id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.737 Rolnummer: A. 221361/IX-9010 Zaak: Arrest 258737 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 08/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-06-19 03:55 Fiche Arrest nr 258.737 van 8 februari 2024 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Schadevergoeding tot herstel als niet verricht beschouwd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.737 van 8 februari 2024 in de zaak A. 221.361/IX-9010 In zake: B.L. woonplaats kiezend te tegen: SKEYES, voorheen Belgocontrol bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Joris De Vos kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 oktober 2021, strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel naar aanleiding van arrest nr. 254.911 van 27 oktober
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 254.911 van 27 oktober 2022 is het debat heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. De verzoekende partij heeft een aanvulling bij het verzoek tot schadevergoeding tot herstel ingediend. IX-9010-1/7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Tess Leppers, die loco advocaten Bob Martens en Joris De Vos verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Aanleiding tot het verzoek
- In de voorliggende zaak vorderde verzoeker de nietigverklaring van een reeks handelingen – zeven in totaal – met betrekking tot twee vergelijkende wervingsexamens voor de betrekking van aspirant- luchtverkeersleider. IX-9010-2/7 Bij arrest nr. 250.806 van 7 juni 2021 wordt vastgesteld dat verzoekers beroep gericht tegen de vacantverklaring van de betrekkingen van aspirant-luchtverkeersleider en de oproep tot kandidaten voor de twee vergelijkende wervingsexamens daartoe, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2016 (dat is de “eerste bestreden beslissing”) laattijdig is ingesteld en bijgevolg niet-ontvankelijk is. Het beroep wordt in die mate verworpen en het debat wordt heropend voor het overige. Bij arrest nr. 254.911 van 27 oktober 2022 wordt vastgesteld dat “de vijfde en zevende bestreden beslissing” (nog) niet bestonden op het ogenblik dat het beroep werd ingesteld en dat het beroep, in zoverre gericht tegen die vijfde en zevende bestreden beslissing, zonder voorwerp en dienvolgens onontvankelijk is ratione materiae. De bedoelde vijfde bestreden beslissing is “de beslissing waarbij de geslaagden worden bepaald van het tweede vergelijkende wervingsexamen”. De voormelde zevende bestreden beslissing is “de beslissing waarbij kandidaten worden toegelaten in de hoedanigheid van aspirant- luchtverkeersleider, volgend uit het slagen voor het tweede vergelijkende wervingsexamen”. Vervolgens leidt de Raad van State daaruit af dat verzoeker niet langer het rechtens vereiste belang heeft bij een eventuele nietigverklaring van de “derde bestreden beslissing”, namelijk de weigering van zijn deelname aan het tweede vergelijkende wervingsexamen. Het beroep wordt bijgevolg ten gronde slechts onderzocht voor zover het gericht is tegen de tweede, vierde en zesde bestreden beslissing, dit zijn respectievelijk de weigering van de deelname van verzoeker aan het eerste vergelijkende wervingsexamen, de beslissing waarbij de geslaagden voor dat eerste vergelijkende wervingsexamen zijn bepaald en de beslissing waarbij die geslaagden van het eerste vergelijkende wervingsexamen zijn toegelaten tot de hoedanigheid van aspirant-luchtverkeersleider. IX-9010-3/7 Finaal besluit de Raad in zijn arrest nr. 254.911 van 27 oktober 2022 ertoe om deze drie beslissingen te vernietigen. IX-9010-4/7 IV. Ontvankelijkheid van het verzoek Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat het verzoek onontvankelijk is. De beslissing waarvoor verzoeker de schadevergoeding vraagt, is immers niet nietig verklaard, noch heeft het arrest enige onwettigheid vastgesteld met betrekking tot de weigering tot deelname aan het tweede wervingsexamen.
- Verzoeker antwoordt dat in arrest nr. 254.911 een onwettigheid is vastgesteld. De beslissing waarbij hij slachtoffer werd van discriminatie voor het tweede wervingsexamen werd niet afzonderlijk vernietigd wegens gebrek aan belang, maar dit heeft de Raad niet belet om een onwettigheid vast te stellen. De middelen tegen de beide weigeringsbeslissingen zijn identiek. Bijgevolg kan een verzoek tot schadevergoeding tot herstel hierop steunen. Artikel 11bis RvS-wet vereist niet dat een nietigverklaring is tussengekomen voor de toekenning van een schadevergoeding. Beoordeling
- Verzoeker vordert énkel een schadevergoeding voor het nadeel dat hij stelt geleden te hebben door niet te hebben kunnen deelnemen aan het twééde wervingsexamen – aan verzoeker is een schadevergoeding toegekend door de Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel, die volgens hem (enkel) de éérste aanwervingsprocedure betreft.
- Een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel valt slechts onder de rechtsmacht van de Raad van State indien, onder meer, een arrest voorligt waarbij de onwettigheid van de bestreden beslissing wordt vastgesteld. Dat is uitdrukkelijk door het Hof van Cassatie bevestigd, zie Cass. 15 september 2017, AR C.15.0465.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.
- IX-9010-5/7
- In de arresten nrs. 241.865 en 241.866 van 21 juni 2018 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt geoordeeld dat “de omstandigheid dat de verzoekende partij in de loop van het geding haar belang bij de vernietiging verloren heeft, de Raad van State, wanneer een onwettigheid wordt vastgesteld, niet belet het verzoek tot schadevergoeding tot herstel te onderzoeken, voor zover voldaan is aan de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring op de dag waarop het wordt ingesteld”. Aan de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring moet dus alleszins voldaan zijn “op de dag waarop het wordt ingesteld”, wil het verzoek tot schadevergoeding onderzocht kunnen worden.
- Zoals uiteengezet in het feitenrelaas, heeft de Raad van State bij arrest nr. 254.911 van 27 oktober 2022 het beroep onontvankelijk verklaard, en verworpen, voor zover het gericht was tegen álle bestreden beslissingen die werden genomen in het kader van het tweede wervingsexamen. Aan een onderzoek van de regelmatigheid van die beslissingen is de Raad bijgevolg niet eens toegekomen. Een vordering tot schadevergoeding tot herstel is een accessorium van het annulatieberoep. Het vernietigingsberoep waarvan is vastgesteld dat het ab initio onontvankelijk is, kan bijgevolg geen aanleiding geven tot een ontvankelijk verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- Dat het debat bij arrest nr. 254.911 heropend is voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, spreekt deze conclusie niet tegen. Dit is enkel de toepassing van de procedureregels – artikel 25/3, § 1, tweede lid, van het algemeen procedurereglement – en maakt het net mogelijk om de vraag naar de ontvankelijkheid te onderwerpen aan het woord en wederwoord van de partijen. IX-9010-6/7
- Dat tegen de weigering tot deelname aan het tweede wervingsexamen eenzelfde middel is aangevoerd als het middel dat tegen de weigering tot deelname aan het eerste wervingsexamen gegrond is bevonden, doet aan de voormelde vaststelling dat het beroep nu eenmaal onontvankelijk is en de daaraan gekoppelde conclusie evenmin afbreuk.
- De exceptie, desnoods ambtshalve geherformuleerd, is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9010-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.737 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.806 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.911 citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170915.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div