← België

Arrest 258749 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.749 Rolnummer: A. 236443/X-18155 Zaak: Arrest 258749 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-23 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-06-10 21:11 Fiche Arrest nr 258.749 van 9 februari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.749 no lien 275401 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.749 van 9 februari 2024 in de zaak A. 236.443/X-18.155 In zake : C.W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Timmermans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Elzenstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de beroepsinstantie [inzake] openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie, afdeling openbaarheid van bestuur van het departement Kanselarij en buitenlandse zaken van 8 april 2022 met dossiernummer OVB/2022/072”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. X-18.155-1/7 Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 december
  3. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Peeters, die loco advocaat Alexander Timmermans verschijnt voor verzoekster, en advocaat Dieter Janssens, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 30 augustus 2021 heeft verzoekster voor een meergezinswoning te Antwerpen een omgevingsvergunningsaanvraag ingediend voor het aanleggen van een dakterras, het regulariseren van de gevelafwerking en het uitbreiden van de bouwdiepte met uitkragende terrassen.
  6. In het kader van het openbaar onderzoek worden een aantal bezwaarschriften ingediend.
  7. Op 3 november 2021 ontvangt de stad Antwerpen de vraag van verzoekster tot openbaarheid van de bezwaarschriften die in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag waren ingediend. X-18.155-2/7
  8. Op 22 november 2021 antwoordt de stad Antwerpen: “Op 22 november 2021 besliste de bedrijfsdirecteur Stadsontwikkeling om uw aanvraag goed te keuren mits het onleesbaar maken van de gegevens die raken aan de persoonlijke levenssfeer.” Er wordt ook melding gemaakt van de beroepsmogelijkheden bij de beroepsinstantie inzake de openbaarheid van bestuur (hierna: de beroepsinstantie).
  9. Op 9 maart 2022 – de omgevingsvergunningsaanvraag is intussen op 18 februari 2022 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen geweigerd – wendt verzoekster zich tot de beroepsinstantie. Zij beklaagt er zich over dat niet alle bladzijden van de betrokken bezwaarschriften met bijbehorende foto’s waren overgemaakt.
  10. Op 8 april 2022 verklaart de beroepsinstantie het beroep van verzoekster onontvankelijk wegens laattijdigheid : “In het beroepschrift stelt beroepster pas op 9 maart 2022 mondeling in kennis te zijn gesteld van het feit dat 1 van de 4 geanonimiseerde bezwaarschriften die op 22 november 2021 werden bezorgd uit 13 pagina’s bestaat in plaats van de ontvangen 4 pagina’s waarvan de paginanummering eveneens was zwart gemaakt. Dit gegeven neemt niet weg dat het schrappen van de paginanummering duidelijk zichtbaar was bij ontvangst op 22 november 2021 alsook de beroepsmodaliteiten die duidelijk werden vermeld in de beslissing. De beroepsinstantie kan voor de volledigheid wel bevestigen dat de door beroepster op 22 november 2021 ontvangen 4 pagina’s de volledige tekst van het ingediende bezwaar omvat. De overige weggelaten pagina’s omvatten enkel de in bijlage gevoegde foto’s die de stad, naar analogie met de uitspraak van de beroepsinstantie in vorig beroepsdossier OVB/2020/236, terecht heeft geanonimiseerd. Aan de hand van de positie van waaruit de foto’s werden genomen kan immers de identiteit van de beroepsindiener achterhaald worden. Het beroepschrift van 9 maart 2022 is weliswaar laattijdig ingediend en dan ook onontvankelijk.” Dit is de bestreden beslissing. X-18.155-3/7 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. In het eerste middel werpt verzoekster op dat de beroepsinstantie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gegeven dat de paginanummers onleesbaar zijn gemaakt, zodat verzoekster er redelijkerwijze van kon uitgaan dat zij alle pagina’s van de ontvangen bezwaarschriften had ontvangen. Volgens verzoekster is het onredelijk en onzorgvuldig om de beroepstermijn een aanvang te laten nemen op een moment dat verzoekster nog niet wist of kon weten dat het overgemaakte document onvolledig was. Om die redenen beroept zij zich op de miskenning van de formelemotiveringsplicht, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Beoordeling
  12. Overeenkomstig artikel II.48, § 1, van het bestuursdecreet van 7 december 2018 kan tegen een beslissing tot (gedeeltelijke) afwijzing van een openbaarheidsverzoek beroep worden ingesteld “binnen een termijn van dertig kalenderdagen” die ingaat “de dag nadat de beslissing verstuurd is”.
