← België

Arrest 258814 - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) - 13/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.814 Rolnummer: A. 240994/XII-9459 Zaak: Arrest 258814 - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) - 13/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-15 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-17 12:45 Fiche Arrest nr 258.814 van 13 februari 2024 Overheidsopdrachten en openbare werken - Varia (overheidsopdrachten en openbare werken) Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 258.814 van 13 februari 2024 in de zaak A. 240.994/XII-9459 In zake: de NV PROFICE FURNITURE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valère Vereecke kantoor houdend te 2000 Antwerpen Cockerillkaai 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV KINNARPS (BELGIUM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Mosselmans, Stef Feyen en Mathijs Van Haver kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 januari 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de provincie West-Vlaanderen van 21 december 2023 waarbij de opdracht ‘Leveren en plaatsen van phone booths en werknissen via raamovereenkomst’ wordt gegund aan de nv Kinnarps (Belgium), en de impliciete beslissing om de opdracht niet aan de nv Profice Furniture te gunnen. XII-9459-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 1 februari 2024 heeft de nv Kinnarps (Belgium) gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari
  3. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Charlotte Persoons, die loco advocaat Valère Vereecke verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Joost Hoste, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Mathijs Van Haver, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De provincie West-Vlaanderen schrijft een overheidsopdracht uit voor leveringen voor het “Leveren en plaatsen van phone booths en werknissen via raamovereenkomst”. Er wordt geopteerd voor een openbare procedure. De opdracht wordt nationaal bekendgemaakt. XII-9459-2/15 3.
  6. Onder punt I.10 van het bestek wordt bepaald dat er vier gunningscriteria zijn: de prijs (40 punten), de testresultaten (20 punten), de duurzaamheid en de circulariteit (35 punten) en de leveringstermijn (5 punten). In verband met de leveringstermijn wordt onder punt II.5 van het bestek, ‘Looptijd en leveringstermijn’, onder meer het volgende bepaald: “De leverancier geeft in zijn inschrijving de termijn in kalenderdagen op binnen welke hij elke bestelling kan leveren. Deze termijn vangt aan de dag volgend op de dag van de bestelling. Elke bestelling zal voorwerp uitmaken van een e-mail en de datum van de verzending geldt als bewijs. Kan deze leveringstermijn niet gehaald worden, dan dient de inschrijver de aanbestedende overheid hiervan tijdig te verwittigen. Er wordt dan maximaal 14 kalenderdagen uitstel verleend, met afspraak van de nieuwe leveringsdatum. Als einde van de uitvoeringstermijn geldt de dag dat de levering van elke bestelling volledig is gebeurd. Voor elke vertraging, die niet voorafgaandelijk werd gemeld, kan per kalenderdag een boete toegepast worden (het koninklijk besluit van 15/07/2014 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels). Het bedrag van de boete wordt afgehouden van de eerstvolgende deelfactuur.” Onder het voornoemde punt I.10 wordt in verband met de beoordeling van de offertes op het gunningscriterium ‘Leveringstermijn’ het volgende bepaald: “Voor criterium 4 krijgt degene met respectievelijk de kortste leveringstermijn de meeste punten. De anderen krijgen punten in verhouding tot de eerste volgens de regel van 3.” 3.
  7. Op 14 november 2023 worden de offertes geopend. Er blijken vijf offertes te zijn ingediend, onder meer door de verzoekende partij en de tussenkomende partij. In de offerte van de verzoekende partij wordt, wat de leveringstermijn betreft, het volgende vermeld: XII-9459-3/15 “Onze leveringstermijn bedraagt 42 kalenderdagen. De periodes van jaarlijkse feestdagen en vakantiesluitingen van de fabriek kunnen deze termijn verlengen.” 3.
  8. Op 17 november 2023 wordt een verslag van nazicht van de offertes opgesteld. De vijf inschrijvers worden geselecteerd, en de vijf offertes worden zonder opmerkingen regelmatig bevonden. De offertes van de verzoekende partij en de tussenkomende partij krijgen bij de toetsing aan de gunningscriteria de volgende scores: Naam Prijs Test-resultaten Duurzaamheid - Leverings-termijn Totaal circulariteit bv Profice 39,7 17 29 0 85,7 Furniture nv Kinnarps 39,8 17 30 5 91,8 (Belgium) De beoordeling van de vijf offertes op het gunningscriterium ‘Leveringstermijn’ is als volgt: bv Profice Furniture Leveringstermijn wordt vastgelegd op 42 0 kalenderdagen (6 weken) (verlenging met jaarlijkse feestdagen en vakantiesluitingen fabriek(en)). Deze formulering laat ons niet toe om een correcte beoordeling te maken van dit gunningscriterium. A. Leveringstermijn wordt vastgelegd op 11 3,6 weken. B. In geen enkel document is een leveringstermijn 0 vermeld. C. De leveringstermijn bedraagt 10 weken. 4 nv Kinnarps (Belgium) De leveringstermijn bedraagt 56 kalenderdagen 5 (8 weken). In de eindrangschikking staat de offerte van de tussenkomende partij met 91,8 op 100 punten op de eerste plaats, en die van de verzoekende partij met 85,7 op 100 punten op de vierde plaats. XII-9459-4/15 Er wordt dan ook voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de tussenkomende partij. 3.
