← België

Arrest 258813 - Overheidsopdrachten - 13/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.813 Rolnummer: A. 240990/XII-9458 Zaak: Arrest 258813 - Overheidsopdrachten - 13/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-05 06:55 Fiche Arrest nr 258.813 van 13 februari 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.813 no lien 275952 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 258.813 van 13 februari 2024 in de zaak A. 240.990/XII-9458 In zake: de NV METALCED bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Verhaegen kantoor houdend te 2970 Schilde Vloeyenbergdreef 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Ian Arnouts en Vybe Gesquiere kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 januari 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “- de beslissing van de dienst Procurement van de Federale Politie om inzake de overheidsopdracht gekend als Procurement 2024 R3 603 de offerte van verzoekster nietig te verklaren - de beslissing van de dienst Procurement van de Federale Politie om de overheidsopdracht gekend als Procurement 2024 R3 603 niet te sluiten.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari
  3. XII-9458-1/16 Staatsraad Inge Vos heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Schutt, die loco advocaat Koen Verhaegen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Ian Arnouts en Vybe Gesquière, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De federale politie schrijft een overheidsopdracht uit met als voorwerp ‘meerjarige raamovereenkomst van leveringen voor de aankoop van hefbruggen en toebehoren’. Er wordt als plaatsingsprocedure gekozen voor een openbare procedure. In het verzoek tot voorafgaand akkoord van 20 juli 2023 wordt de waarde van de opdracht geraamd op 621.487,60 euro (btw niet inbegrepen) of 752.000,00 euro (btw inbegrepen). De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt en omvat 8 percelen. De aankondiging vermeldt als geraamde waarde van de opdracht 752.000 euro (btw niet inbegrepen) en als maximumwaarde van de raamovereenkomst 6.016.000 euro. Zowel de vermelding bij het eerste bedrag dat het gaat om een bedrag btw niet inbegrepen, als het bedrag van de maximumwaarde van de raamovereenkomst betreffen volgens de verwerende partij materiële vergissingen. XII-9458-2/16 3.
  6. In het op de opdracht toepasselijk bestek wordt de aandacht van de inschrijvers gevestigd op artikel 44, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017) dat bepaalt dat het indieningsrapport van de aanvraag tot deelneming of van de offerte, moet worden ondertekend door de persoon of personen die bevoegd of gemachtigd zijn om de inschrijver te verbinden. Daarbij worden ook een aantal “essentiële opmerkingen” gemaakt met betrekking tot deze wettelijke bepaling, waarbij onder meer gesteld wordt dat de ondertekening van een offerte in het kader van een overheidsopdracht niet automatisch valt onder het dagelijks bestuur. De ondertekening van de offerte komt daarnaast nog uitvoerig aan bod onder punt 6.b

(2)van het bestek. Het bestek bepaalt voorts dat het een opdracht tegen prijslijst betreft. De geschatte en maximale hoeveelheden voor de duur van de opdracht worden onder punt 3.e van het bestek bij wijze van inlichting als volgt weergegeven in een tabel: “ .” XII-9458-3/16 Inzake de aanvang en de duur van de opdracht bepaalt punt 3.f van het bestek het volgende: “De overheidsopdracht zal tot stand komen op de dag na de datum van de notificatiebrief en zal eindigen op de laatste dag van het trimester dat het aflopen van het vierde
(4e)jaar van de opdracht voorafgaat. De exacte einddatum van de opdracht zal in de notificatiebrief vermeld worden. Onverminderd de gevallen van verbreking zoals voorzien in de artikelen 47, § 2, 1°, 61, 62 en 62/1 van het [koninklijk besluit van 14 januari 2013 ‘tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten’] of in één van de herzieningsclausules van de opdracht, eigent de aanbestedende overheid zich het recht toe de overheidsopdracht geheel of gedeeltelijk jaarlijks op te zeggen bij het eindigen van het lopende burgerlijke jaar, mits een vooropzeg van twee
(2)maanden, te betekenen bij aangetekend schrijven aan de begunstigde. De opzegging geeft geen recht op vergoeding aan de begunstigde.” Voorts is punt 7 ‘Gunning en sluiten van de opdracht’ te dezen relevant, waarin het volgende wordt gesteld: “In toepassing van Art 85 van de wet, kan de Aanbestedende Overheid te allen tijde afzien van het gunnen of sluiten van de opdracht of de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze. In toepassing van Art 58 van de wet, kan de Aanbestedende Overheid wanneer het een opdracht met verschillende percelen betreft, afzien van het gunnen van bepaalde percelen of van de volledige opdracht. Het volgen van een procedure houdt immers geen verplichting in om de opdracht te gunnen of te sluiten. De stopzetting van de procedure geeft de inschrijvers bijgevolg geen enkel recht op enige vergoeding of andere aanspraak.” 3.
