id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.751 Rolnummer: A. 235191/X-18045 Zaak: Arrest 258751 - Wegenwezen - 09/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-23 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-06-10 21:12 Fiche Arrest nr 258.751 van 9 februari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.751 no lien 275403 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.751 van 9 februari 2024 in de zaak A. 235.191/X-18.045 In zake : de VZW T.W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Van Walleghem kantoor houdend te 8980 Zonnebeke Ieperstraat 176 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de STAD HALLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
- de NV M.
- de NV R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Lippens kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-18.045-1/15 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 13 oktober 2021 tot verwerping van het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij tegen het besluit van de gemeenteraad van de stad Halle van 25 mei 2021 tot opheffing van delen van de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetwegen nr. 47 en nr. 68 (hierna: het bestreden ministerieel besluit) “en impliciet” van dit besluit van de gemeenteraad van de stad Halle (hierna: het bestreden gemeenteraadsbesluit). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is voorlopig toegestaan bij beschikking van 31 augustus
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. X-18.045-2/15 Advocaat Joris Van Walleghem, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Maarten Van Nieuwenhuyzen, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Wouter Rubens, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Jasper De Coster, die loco advocaat Astrid Lippens verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 5 oktober 2020 ontvangt de stad Halle een verzoekschrift tot opheffing van delen van twee gemeentewegen, meer bepaald de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetwegen nr. 47 en nr. 68, wegens dertigjarig niet-gebruik.
- In zitting van 24 november 2020 neemt de gemeenteraad van de stad Halle kennis van dit verzoekschrift en stelt het dertigjarig niet-gebruik van de betrokken weggedeeltes vast. De gemeenteraad gaat akkoord een procedure op te starten waarbij de wenselijkheid van een eventuele opheffing of verplaatsing van de twee gemeentewegen wordt onderzocht.
- De diensten van de stad Halle maken een dossier tot opheffing van de berokken weggedeeltes op en er worden schattingsverslagen van de eventuele meerwaarden opgesteld door een landmeter-expert. Volgens deze verslagen bedraagt de meerwaarde van de opheffing voor vier van de betrokken eigenaars nul euro en voor één eigenaar 60.000 euro. X-18.045-3/15
- In zitting van 23 februari 2021 neemt de gemeenteraad van de stad Halle kennis van het dossier en gaat hij over tot de voorlopige vaststelling van het ontwerp van grafisch plan tot opheffing van de berokken weggedeeltes. De in de schattingsverslagen voorgestelde meerwaarden worden overgenomen in het ontwerp.
- Tijdens het van 12 maart tot 11 april 2021 gehouden openbaar onderzoek dient onder meer de werkgroep T.W. Zuidwest-Brabant samen met de verzoekende partij een bezwaarschrift in (hierna: verzoekers bezwaarschrift), waarin onder meer de vaststelling van de meerwaarden wordt bekritiseerd.
- In zitting van 25 mei 2021 stelt de gemeenteraad van de stad Halle het grafisch plan tot opheffing van de berokken weggedeeltes definitief vast. Dit is het bestreden gemeenteraadsbesluit. In dit besluit wordt de meerwaarde voor vier van de betrokken eigenaars bepaald op nul euro en voor één eigenaar op 60.000 euro en wordt verzoekers bezwaarschrift gemotiveerd weerlegd. 9.
- Op 16 juni 2021 dient de verzoekende partij tegen het bestreden gemeenteraadsbesluit bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. 9.
- In haar beroepsschrift voert de verzoekende partij volgende grief aan (hierna: de grief inzake de meerwaarden): “Er is geen inhoudelijke weerlegging van het bezwaar neergelegd door de werkgroep [T.W.] Zuidwest-Brabant samen met onze vzw inzake de berekening van de meerwaarde […]. De vijf schattingsverslagen, bij elkaar gelezen, geven alle schijn van een vooraf gemaakte afspraak. Hierbij maakt de [eigenaar] die het meest zal winnen bij de afschaffing van de gemeenteweg een kleine toegeving (€ 60.000; een habbekrats t.o.v. door de opheffing van de gemeenteweg 47/68 mogelijk geworden ontwikkeling van het bedrijventerrein) en worden de andere betrokken [eigenaars] mee over de streep getrokken door het vooruitzicht dat ze geen meerwaarde zullen moeten betalen. De lage meerwaarde voor [de eerstgenoemde eigenaar] en de meerwaarde van nul euro voor de andere eigenaars […] is een schending van art. 28 §2 GWD, tweede lid […].” X-18.045-4/15 10.
