie van wederantwoord verduidelijkt verzoekster in de eerste plaats dat op het terrein van de bestaande waterzuiveringsinstallatie zeker nog 8.301 m² “grote onbebouwde zones” beschikbaar zijn als potentiële werfzone, dat zij in haar bezwaarschrift wel degelijk heeft opgeworpen dat de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 VII-41.216-5/9 mogelijkheid niet werd onderzocht om op de terreinen van de nv Aquafin zelf te werken, dat zij “wel degelijk het recht [heeft] om na verder onderzoek van het dossier in het kader van een annulatieprocedure aanvullende argumentatie aan te voeren”, dat geen enkele bepaling verplicht om “tijdens het georganiseerd openbaar onderzoek reeds iedere mogelijke argumentatie met betrekking tot de wettigheid van de beslissing houdende verklaring van openbaar nut” op te werpen en dat het integendeel aan de beslissende overheid toekomt om het dossier degelijk te onderzoeken en een correcte belangenafweging te maken. Tot slot herhaalt zij dat de beek tussen het perceel van de nv Renewi en de site van het zuiveringsstation smal, droog en ondiep is, en dat er zich derhalve “organisatorisch geen probleem” stelt om van het ene perceel het andere te bereiken.
  13. In haar laatste memorie laat verzoekster nog gelden dat de bestreden beslissing met betrekking tot de mogelijkheid om het terrein van de nv Aquafin te gebruiken voor de beoogde werken, berust op een “summiere beoordeling, waarbij bepaalde aannames worden gedaan, zonder een gedegen eigen en concreet onderzoek”, waarbij sprake is van een “onzorgvuldige feiten- en rechtsgaring”. Ook de alternatieve mogelijkheid om de tijdelijke werfzone in te richten op het perceel van de nv Renewi werd niet afdoende onderzocht. Daarbij benadrukt verzoekster dat het wel degelijk mogelijk is om het bedoelde perceel “rechtstreeks te bedienen vanaf de openbare weg” en dat in het dossier over de omgevingsvergunningsaanvraag een bevestiging van deze mogelijkheid gevonden kan worden. De verwerende partij diende niet enkel stil te staan bij “het zogenaamd ingesloten karakter” van het perceel van de nv Renewi, maar moest tevens een “belangenafweging […] maken tussen het gebruik als werfzone en een op vandaag ongebruikte terrein, ten opzichte van het gebruik als werfzone van een terrein dat op vandaag ten dienste staat van de landbouw, zijnde de eigendom van verzoekende partij, een particulier die hieruit voor een deel haar broodwinning haalt”. Beoordeling
  14. Artikel 3, § 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bepaalt dat een aanvraag van de nv Aquafin om een verklaring van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 VII-41.216-6/9 openbaar nut te verkrijgen met het oog op de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur “de redenen die het gebeurlijk bezetten van het privaat domein rechtvaardigen” moet opgeven. In voorliggend geval heeft de nv Aquafin bij haar aanvraag een nota gevoegd waarin wordt toegelicht dat op het perceel van verzoekster een tijdelijke erfdienstbaarheid wordt voorzien voor het inrichten van een werf die zal dienen voor de tijdelijke opslag van gronden en voor het plaatsen van werfketen. Er wordt op gewezen dat deze werfzone onmiddellijk paalt aan de terreinen van de bestaande afvalwaterzuiveringsinstallatie. Voorts wordt verklaard dat de geplande werken ertoe strekken de bestaande afvalwaterzuiveringsinstallatie te renoveren en uit te breiden, teneinde ter plaatse bijkomende en meer geconcentreerde vuilvracht te kunnen verwerken (van 67.781 huishoudelijke inwonersequivalenten naar 73.300 huishoudelijke inwonersequivalenten), en de overstortwerking van de regenbezinktanks naar de waterloop van de Mandel uit te schakelen.
  15. Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren over de aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van openbaar nut, volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. Uit de bestreden beslissing blijkt dat het bezwaarschrift van verzoekster bij de beoordeling van de aanvraag werd betrokken en op gemotiveerde wijze werd weerlegd. In dat opzicht werden de bepalingen van de motiveringswet niet miskend.
  16. In zoverre verzoekster de deugdelijkheid van de opgegeven motieven bekritiseert, gelden de volgende vaststellingen. Niettegenstaande de nv Aquafin in de bij de aanvraag gevoegde nota uitdrukkelijk aangaf dat het terrein van de afvalwaterzuiveringsinstallatie “nagenoeg volledig volgebouwd” is, heeft verzoekster in het kader van het daaropvolgend openbaar onderzoek geen kritiek uitgebracht op deze verklaring. In ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 VII-41.216-7/9 de gegeven omstandigheden kan het de verwerende partij bezwaarlijk ten kwade worden geduid dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat “het bestaande terrein” van de afvalwaterzuiveringsinstallatie “nagenoeg volledig volgebouwd is”. Daarenboven toont verzoekster in het middel hoe dan ook niet aan dat de zogenaamde “grote onbebouwde zones” beschikbaar zijn als werfzone. Meer bepaald toont zij niet aan dat het onbebouwd karakter ervan niet in functie staat van een normale en goede werking van de afvalwaterzuiveringsinstallatie en dat de inrichting van een werfzone op deze plaatsen geen ernstige belemmering zou inhouden voor de exploitatie van de bestaande afvalwaterzuiveringsinstallatie. Het door verzoekster voorgestelde uitvoeringsalternatief op de percelen van de nv Renewi, wordt in de bestreden beslissing afgewezen op grond van de argumentatie dat het terrein van de nv Aquafin “aan de andere zijden is omgeven door een spoorweg, een waterloop en een terrein met struiken en planten”, dat het perceel van de nv Renewi “niet (rechtstreeks) bereikbaar is via het openbaar domein”, dat het niet aangewezen is om een werfzone in te richten op “een terrein met bomen, struiken en planten” en dat “tussen de bestaande RWZI en dit terrein een waterloop, zijnde de Regenbeek, is gelegen”. Rekening houdend met deze feitelijke gegevens, is de Vlaamse minister van oordeel dat de keuze voor het perceel van verzoekster “maatschappelijk het best te verantwoorden is, gelet op de positie ervan ten opzichte van de bestaande RWZI, de bestaande toegangsweg naar de RWZI en de ligging naast de Regenbeekstraat”. Met deze motieven wordt het bezwaar van verzoekster afdoende beantwoord. Voor het overige wordt niet aangetoond dat de afwijzing van het door verzoekster bijgebrachte uitvoeringsalternatief getuigt van onredelijkheid, te meer omdat de feitelijke gegevens van de zaak bevestigen dat het perceel van de nv Renewi ingesloten ligt tussen de spoorweg, de Regenbeek, het bedrijventerrein en het zuiveringsstation van Aquafin, en het niet rechtstreeks bereikbaar is vanaf de openbare weg. Overigens erkent verzoekster in de uiteenzetting van het middel zelf dat de keuze om op haar perceel een tijdelijke werfzone in te richten moet worden beschouwd als “de meest makkelijke oplossing”, wat kan worden begrepen als de voor de hand liggende keuze om de geplande werkzaamheden op de meest efficiënte wijze uit te voeren. VII-41.216-8/9
  17. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.216-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.