  1. Twee inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, dienen een offerte in voor de acht percelen. 3.4 In het kader van het onderzoek van de regelmatigheid van de offertes stelt de verwerende partij vast dat er een onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de ondertekening van de offerte van de verzoekende partij. Met e-mailberichten van 13 november, 20 november en 8 december 2023 vraagt de verwerende partij aan de verzoekende partij bijkomende documenten te bezorgen die de ondertekeningsbevoegdheid kunnen staven. Met e-mailberichten van XII-9458-4/16 14 november, 5 december en 18 december 2023 heeft de verzoekende partij de vragen van de verwerende partij beantwoord en een aantal bijkomende documenten bezorgd. 3.
  2. Op 28 december 2023 wordt een verslag van niet-gunning opgesteld, waarin onder het voorwerp van de opdracht vooreerst wordt vastgesteld dat er twee offertes werden ingediend voor de acht percelen, maar dat de offerte van de verzoekende partij niet rechtsgeldig ondertekend is en bijgevolg onregelmatig. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de raming, waarbij de bedragen vermeld in het verzoek tot voorafgaand akkoord worden hernomen, en, wat de loten 1 tot 8 betreft, wordt opgemerkt dat de federale politie in 2024 niet meer over een voldoende budget beschikt om de opdracht te gunnen, om welke reden de voorliggende raamovereenkomst het voorwerp uitmaakt van een niet-gunning van de opdracht. Daarbij wordt ook verwezen naar een e-mailbericht van 20 december
  3. Overeenkomstig artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016) wordt voorgesteld om de raamovereenkomst voor de loten 1 tot 8 niet te sluiten. 3.
  4. Op 3 januari 2024 beslist de verwerende partij om de percelen 1 tot 8 van de raamovereenkomst niet te sluiten. In de gemotiveerde beslissing wordt onder punt 2 ‘Analyse van de offertes’ het volgende opgemerkt: “2.
  5. Onregelmatigheid van de offerte van Metalced Tijdens ons onderzoek naar de regelmatigheid van de offerte van het bedrijf Metalced SA, merkten we op dat het indieningsrapport van de offerte was ondertekend door [R.V.]. Na analyse vonden we geen enkel document dat aantoont dat de handtekening van [R.V.] alleen volstaat om het bedrijf te binden. Volgens artikel 20 van de statuten van het bedrijf Metalced SA ligt de bevoegdheid van externe vertegenwoordiging bij de voorzitter van de raad van bestuur, maar er is geen document dat aantoont dat [R.V.] deze functie bekleedde toen hij de offerte ondertekende. Op 13 november 2023 hebben wij de inschrijver verzocht ons documenten te bezorgen die de tekenbevoegdheid van [R.V.] bewijzen. Aangezien de op XII-9458-5/16 14 november 2023 ontvangen documenten niet volstonden om het bewijs te leveren, herhaalden wij ons verzoek op 20 november
  6. Op 05 december 2023 ontvingen wij nog twee documenten die onvoldoende werden geacht. Op 08 december 2023 stuurden wij een derde en laatste verzoek. Op 18 december 2023 deelde het bedrijf Metalced SA ons mee dat zij de nodige stappen zou ondernemen om haar statuten te verduidelijken en bood zij aan om haar offerte, ondertekend door alle leden van de raad van bestuur, aan ons terug te sturen, wat onwettig is in een open procedure, aangezien dit neerkomt op het indienen van een nieuw, naar behoren ondertekend offerte. Krachtens artikel 44, §1, eerste lid van het Koninklijk Besluit van 18 april 2017 is de offerte van het bedrijf Metalced SA niet rechtsgeldig ondertekend en bijgevolg onregelmatig. Overeenkomstig artikel 76, §1, vierde lid, 2° van het KB van 18 april 2017 en §3 van hetzelfde artikel is de vastgestelde onregelmatigheid substantieel en wordt de offerte van het bedrijf Metalced SA bijgevolg nietig verklaard.” Punt 3 ‘Algemeen besluit’ van de gemotiveerde beslissing luidt als volgt: “Krachtens artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 heeft de federale politie beslist percelen 1 tem 8 van de raamovereenkomst nr Procurement 2024R3603 niet te sluiten om de volgende reden: In 2024 zal de federale politie niet langer over voldoende budgetten beschikken om dit dossier te sluiten.” Punt 4 ‘Beslissing’ van de gemotiveerde beslissing luidt als volgt: “Gelet op bovenvermelde motieven beslist de aanbestedende overheid: - dat de offerte van de firma Metalced NV nietig is; - krachtens artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 percelen 1 tem 8 van de raamovereenkomst nr Procurement 2024R3603 niet te sluiten.” 3.