  9. Op 21 december 2023 beslist de deputatie van de provincie West-Vlaanderen om de opdracht te gunnen aan de tussenkomende partij en om ze niet te gunnen aan de andere inschrijvers. Dit is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
  10. De nv Kinnarps (Belgium) blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  11. De tussenkomende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het ontbreken van belang. Zij voert in essentie aan dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat haar offerte na een herbeoordeling op het gunningscriterium ‘Leveringstermijn’ alsnog als eerste kan worden gerangschikt.
  12. Deze exceptie valt op het eerste gezicht samen met de grond van de zaak en dus met het onderzoek van het ernstig karakter van het door de verzoekende partij aangevoerde enig middel. De exceptie lijkt in elk geval niet een dermate hoge graad van ernst te vertonen dat zij in de huidige stand van het geding reeds tot de algehele onontvankelijkheid van de vordering zou kunnen leiden. XII-9459-5/15 Met dien verstande dat de opwerping van de tussenkomende partij in voorkomend geval nog aan bod kan komen bij het onderzoek van het enig middel, is de exceptie niet ernstig. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VII. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti, “Doordat verwerende partij een 0 score werd toegekend voor het gunningscriterium 4 ‘Leveringstermijn’; Doordat verwerende partij onterecht meende dat ‘de formulering van de offerte verwerende partij niet toeliet om een correcte beoordeling te maken van het gunningscriterium 4 “Leveringstermijn”’; Terwijl in het bestek duidelijk is bepaald dat de kortste leveringstermijn de maximale score voor gunningscriterium 4 ‘Leveringstermijn’ moet krijgen en verzoekende partij ook de kortste leveringstermijn heeft opgenomen in haar offerte; Terwijl op grond van het transparantie- en zorgvuldigheidsbeginsel de aanbestedende overheid moet kunnen aantonen dat zij de offertes heeft beoordeeld op een zorgvuldige, deskundige en objectieve wijze in het licht van de vooropgestelde gunningscriteria en de motivering daarvan XII-9459-6/15 bovendien moet steunen op een zorgvuldig onderzoek van de offertes; Terwijl de materiële motiveringsplicht vereist dat iedere bestuurshandeling gedragen wordt door een afdoende en correcte motivering met motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn; Zodat er bij gebreke aan afdoende motivering en transparantie geen enkele zekerheid bestaat dat de raamovereenkomst op correcte wijze werd gegund aan de meest voordelige regelmatige inschrijver; En zodat de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt.” In de toelichting bij het middel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij ten onrechte laat uitschijnen dat zij een voorbehoud heeft gemaakt bij haar offerte. In haar offerte heeft zij enkel benadrukt dat de periodes van jaarlijkse feestdagen en sluiting van de fabrieken de termijn kunnen verlengen. Haar offerte wijkt niet af van punt II.5 van het bestek, maar houdt enkel een verduidelijking in, die in feite een “vanzelfsprekendheid” is die eveneens geldt voor de overige inschrijvers. Haar verbintenis wordt daardoor niet onbestaande, onvolledig of onzeker. De beslissing, die aldus steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan niet naar behoren is bewezen, schendt de materiële motiveringsplicht. Overigens heeft de verwerende partij blijkens het verslag van nazicht zelf bevestigd dat de offerte van de verzoekende partij regelmatig is. In het licht van artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), kan hieruit a contrario worden afgeleid dat haar offerte volgens de verwerende partij wel vergelijkbaar is met de offertes van de andere inschrijvers en dat de beoordeling van haar offerte niet wordt verhinderd. De verzoekende partij verwijst in dit verband ook naar artikel 116 van het koninklijk besluit van van 14 januari 2013 ‘tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten’ (hierna: koninklijk besluit uitvoering), “waarvan niet werd afgeweken in het bestek en dat stelt dat feestdagen niet worden meegerekend bij de leveringstermijn”. XII-9459-7/15 Zij wijst er voorts op dat het te dezen gaat om een raamovereenkomst, waardoor het voor een inschrijver onmogelijk is om de concrete datum van de concrete bestellingen te kennen en hij dus onmogelijk een leveringstermijn kan bepalen waarbij al rekening is gehouden met feestdagen