← België

Arrest 258804 - ION - Aanwerving en loopbaan - 13/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.804 Rolnummer: A. 236501/AGAV-156 Zaak: Arrest 258804 - ION - Aanwerving en loopbaan - 13/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-06-18 09:42 Fiche Arrest nr 258.804 van 13 februari 2024 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.804 no lien 275586 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.804 van 13 februari 2024 in de zaak A. 236.501/IX-10.042 In zake : de NV PQ BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Wauters en Dominique Blommaert kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sebastiaan De Meue en Nicolas Bonbled kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. Het verzoekschrift, ingediend op 24 mei 2022, strekt tot de toekenning van een herstelvergoeding “voor buitengewone materiële schade, veroorzaakt door de Belgische Staat ingevolge artikel 1, §5 van het Ministerieel Besluit van 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken en artikel 6, §1 van het Ministerieel Besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken”. IX-10.042-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
  3. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leontien Beernaert, die loco advocaten Kris Wauters en Dominique Blommaert verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster zet uiteen dat zij de uitbater is van 32 restaurants gekend onder de bedrijfsnaam ‘Le Pain Quotidien’ en dat haar inrichtingen ten gevolge van COVID-19 – en meer bepaald de beperkingen op de bedrijfsactiviteiten die werden opgelegd bij het ministerieel besluit van 18 maart 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.804 IX-10.042-2/6 COVID-19 te beperken’ en het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 met hetzelfde opschrift – belangrijke financiële nadelen hebben geleden. Verzoekster raamt de door haar geleden schade op 7.511.866 euro. Die schade, aldus verzoekster, overstijgt het redelijke ondernemingsrisico en is een opoffering die verder gaat dan die welke redelijkerwijze kan worden verwacht in een vredelievende samenleving. 3.
  6. Op 6 mei 2021 richt verzoekster middels haar raadslieden een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken. Daarin vraagt zij dat de hiervóór genoemde schade zou worden vergoed. De minister antwoordt op 17 augustus 2021: “[…] Vooreerst dien ik erop te wijzen dat alle maatregelen die werden getroffen in het kader van de strijd tegen het coronavirus zijn ingegeven door de evolutie van de epidemiologische situatie en tot doel hebben om de besmetting met en de verdere verspreiding van de Covid-19-pandemie te beperken, waarbij een bijzonder complexe afweging van concurrerende belangen moet worden gemaakt. De getroffen maatregelen worden gerechtvaardigd door de ernst van de gezondheidscrisis. Bewust van de hieruit voortvloeiende moeilijkheden die dit met zich meebrengt voor bedrijven en zelfstandigen, hebben de federale overheid en de deelstaten tal van maatregelen genomen die de gevolgen van de gezondheidscrisis voor de ondernemingen dienen te verzachten en de financiële schade dienen te beperken. Voorts kan voor de goede orde in dit verband worden toegelicht dat voormelde maatregelen, waaronder deze getroffen onder artikel 6, § 1, tot stand komen in het kader van het gezamenlijk overleg binnen de schoot van het Overlegcomité waarbij in consensus wordt beslist, en het ministerieel besluit hiervan louter de vertaalslag vormt. In uw schrijven maakt u evenwel geen melding van de nochtans talrijke steunmaatregelen die tijdens de coronacrisis ten aanzien van o.m. de horeca door de federale regering werden getroffen en waarop uw cliënten derhalve beroep konden doen. Deze worden weliswaar niet meegenomen in de begroting van de schade. Voor zover de voormelde steunmaatregelen naar de mening van uw cliënten niet zouden volstaan, lijkt het aangewezen dat u zich in eerste instantie tot de bevoegde diensten in dit verband wendt. Voor de goede orde kan nog worden toegelicht dat uw cliënten gedurende de afgelopen maanden hun inkomsten blijvend konden genereren door [bv.] de organisatie van take away, hetgeen ook zij deden, en zij sinds ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.804 IX-10.042-3/6 8 mei 2021 en a fortiori sinds 9 juni 2021, in elk geval, naast de organisatie van take away, hun normale bedrijfsactiviteiten konden hervatten. Het tegendeel wordt door u in elk geval niet aangetoond. Louter volledigheidshalve en ten overvloede verwijs ik tot slot naar de intussen talrijk bevestigende rechtspraak van zowel de Raad van State als de burgerlijke hoven en rechtbanken, alsook de adviesverlening van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, op basis waarvan de wettigheid en de dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, en derhalve met inbegrip van de grondslag ervan en mijn bevoegdheid tot het nemen van deze maatregelen, werd bevestigd. Inderdaad werden de maatregelen dusver, met inbegrip van artikel 6, § 1 (zoals thans weliswaar gewijzigd), niet geschorst, noch vernietigd. Het bestaan van enige fout in hoofde van de Belgische Staat, dat in beginsel o.m. vereist is, wordt derhalve niet aangetoond. In het licht van het voorgaande kan derhalve niet worden ingegaan op uw individueel verzoek tot herstel van de schade namens uw respectieve cliënten.” 3.
  7. Er volgt dan tussen september 2021 en april 2022, in het kader van de openbaarheid van bestuur, nog briefwisseling met de eerste minister, met de federale Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten, met de minister-president van de Vlaamse regering, met de minister van Binnenlandse Zaken en met de minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen. 3.
  8. Met een brief van 15 februari 2022 aan de minister van Binnenlandse Zaken herhaalt verzoekster haar vraag tot schadeloosstelling, ditmaal verwijzend naar artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-Wet). De minister antwoordt op 24 maart 2022 dat aan het verzoek geen gevolg kan worden gegeven en dat verzoekster zich overeenkomstig het voormelde artikel 11 tot de Raad van State kan wenden. IV. Rechtsmacht van de Raad van State
  9. In het auditoraatsverslag wordt de exceptie van de verwerende partij bijgevallen dat de Raad van State geen rechtsmacht (meer) heeft om kennis te IX-10.042-4/6 nemen van de voorliggende vordering tot herstelvergoeding omdat de aan artikel 11 RvS-Wet ten grondslag liggende ‘gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten’ het statuut heeft gekregen van een algemeen rechtsbeginsel, dat ook door de hoven en rechtbanken kan worden gehanteerd om schadevergoeding toe te kennen, wat de residuaire bevoegdheid van de Raad van State uitsluit.
  10. De vraag rijst derhalve of een nieuwe juridische toestand is geschapen die zou inhouden dat de vroegere rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot zijn bevoegdheid om kennis te nemen van beroepen tot toekenning van een herstelvergoeding op grond van artikel 11 RvS-Wet, moet worden geëvalueerd.
  11. Met het oog op de eenheid van rechtspraak is er dan ook reden om de zaak voor te leggen aan de Voorzitster van de Raad van State, die de verantwoordelijkheid heeft over de afdeling Bestuursrechtspraak, voor een eventueel bevel, overeenkomstig artikel 92, § 1, eerste lid, RvS-Wet, tot verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak. BESLISSING
  12. De Raad van State heropent het debat.
  13. De zaak wordt voorgelegd aan de Voorzitster van de Raad van State, die de verantwoordelijkheid heeft over de afdeling Bestuursrechtspraak. IX-10.042-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.042-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.804 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.199 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.002 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.200 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.