  7. Met een aangetekend schrijven van 3 januari 2024 en een e-mailbericht van 5 januari 2024 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de verwerende partij besloten heeft om af te zien van de gunning van percelen 1 tot 8 van de voormelde raamovereenkomst en wordt haar een kopie bezorgd van de gemotiveerde beslissing. XII-9458-6/16 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  8. Wat de regelmatigheid van de rechtspleging betreft, merkt de verzoekende partij ter terechtzitting op dat de verwerende partij geen volledig administratief dossier heeft ingediend. Zo zou de verwerende partij nagelaten hebben om het e-mailbericht van 20 december 2023, waarnaar verwezen wordt in het verslag van niet-gunning, toe te voegen aan het administratief dossier. De verwerende partij betoogt ter terechtzitting dat het slechts een intern e-mailbericht betreft waarin niet ingegaan wordt op de bedragen, om welke reden het niet toegevoegd werd aan het administratief dossier. 4.
  9. Het administratief dossier dient alle stukken te omvatten die tijdens de administratieve voorbereiding van de bestreden beslissing zijn bijeengebracht, met inbegrip van alle stukken die volgens de wet- en regelgeving met het oog op het nemen van die beslissing moesten worden opgesteld. Het komt de verwerende partij allerminst toe om slechts een selectie van de desbetreffende stukken mee te delen. Te dezen blijkt evenwel dat de nota van de verwerende partij en het administratief dossier, waarvan het verslag van niet-gunning deel uitmaakt, reeds geruime tijd bij de Raad van State ter inzage waren van de verzoekende partij. De grief wordt voor het eerst geformuleerd ter terechtzitting. Alleen al wegens het niet tijdig inroepen van de grief, is er geen reden om in de huidige stand van het geding een aanvulling van dat dossier met het door de verzoekende partij aangewezen stuk te bevelen. Hierna zal ook blijken dat het onderzoek van het door de verzoekende partij aangevoerde middel op het eerste gezicht kan gebeuren aan de hand van de stukken van het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier. XII-9458-7/16 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  11. In het enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 44, § 1, 76, § 1, derde lid en vierde lid, 2°, en 76, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 en het (materieel) motiveringsbeginsel, “Doordat verwerende partij de offerte van verzoekster nietig heeft verklaard omdat ze niet zou zijn ondertekend door het orgaan bevoegd om de vennootschap extern te vertegenwoordigen En doordat verwerende partij beslist heeft tot niet-gunning wegens onvoldoende budgetten in 2024, zonder rekening te houden met de offerte van verzoekster Terwijl de offerte van verzoekster werd ondertekend door haar gedelegeerd bestuurder aan wie krachtens de statuten de vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt op het vlak van dagelijks bestuur En terwijl het deelnemen aan overheidsopdrachten tot het dagelijks bestuur behoort, zowel in abstracto voor elke vennootschap op basis van het wetboek van vennootschappen en verenigingen, als in concreto voor verzoekster die regelmatig deelneemt aan overheidsopdrachten; En terwijl een beslissing over al dan niet tot gunning overgaan wegens beperkt budget slechts op gemotiveerde wijze genomen kan worden voor zover rekening wordt gehouden met alle regelmatig ingediende offertes en met de erin opgenomen prijzen En terwijl de kwestieuze overheidsopdracht een meerjarige raamovereenkomst betrof die niet enkel betrekking had op het jaar 2024 en op de in dat jaar beschikbare budgetten.” XII-9458-8/16 In wat als een eerste onderdeel van het middel kan worden beschouwd, betoogt de verzoekende partij dat haar offerte wel degelijk rechtsgeldig ondertekend werd, omdat ze ondertekend werd door de gedelegeerd bestuurder, die krachtens artikel 22 van haar gecoördineerde statuten met het dagelijks bestuur werd belast. Zij stelt dat de Raad van State in zijn rechtspraak reeds heeft aanvaard dat ten gevolge van de invoering van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen zich een nieuwe invulling van het begrip “dagelijks