en sluitingsdagen van de fabrieken. De verzoekende partij voert ook aan dat de verwerende partij, in geval van twijfel over de draagwijdte van de vermelding in haar offerte, haar een vraag om verduidelijking had kunnen stellen, met toepassing van artikel 66, § 3, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016). Zij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Daardoor is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De verzoekende partij voert ook aan dat de verwerende partij handelt in strijd met punt II.5 van het bestek, in zoverre die bepaling voorziet in een uitstel van de leveringstermijn. De opmerking van de verzoekende partij in haar offerte is niet meer dan een bevestiging van wat in het bestek is bepaald, namelijk dat in sommige gevallen een uitstel van de leveringstermijn kan worden gevraagd. In dit opzicht is volgens de verzoekende partij het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden. De verzoekende partij besluit dat, aangezien zij de kortste leveringstermijn heeft voorgesteld, haar offerte op het betrokken gunningscriterium de maximale score van 5 op 5 punten had moeten krijgen. De tussenkomende partij had dienvolgens een lagere score moeten krijgen. In de eindrangschikking zou de verzoekende partij dan als eerste gerangschikt moeten zijn (met 90,7 punten tegenover 90,55 punten voor de tussenkomende partij) , zodat de opdracht aan haar gegund had moeten worden. XII-9459-8/15 Beoordeling
  15. Uit het verslag van nazicht blijkt dat de verwerende partij de vermelding in de offerte van de verzoekende partij dat de door haar opgegeven leveringstermijn (42 kalenderdagen) verlengd kan worden door de periodes van jaarlijkse feestdagen en vakantiesluitingen van de fabriek, heeft beschouwd als een formulering die het haar niet mogelijk maakt “om een correcte beoordeling te maken van [het gunningscriterium ‘Leveringstermijn’]”. Om die reden is aan de offerte van de verzoekende partij op dit gunningscriterium een score van 0 op 5 punten gegeven. De tussenkomende partij voert aan dat de offerte van de verzoekende partij met toepassing van artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 substantieel onregelmatig verklaard had moeten worden. Volgens haar heeft de verzoekende partij met de voornoemde vermelding een verboden voorbehoud bij haar offerte gemaakt, en in elk geval de beoordeling van haar offerte of de vergelijking ervan met de andere offertes verhinderd. De Raad van State stelt evenwel vast dat in het verslag van nazicht niet wordt besloten tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij. Daaruit lijkt afgeleid te moeten worden dat de verwerende partij van oordeel was dat het hoogstens een niet-substantiële onregelmatigheid betrof, die niet leidde tot het weren van de hele offerte uit de plaatsingsprocedure. Het is enkel bij de toetsing van de offertes aan het gunningscriterium ‘Leveringstermijn’ dat de verwerende partij aan de litigieuze vermelding in de offerte van de verzoekende partij een negatief gevolg hecht, in die zin dat zij oordeelt dat die vermelding een correcte beoordeling van de offerte in de weg staat en daarom aanleiding geeft tot een nulscore. Te dezen dient dan ook enkel uitgegaan te worden van het gevolg dat de verwerende partij effectief aan de litigieuze vermelding gegeven heeft, en niet van het gevolg dat die vermelding volgens de tussenkomende partij had XII-9459-9/15 moeten krijgen.
  16. Bij de beoordeling van de offertes dient een aanbestedende overheid elke offerte te vergelijken met elk van de andere offertes en tot een rangschikking van de offertes te komen rekening houdend met de voor- en nadelen van elke offerte ten opzichte van en in verhouding tot elk van de andere offertes. De aanbestedende overheid beschikt daarbij over een bepaalde beoordelingsruimte. Het is in de eerste plaats die overheid die bepaalt wat zij als sterke en zwakke punten in de offertes beschouwt, om er dienovereenkomstig punten aan toe te kennen. De Raad van State is niet bevoegd om de beoordeling van de offertes over te doen en zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van deze van de overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht mag hij desgevraagd wel nagaan of deze beoordeling berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven, of het bestuur daarbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan, en of de beoordeling met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd.