- Op 13 oktober 2021 verwerpt de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken het bestuurlijk beroep. Dit is het bestreden ministerieel besluit. 10.
- Met betrekking tot de grief inzake de meerwaarden stelt het bestreden ministerieel besluit: “Overwegende dat de beroepsindiener […] van oordeel is dat de bestreden beslissing dient vernietigd te worden aangezien de bestreden beslissing en de hier mee verbonden berekening van de meerwaarde in strijd zou zijn met artikel 28, § 2 van het Gemeentewegendecreet […]. Overeenkomstig artikel 25, § 2 kan de Vlaamse regering het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van de gemeenteweg(en) alleen vernietigen: 1° wegens strijdigheid met dit decreet, in het bijzonder de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4; 2° wegens strijdigheid met het eventuele gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van dit decreet; 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. De Vlaamse regering dient vast te stellen dat de derde beroepskritiek betrekking heeft op artikel 28, § 2 van het Decreet Gemeentewegen hetwelk betrekking heeft op de berekening van de meerwaarde bij opheffing van een gemeenteweg. Er dient evenwel op te worden gewezen dat de Vlaamse regering gebonden is aan en enkel bevoegd is voor de toetsingsgronden uit artikel 25, § 2 van het Decreet Gemeentewegen zodat om deze reden [de grief inzake de meerwaarden] niet wordt onderzocht door de Vlaamse regering.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Aangevoerde exceptie
- In haar memorie van antwoord voert de eerste verwerende partij volgende exceptie aan: “Uw Raad is […] niet bevoegd om kennis te nemen van het vernietigingsberoep in de mate dit gericht is tegen [het gemeenteraadsbesluit]. Uitsluitend de Vlaamse Regering is daartoe bevoegd gemaakt ingevolge artikel 24,§1 van het [gemeentewegendecreet].” X-18.045-5/15
- Het feit dat artikel 24 van het gemeentewegendecreet een bestuurlijk annulatieberoep bij de Vlaamse regering mogelijk heeft gemaakt doet niet af aan de bevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van het beroep dat samen met het ministerieel besluit ook het gemeenteraadsbesluit viseert.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen 14.
- In de aangevoerde middelen voert de verzoekende partij onder meer de schending aan van artikel 25 van het gemeentewegendecreet en van de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. 14.
- Wat het bestreden gemeenteraadsbesluit betreft, stelt de verzoekende partij dat haar tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift niet met duidelijke redenen is weerlegd. 14.
- Wat het bestreden ministerieel besluit betreft, licht de verzoekende partij toe dat de in haar beroepsschrift bij de Vlaamse regering vervatte grief inzake de meerwaarden ten onrechte terzijde is gelaten in het bestreden ministerieel besluit. Zij meent dat de minister een te beperkte interpretatie geeft aan haar bevoegdheid ter zake. De vaststelling dat de grief betrekking heeft op artikel 28, § 2, van het gemeentewegendecreet kan niet verantwoorden dat hij niet wordt onderzocht. De verzoekende partij wijst er op dat de decreetgever verwacht dat de belangenafweging omtrent het gemeentelijk wegennet in de eerste plaats het algemeen belang op het oog heeft. Haar niet door de minister beoordeelde grief heeft betrekking op de berekening van de waardevermeerdering en aangezien dit ook mee voorwerp uitmaakt van het openbaar onderzoek valt niet in te zien waarom de minister zich hierover niet zou kunnen uitspreken. X-18.045-6/15 15.
- In hun memories van antwoord voeren de verwerende partijen, wat het bestreden gemeenteraadsbesluit betreft, de exceptio obscuri libelli aan. Volgens hen bevat het verzoekschrift geen duidelijke en nauwkeurige uiteenzetting van de wijze waarop dit besluit de aangevoerde rechtsregels zou schenden. 15.2.