bestuur” lijkt op te dringen, zodat er niet zomaar van kan worden uitgegaan dat het ondertekenen van een overheidsopdracht niet zou vallen onder de bevoegdheid van de organen die belast zijn met het dagelijks bestuur. Wat de eigen situatie van de verzoekende partij betreft, wijst zij erop dat zij regelmatig deelneemt aan overheidsopdrachten, dit zowel via de elektronische platformen die de federale overheid beheert als rechtstreeks via de contactgegevens van de respectieve aanbestedende overheden. Het deelnemen aan overheidsopdrachten behoort volgens haar dan ook tot het dagelijks bestuur, zowel in abstracto voor elke vennootschap op basis van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, als in concreto voor de verzoekende partij die regelmatig deelneemt aan overheidsopdrachten. Om die reden steunt de bestreden beslissing, waarbij haar offerte nietig werd verklaard, volgens de verzoekende partij op een niet-aanvaardbaar motief. In wat als een tweede onderdeel van het middel kan worden beschouwd, voert de verzoekende partij in de eerste plaats aan dat ook de tweede bestreden beslissing tot niet-gunning van de opdracht gebrekkig gemotiveerd is, want ten onrechte genomen vanuit de overtuiging dat er slechts één geldige offerte voorlag, waarbij de verzoekende partij ervan uitgaat dat deze hogere prijzen bevatte. Zij betoogt dat de Raad van State niet in de plaats van de verwerende partij kan bepalen wat de beslissing zou zijn geweest indien de correcte gegevens voorlagen op het moment van het nemen van de beslissing om al dan niet te gunnen. Daarnaast betoogt de verzoekende partij dat de enkele verwijzing naar het ontbreken van voldoende budgetten in 2024 de tweede bestreden beslissing tot niet-gunning van de opdracht niet kan schragen. Aangezien het gaat om een meerjarige raamovereenkomst, kan de verwijzing naar ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.813 XII-9458-9/16 de budgettaire beperkingen voor één specifiek jaar de beslissing niet rechtvaardigen. Het feit dat er in 2024 mogelijk geen bestellingen geplaatst kunnen worden, ondermijnt volgens haar niet de haalbaarheid van het sluiten van een raamovereenkomst, vooral gezien het meerjarige karakter ervan en de mogelijkheid dat er in andere jaren wel voldoende budget beschikbaar is. Zij wijst er daarbij op dat het bestek (lees: de aankondiging) als geraamde waarde 752.000 euro vermeldt, maar daarnaast ook 6.016.000 euro als maximumwaarde van de raamovereenkomst. Dat laatste wijst volgens de verzoekende partij op een mogelijke looptijd van acht jaar. Dit bevestigt volgens de verzoekende partij dat het budget voor 2024 niet als een doorslaggevend of zelfs uniek motief kan dienen voor het niet gunnen van de opdracht. Beoordeling Tweede onderdeel
  12. De tweede bestreden beslissing is een beslissing om af te zien van het gunnen van de opdracht, in essentie omdat volgens de verwerende partij de federale politie “[i]n 2024 […] niet langer over voldoende budgetten [zal] beschikken om dit dossier te sluiten”. Overeenkomstig artikel 85 van de wet overheidsopdrachten 2016 houdt het opstarten van een gunningsprocedure geen verplichting in tot het gunnen of het sluiten van de opdracht. De aanbestedende overheid kan zowel afzien van het gunnen of het sluiten van de opdracht als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze. De plaatsing van een overheidsopdracht strekt ertoe te voldoen aan de behoeften van de aanbestedende overheid. De aanbestedende overheid beschikt in principe dan ook over een beoordelingsruimte bij het nemen van een beslissing om een opdracht al dan niet te gunnen en om de plaatsingsprocedure al dan niet stop te zetten. Wel mag zij daarbij niet willekeurig te werk gaan en moet die beslissing steunen op deugdelijke motieven die de beslissing kunnen dragen. XII-9458-10/16