  13. Voor wat betreft de specifieke grief van verzoekster dat zij niet kon weten dat het overgemaakte document onvolledig was, heeft het auditoraatsverslag het volgende opgemerkt : “De verzoekster kan niet worden gevolgd in haar stelling dat ‘pas later’ zou blijken dat zij niet het volledige document had ontvangen. Immers wordt in de tekst van het bezwaar dat aan de verzoekende partij werd overgemaakt, expliciet verwezen naar genummerde foto’s. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij wil doen geloven, kon verzoekster dus wel degelijk op het moment dat zij het betrokken bezwaar ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.749 X-18.155-4/7 ontving, kennis nemen van het feit dat er in het betreffende bezwaarschrift verwezen werd naar stavende foto’s, en dat zij daarvan geen afschriften ontving.” De Raad ziet geen redenen om op dit punt tot een ander oordeel te komen, te meer nu verzoekster in haar laatste memorie geen poging heeft ondernomen om van het tegendeel te overtuigen.
  14. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  15. In het tweede middel wordt ingeroepen dat de bestreden beslissing niet nader verantwoordt op grond van welke specifieke uitzonderingsgevallen, vermeld in de decretale regeling inzake openbaarheid van bestuur, bepaalde informatie aan de vraag tot openbaarheid wordt onttrokken. Verzoeker verwijst ter zake ook naar de Algemene Verordening Gegevensbescherming en naar artikel 23 van het omgevingsdecreet. Beoordeling
  16. Het middel gaat eraan voorbij dat de beroepsinstantie het beroep onontvankelijk heeft verklaard, zodat er geen reden was om nog een onderzoek ten gronde uit te voeren.
  17. De bestreden beslissing heeft weliswaar “voor de volledigheid” bevestigd dat de weggelaten pagina’s enkel foto’s bevatten “die de stad, naar analogie met de uitspraak van de beroepsinstantie in vorig beroepsdossier OVB/2020/236, terecht heeft geanonimiseerd”. X-18.155-5/7 Het betreft evenwel een overtollig motief dat geenszins bepalend is voor de onontvankelijkheidsverklaring van het beroep. De wettigheidskritiek ter zake kan dan ook niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
  18. Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  19. In het derde middel poneert verzoekster dat zij in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag de kans moet krijgen om tegenspraak te voeren omtrent elk gegeven dat van aard is het oordeel van de vergunningverlenende overheid te kunnen beïnvloeden. Ter zake wordt de schending ingeroepen van “art. 6.1 EVRM”, “artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 tot uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”, en van “de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel”. Beoordeling
  20. Ook dit middel gaat eraan voorbij dat de beroepsinstantie het beroep onontvankelijk heeft verklaard, zodat er geen reden was om nog een onderzoek ten gronde uit te voeren.
  21. Bovendien heeft de geformuleerde kritiek betrekking op de tegenspraak die – volgens verzoekster – in het kader van de omgevingsvergunningsprocedure moet worden gevoerd. Een eventuele onwettige beoordeling van een omgevingsvergunningsaanvraag moet echter worden bestreden overeenkomstig de bepalingen van het omgevingsdecreet.
  22. Het derde middel wordt verworpen. X-18.155-6/7 V. Conclusie
  23. Daar geen van de aangevoerde middelen kan worden aangenomen, dient het beroep hoe dan ook te worden verworpen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep.
  25. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en, gelet op artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.155-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.749 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.