- Wat het bestreden ministerieel besluit betreft, voeren de verwerende partijen vooreerst aan dat de middelen niet ontvankelijk zijn. Volgens de eerste verwerende partij maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat haar maatschappelijk doel door het bestreden ministerieel besluit kan worden geraakt, noch dat de bestrijding van de waardevermeerderingsvergoeding noodzakelijk is voor het realiseren van haar statutair doel. Zij is immers geen eigenaar van de percelen die gelegen zijn aan de opgeheven voetwegen en die in aanmerking komen voor een eventuele waardevermeerdering. Gezien de statuten van de verzoekende partij behelst haar belangeloos doel de versterking van het netwerk van trage wegen en autoluwe wegen. De eerste verwerende partij ziet niet in op welke wijze de vergoedingsregeling inzake (eventuele) waardevermeerderingen overeenkomstig artikel 28 van het gemeentewegendecreet kan kaderen in dit statutair doel, minstens toont de verzoekende partij dit niet (afdoende) aan. De tweede verwerende partij voegt er aan toe dat de in artikel 28 van het gemeentewegendecreet bedoelde vergoedingsplicht enkel de betrokken wegbeheerder (hier: de stad Halle) alsook de eigenaars van de percelen in kwestie aanbelangt, zonder dat een derde partij de mogelijkheid heeft de geraamde vergoedingen te betwisten. Daarnaast wijzen de verwerende partijen er op dat een dispuut aangaande de waardevermeerderingsvergoeding een dispuut in verband met subjectieve rechten betreft. Krachtens artikel 144 van de Grondwet is de Raad van State onbevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft daar dergelijke geschillen tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.751 X-18.045-7/15 behoren. In casu betreft het rechtstreeks voorwerp een geschil over een subjectief recht waardoor de Raad van State niet lijkt te kunnen beschikken over de vereiste rechtsmacht. 15.2.
- Ten gronde voeren de verwerende partijen in hun memories van antwoord aan dat de minister bij de behandeling van een bestuurlijk beroep tegen een gemeenteraadsbeslissing tot opheffing van een gemeenteweg louter kan oordelen op grond van het gemeentewegendecreet en de daarin vastgelegde doelstellingen en principes, het eventuele gemeentelijke beleidskader en afwegingskader en de voorgeschreven substantiële vormen. Gelet op artikel 25, § 2, van het gemeentewegendecreet is in het bestreden ministerieel besluit op terechte wijze geoordeeld dat de minister zich geenszins kan uitspreken over de waardevermeerderingsvergoeding ex artikel 28 van het decreet. In artikel 25, § 2, staat immers expliciet neergeschreven dat het gemeenteraadsbesluit tot opheffing van de gemeenteweg alleen kan worden vernietigd wegens een strijdigheid met de doelstellingen en principes vermeld in de artikelen 3 en 4, wegens een strijdigheid met het gemeentelijk beleids- en afwegingskader in artikel 6 en tot slot wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. De Vlaamse regering heeft zich zodoende terecht onbevoegd geacht om te oordelen over de waardevermeerderingsvergoeding aangezien deze vergoedingsregeling noch strijdig kan bevonden worden met de artikelen 3 en 4 van het gemeentewegendecreet, noch met artikel 6 en evenmin een niet-naleving van een substantiële vormvereiste ex artikel 25 van datzelfde decreet uitmaakt. Uit de structuur van artikel 25 – met verwijzing naar de pertinente bepalingen – en op grond van de letterlijke bewoordingen van het artikel zelf, blijkt dat de intentie van de decreetgever van die aard is dat het georganiseerd administratief beroep geenszins openstaat voor alle bepalingen uit het gemeentewegendecreet. De tweede verwerende partij voegt er nog aan toe dat het feit dat de decreetgever aan de Vlaamse regering een beperkte toetsingsbevoegdheid heeft toegekend te verklaren is door de volheid van bevoegdheid waarover de gemeenteraad beschikt voor aangelegenheden van gemeentelijk belang, waaronder de zaak van de wegen. Volgens de tweede verwerende partij heeft de verzoekende partij in haar beroepsschrift alleen aangevoerd dat de geraamde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.751 X-18.045-8/15 meerwaardevergoedingen ontoereikend waren. In dergelijke omstandigheden werd geen vermeende strijdigheid met het gemeentewegendecreet voorgelegd, reden waarom de eerste verwerende partij zich terecht onbevoegd verklaarde. Geenszins komt het aan de eerste verwerende partij toe om in graad van beroep de raming door een landmeter-expert te controleren of te hervormen, zodat artikel 25 van het gemeentewegendecreet en de daarin toegekende toetsingsbevoegdheid wel degelijk correct werden toegepast door de eerste verwerende partij.
- In hun memorie stellen de tussenkomende partijen dat er geen enkele bepaling is die de minister verplichtte om beweerdelijke schendingen van artikel 28, § 2, van het gemeentewegendecreet te onderzoeken. Het bewijs van een dergelijke bepaling wordt evenmin door de verzoekende partij geleverd. Voorts benadrukken de tussenkomende partijen dat de hoven en rechtbanken, op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, in beginsel exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten zodat de Raad van State met betrekking tot geschillen die een subjectief recht tot voorwerp hebben onbevoegd is.