  13. In zoverre de verzoekende partij betoogt dat de tweede bestreden beslissing tot niet-gunning van de opdracht gebrekkig gemotiveerd is, want ten onrechte genomen vanuit de overtuiging dat er slechts één geldige offerte voorlag met hogere prijzen dan die welke zij in haar offerte heeft gehanteerd, lijkt zij niet te kunnen worden bijgevallen. In de gemotiveerde beslissing wordt onder punt 3 ‘Algemeen besluit’ op het eerste gezicht slechts als enkele reden om de opdracht niet te gunnen, vermeld dat “[i]n 2024 […] de federale politie niet langer over voldoende budgetten [zal] beschikken om dit dossier te sluiten”. Dit motief vindt op het eerste gezicht ook bevestiging in het verslag van niet-gunning waar, na een overzicht van de raming, wat de loten 1 tot 8 betreft, wordt opgemerkt dat de federale politie in 2024 niet meer over voldoende budget beschikt om de opdracht te gunnen, om welke reden de voorliggende raamovereenkomst het voorwerp uitmaakt van een niet-gunning van de opdracht. Anders dan de verzoekende partij het ziet, blijkt aldus op het eerste gezicht niet dat de verwerende partij het budget ontoereikend zou hebben bevonden in het licht van het bedrag van de enige overblijvende offerte. Dat daarnaast in de gemotiveerde beslissing en het verslag van niet-gunning onder een afzonderlijk punt, dat betrekking heeft op de analyse van de offertes, ook de onregelmatigheid van de offerte van één van beide inschrijvers, meer bepaald die van de verzoekende partij, wordt vastgesteld, is op het eerste gezicht niet van aard om anders te oordelen. Ook de veronderstelling van de verzoekende partij dat, ingevolge de onregelmatigverklaring van haar offerte, enkel nog een offerte zou voorliggen met hogere prijzen dan die welke zij in haar offerte heeft gehanteerd, vindt op het eerste gezicht geen bevestiging in de stukken van het administratief dossier.
  14. Het financieel niet langer haalbaar zijn van een project of andere budgettaire problemen bij de aanbestedende overheid kunnen in beginsel een geldig motief vormen om een plaatsingsprocedure stop te zetten. XII-9458-11/16 Te dezen lijkt het financiële motief in de gemotiveerde beslissing dat de federale politie in 2024 niet langer over voldoende budgetten zal beschikken om de opdracht te gunnen, op het eerste gezicht de beslissing om af te zien van het gunnen van de opdracht op deugdelijke wijze te schragen. Dit motief vindt ook bevestiging in het verslag van niet-gunning.
  15. De omstandigheid dat de verwerende partij daarbij enkel verwijst naar het budget voor 2024 lijkt niet van aard om anders te oordelen. In de mate dat de verzoekende partij betoogt dat het feit dat er in 2024 geen bestellingen kunnen worden geplaatst, het sluiten van een raamovereenkomst “niet ipso facto onmogelijk” maakt, lijkt zij voorbij te gaan aan de beoordelingsruimte waarover een aanbestedende overheid beschikt bij het nemen van een beslissing om een opdracht al dan niet te gunnen, met toepassing van artikel 85 van de wet overheidsopdrachten 2016, een bepaling die in het bestek ook uitdrukkelijk in herinnering werd gebracht. Zoals blijkt uit het bestek heeft de opdracht betrekking op een raamovereenkomst voor vier jaar, en niet acht jaar zoals de verzoekende partij suggereert. Op het eerste gezicht lijkt in het licht van de stukken van het administratief dossier met de verwerende partij aangenomen te kunnen worden dat de vermelding van de maximumwaarde voor de raamovereenkomst van 6.016.000 euro in de aankondiging, waarop de verzoekende partij haar argumentatie steunt, een materiële vergissing betreft, nu de geraamde waarde van 752.000 euro per perceel wordt herhaald en blijkbaar automatisch werd opgeteld tot 6.016.000 euro. Met de verwerende partij kan voorts worden vastgesteld dat uit de tabel, bij wijze van inlichting weergegeven onder punt 3.e van het bestek, inzake de geschatte en maximale hoeveelheden voor de duur van de opdracht, blijkt dat het zwaartepunt van de opdracht zich eigenlijk in de eerste twee jaren bevindt. Een gebrek aan voldoende budgetten in 2024 lijkt de uitvoering van de raamovereenkomst dan ook ernstig te hypothekeren. XII-9458-12/16 Op het eerste gezicht gaat het de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten dat een aanbestedende overheid, die vaststelt dat zij niet langer beschikt over het vereiste budget, de lopende plaatsingsprocedure stopzet en verkiest om pas later een nieuwe plaatsingsprocedure op te starten en een raamovereenkomst te sluiten wanneer zij beschikt over het vereiste budget.