- In haar laatste memorie wijst de verzoekende partij er op dat het bepalen van de meerwaarden belangrijk is voor de gemeentelijke financiën en meer bepaald voor de vergoedingen die de gemeente dreigt mis te lopen en zo niet kan uitgeven aan het onderhoud van trage wegen.
- In haar laatste memorie stelt de eerste verwerende partij dat de inhoudelijke beoordeling van de berekening van de waardevermeerdering niet kan vallen onder de vernietigingsgrond van artikel 25, § 2, van het gemeentewegendecreet aangezien de zinsnede “wegens strijdigheid met dit decreet” moet worden geïnterpreteerd als zijnde een mogelijke schending van procedurele aspecten van dit decreet.
- In haar laatste memorie benadrukt de tweede verwerende partij de manifeste laattijdigheid van de bewering in de laatste memorie van de verzoekende partij dat het bepalen van de meerwaarden belangrijk is voor de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.751 X-18.045-9/15 gemeentelijke financiën en meer bepaald voor de vergoedingen die de gemeente dreigt mis te lopen en zo niet kan uitgeven aan het onderhoud van trage wegen. Dergelijke stelling diende in het inleidend verzoekschrift te worden uiteengezet. Beoordeling 20.
- De in randnummer 15.1 bedoelde exceptie met betrekking tot het bestreden gemeenteraadsbesluit dient te worden aangenomen daar het verzoekschrift niet verduidelijkt in welke zin dit besluit verzoekers bezwaarschrift onvoldoende zou weerleggen. Het komt de Raad van State niet toe het tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschrift zelf te onderzoeken en na te gaan op welke punten al dan niet afdoende is geantwoord. Het middel is niet deugdelijk geadstrueerd aangezien de verzoekende partij nalaat de in het gemeenteraadsbesluit uitgedrukte motieven te bekritiseren. De stelling in de laatste memorie van de verzoekende partij dat “er hier duidelijk gebrek [is] aan inhoudelijke argumentatie ter weerlegging van de geformuleerde opmerkingen” vermag de tekortkoming in het verzoekschrift niet goed te maken. 20.
- De middelen worden hierna onderzocht in zoverre ze betrekking hebben op het bestreden ministerieel besluit.
- Het gemeentewegendecreet luidt: “[…] Artikel 3 - Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op: 1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau; 2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak. Artikel 4 - Bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes: 1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang; 2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd; X-18.045-10/15 3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen; 4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; 5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. […] Artikel 24 - §
- Tegen […] het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg overeenkomstig artikel 21, § 5, kan een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing tot de dag na de datum van de beslissing in beroep. Het beroep leidt tot de annulatie van het bestreden besluit of tot de afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan. §
- Het beroep, vermeld in paragraaf 1, kan door de volgende belanghebbenden worden ingesteld: 1° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, of elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de beslissing tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk rooilijnplan of de opheffing van de gemeenteweg; 2° het college van burgemeester en schepenen van de aanpalende gemeenten, op voorwaarde dat het nieuwe, gewijzigde, verplaatste of op te heffen wegdeel paalt aan de gemeentegrens en deel uitmaakt van een gemeentegrensoverschrijdende verbinding, en voor zover de gemeente in kwestie tijdig advies heeft verstrekt of ten onrechte niet om advies werd verzocht; 3° de deputatie en de leidend ambtenaar van het departement of, bij zijn afwezigheid, zijn gemachtigde, op voorwaarde dat ze tijdig advies hebben verstrekt of ten onrechte niet om advies werden verzocht. §
- Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid met een beveiligde zending ingediend bij de Vlaamse Regering binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag nadat de beslissing overeenkomstig artikel 22, tweede en derde lid, werd betekend. […] Artikel 25 - §
- De Vlaamse Regering neemt een beslissing over het beroep binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het dossier, vermeld in artikel 24, §
- Die termijn is een termijn van orde. De Vlaamse Regering brengt de indiener van het beroepschrift en de gemeente onmiddellijk op de hoogte van haar beslissing. §
- Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg kan alleen worden vernietigd: 1° wegens strijdigheid met dit decreet, in het bijzonder de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4; X-18.045-11/15 2° wegens strijdigheid met het eventuele gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van dit decreet; 3° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. §
- Als de Vlaamse Regering het beroep heeft verworpen, wordt het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan of het besluit tot opheffing van de gemeenteweg bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het besluit heeft uitwerking veertien dagen na bekendmaking. […] Artikel 28 - §