  16. Het tweede onderdeel van het enig middel is niet ernstig. Eerste onderdeel
  17. De verwerende partij werpt een exceptie van gebrek aan belang bij het eerste onderdeel van het enig middel op in de mate dat het tweede onderdeel niet ernstig zou worden bevonden. Indien geoordeeld wordt dat de beslissing tot stopzetting van de overheidsopdracht regelmatig was en niet dient te worden geschorst, is het volgens haar irrelevant of de offerte van de verzoekende partij al dan niet rechtsgeldig ondertekend was. Zelfs in geval van een regelmatige offerte van de verzoekende partij, zou zij immers geen aanspraak kunnen maken op gunning van de opdracht. In zoverre de verzoekende partij in haar verzoekschrift betoogt dat zij toch belang zou hebben bij haar kritiek aangevoerd in het eerste middelonderdeel omdat de verwerende partij zou “kunnen opteren om op een later tijdstip een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking op te starten met [de andere inschrijver], [met] toepassing van artikel 42, §1, c van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten”, repliceert de verwerende partij dat er te dezen geen sprake is van ongeschikte offertes. Zodoende dient zich niet de situatie aan dat, op basis van de voormelde bepaling, zij in de toekomst een nieuwe opdracht via een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking zou kunnen gunnen.
  18. Uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel is gebleken dat het motief, dat de federale politie “[i]n 2024 […] niet langer over voldoende budgetten [zal] beschikken”, om de plaatsingsprocedure stop te zetten, op zichzelf genomen, een deugdelijk en draagkrachtig motief betreft. XII-9458-13/16 Gelet op deze vaststelling heeft de verzoekende partij op het eerste gezicht geen belang meer bij het eerste onderdeel van het middel waarin zij kritiek uit op het nietig verklaren van haar offerte op grond van het motief dat haar offerte niet rechtsgeldig zou zijn ondertekend. De stopzetting van de plaatsingsprocedure heeft immers tot gevolg dat de opdracht aan geen enkele inschrijver kan worden gegund. De verzoekende partij lijkt dan ook geen voordeel te kunnen halen uit het eerste onderdeel van het middel.
  19. De verzoekende partij wijst er nog op dat haar belang zich ook situeert op het vlak van toekomstige beslissingen inzake de leveringen bedoeld in de voorliggende opdracht en de eventuele toepassing door de verwerende partij van de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking op grond van artikel 42, § 1, eerste lid, 1°, c, van de wet overheidsopdrachten
  20. Daargelaten de vraag of de verzoekende partij aldus slechts doet blijken van een hypothetisch belang, valt op te merken dat deze bepaling voorziet in de mogelijkheid om toepassing te maken van de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking doch, indien mogelijk, na raadpleging van meerdere ondernemers indien “geen of geen geschikte aanvraag tot deelneming of offerte werd ingediend ingevolge een openbare of niet-openbare procedure, mits de oorspronkelijke voorwaarden van de opdracht niet wezenlijk worden gewijzigd”. Luidens diezelfde bepaling wordt een offerte ongeschikt bevonden “als zij niet relevant is voor de opdracht, omdat zij, zonder wezenlijke wijzigingen, kennelijk niet voorziet in de in de opdrachtdocumenten omschreven behoeften en eisen van de aanbestedende overheid”. Met de verwerende partij wordt op het eerste gezicht vastgesteld dat te dezen geen geval blijkt voor te liggen waarin geen geschikte offertes werden ingediend zodat geen toepassing lijkt te kunnen worden gemaakt van de voormelde bepaling. Voor zover de verzoekende partij haar belang ter terechtzitting nog op een meer algemene wijze situeert in het belang om te weten op welke wijze ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.813 XII-9458-14/16 zij op rechtsgeldige wijze een offerte kan ondertekenen met het oog op de eventuele deelname aan toekomstige overheidsopdrachten, betreft het een onvoldoende rechtstreeks belang. Overigens behoort het niet tot de taak van de rechter om advies te geven over rechtsvragen die in de toekomst kunnen rijzen, noch over de wijze waarop eventuele problemen in de toekomst vermeden kunnen worden.
  21. De exceptie is gegrond. Aangezien het tweede onderdeel van het middel niet ernstig werd bevonden, lijkt de verzoekende partij geen belang te hebben bij het eerste onderdeel van haar middel. VII. Besluit
  22. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt de vordering.
  24. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9458-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Inge Vos XII-9458-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.813 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.