- De aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg geeft aanleiding tot een waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is. De vergoeding voor waardevermindering is verschuldigd door de gemeente aan de eigenaar van de grond in kwestie. De vergoeding voor waardevermeerdering is verschuldigd door de eigenaar van de betrokken grond en komt ten goede aan de gemeente. […] §
- De waardevermindering of de waardevermeerdering wordt vastgesteld door een landmeter-expert, aangesteld door de gemeente. Bij betwisting door de eigenaar wordt de waardevermindering of de waardevermeerdering vastgesteld door een college dat bestaat uit de landmeter-expert die de gemeente heeft aangesteld en een landmeter-expert die de eigenaar aanstelt. Bij de berekening van de waardevermindering of de waardevermeerdering wordt onder meer rekening gehouden met het verschil in venale waarde, de gelijke behandeling van burgers voor de openbare lasten opgelegd in het kader van het algemeen belang, de bestaande openbare en private erfdienstbaarheden, en de vigerende overheidsbesluiten over het grondgebruik. De waardevermeerdering wordt geacht nihil te zijn als de gemeenteweg in de feiten verdwenen is, omdat infrastructuren door of in opdracht van de overheid zijn aangelegd of omdat de gemeenteweg werd bebouwd krachtens een rechtsgeldige, niet-vervallen vergunning die werd verleend vóór 1 september
- Waardeverminderingen en waardevermeerderingen ingevolge wijzigingen of verplaatsingen van een gemeenteweg op een goed van dezelfde eigenaar door de toepassing van dit decreet worden geacht elkaar te neutraliseren. […].”
- De aangevoerde middelen stellen uitsluitend de vraag aan de orde of het bestreden ministerieel besluit terecht geoordeeld heeft dat de in het bestuurlijk beroepsschrift van de verzoekende partij vervatte grief inzake de meerwaarden “niet wordt onderzocht”. Aldus betreft het rechtstreeks voorwerp geenszins een geschil over een subjectief recht waarover specifiek de verzoekende partij zou beschikken. X-18.045-12/15 Met de middelen appelleert de verzoekende partij aan de waarborg die haar is ontnomen omdat haar grieven niet door de minister zijn onderzocht. Bovendien is niet uit te sluiten dat de vaststelling van de meerwaarden voor de gemeente bepalend is geweest voor de bestreden opheffing van de weggedeeltes. Uit het voorgaande volgt dat de in randnummer 15.2.1 weergegeven excepties verworpen moeten worden.
- Artikel 25, § 2, 1°, van het gemeentewegendecreet kent de Vlaamse regering de bevoegdheid toe het besluit van de gemeenteraad tot opheffing van een gemeenteweg te vernietigen “wegens strijdigheid met dit decreet”, daaronder verstaan het gemeentewegendecreet. De door deze bepaling toegekende toetsingsbevoegdheid strekt zich uit tot alle artikelen van het gemeentewegendecreet en is niet beperkt tot de daarin “in het bijzonder” vermelde doelstellingen en principes, noch is er enige grond voor de in de laatste memorie van de eerste verwerende partij geopperde stelling dat die bevoegdheid zich zou dienen te beperken tot “de procedurele aspecten”. Daar het in de grief inzake de meerwaarden geschonden geachte artikel 28 een bepaling is van het gemeentewegendecreet, is het onterecht dat in het bestreden ministerieel besluit is geoordeeld dat hij “niet wordt onderzocht”. De middelen zijn in de aangegeven mate gegrond, zodat het bestreden ministerieel besluit moet worden vernietigd. VI. Kosten
- De kosten komen ten laste van de eerste verwerende partij, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de verzoekende partij. Terecht echter vraagt de tweede verwerende partij om de verzoekende partij tot de basisrechtsplegingsvergoeding lastens haar te veroordelen. Het beroep tegen het bestreden gemeenteraadsbesluit – zijnde de beslissing waarvoor de tweede verwerende partij te dezen verantwoordelijkheid draagt en als de verwerende partij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.751 X-18.045-13/15 optreedt – wordt immers niet ingewilligd. De tweede verwerende partij dient ten aanzien van de verzoekende partij dan ook als de in het gelijk gestelde partij te worden beschouwd. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 13 oktober 2021 tot verwerping van het bestuurlijk beroep van de vzw T.W. tegen het besluit van de gemeenteraad van de stad Halle van 25 mei 2021 tot opheffing van delen van de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetwegen nr. 47 en nr.
- De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De eerste verwerende partij wordt verwezen in de betaling van het rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De verzoekende partij wordt veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro die verschuldigd is aan de stad Halle. De verzoekende partijen in tussenkomst worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro. X-18.045-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.045-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div