  17. De verzoekende partij voert aan dat zij met de betrokken vermelding in haar offerte enkel wilde benadrukken dat de jaarlijkse feestdagen en vakantiesluitingen van de fabriek de levertermijn kúnnen verlengen. Volgens haar gaat het om een element dat geldt voor alle inschrijvers, zodat de vergelijkbaarheid van de offertes niet in het gedrang komt. Zoals de verwerende partij en de tussenkomende partij evenwel terecht lijken op te merken, nodigde het bestek de inschrijvers uit om een precieze leveringstermijn, uitgedrukt in kalenderdagen, voor te stellen. Op het eerste gezicht kwam het aldus aan de inschrijvers toe om een termijn voor te stellen die rekening hield met het feit dat bestellingen kort vóór of tijdens vakantieperiodes geplaatst konden worden, en met eventuele vertragingen ten gevolge van feestdagen en jaarlijkse sluitingen. Doordat de verzoekende partij zich niet ertoe beperkte een welbepaalde termijn in kalenderdagen te vermelden, maar integendeel aangaf dat de vermelde termijn verlengd kon worden, gaf zij minstens XII-9459-10/15 de indruk dat zij voor bepaalde periodes een langere leveringstermijn dan 42 kalenderdagen voorzag. Op hoeveel dagen die verlengde termijn dan uitkwam, werd echter niet nader gepreciseerd. Hierbij kan overigens opgemerkt worden dat het niet duidelijk is naar welke feestdagen en sluitingsdagen de verzoekende partij verwees. Dit kunnen de relevante dagen voor haar vestiging in België zijn, maar misschien ook de dagen die gelden voor vestigingen van onderaannemers in andere landen. Dit gegeven draagt bij tot een verdere onduidelijkheid van de litigieuze vermelding. In de gegeven omstandigheden lijkt het niet onredelijk voor de verwerende partij om aan te nemen dat de verzoekende partij een onduidelijkheid had gecreëerd met betrekking tot de duur van de leveringstermijn die zij voorstelde, en daaruit af te leiden dat het niet mogelijk was om op dit punt een correcte beoordeling van haar offerte te maken.
  18. Hiertegen voert de verzoekende partij aan dat zij met de vermelding van feestdagen en sluitingsdagen impliciet verwees naar artikel 116 van het koninklijk besluit uitvoering. Volgens haar volgt uit deze bepaling dat feestdagen niet worden meegerekend bij de leveringstermijn. Dat verweer lijkt op het eerste gezicht niet overtuigend. Zoals de verwerende partij en de tussenkomende partij niet ten onrechte opmerken, berust dat argument immers op het eerste gezicht op een onvolledige lezing van die bepaling. Artikel 116, § 1, van het koninklijk besluit uitvoering luidt als volgt: “De leveringstermijn is hetzij in werkdagen hetzij in dagen, -weken of -maanden bepaald of nog van datum tot datum. Wanneer de termijn in werkdagen is gesteld, worden als zodanig niet beschouwd : 1° de zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen; XII-9459-11/15 2° de betaalde jaarlijkse vakantiedagen en de inhaalrustdagen bepaald in een koninklijk besluit of in een bij koninklijk besluit algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. Wanneer de leveringstermijn in dagen, -weken, of -maanden is vastgesteld, worden de sluitingsdagen voor de jaarlijkse vakanties in de onderneming van de leverancier niet meegeteld, tenzij de termijn een gunningscriterium van de opdracht vormde.” Te dezen voorziet punt II.5 van het bestek in een leveringstermijn die uitgedrukt moet worden in kalenderdagen. Artikel 116, § 1, derde lid, van het voornoemde besluit is dan ook van toepassing. Weliswaar wordt daarin bepaald dat, “wanneer de leveringstermijn in dagen, -weken, of -maanden is vastgesteld, […] de sluitingsdagen voor de jaarlijkse vakanties in de onderneming van de leverancier niet meegeteld [worden]”. Uit de vergelijking met het tweede lid lijkt te volgen dat zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen wel in de termijn begrepen zijn. Bovendien wordt in het derde lid uitdrukkelijk bepaald dat de daarin vervatte regel inzake sluitingsdagen voor de jaarlijkse vakanties niet geldt ingeval “de termijn een gunningscriterium van de opdracht vormde”, hetgeen te dezen het geval is (punt I.10 van het bestek). Uit een en ander lijkt dan ook te volgen dat feestdagen en sluitingsdata juist wèl begrepen zijn in de door de inschrijvers op te geven leveringstermijn (zie in die zin ook het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit uitvoering, BS, 14 februari 2013, p. 8792).
  19. De verzoekende partij voert ook aan dat de litigieuze vermelding in haar offerte niet meer is dan een bevestiging van wat in punt II.5 van het bestek is bepaald, namelijk dat een uitstel van de leveringstermijn in sommige gevallen mogelijk is. Dit is volgens haar een mogelijkheid die voor alle inschrijvers geldt. In haar offerte zou zij enkel de gevallen gepreciseerd hebben waarin een uitstel mogelijk is. Het is juist dat in punt II.5 van het bestek bepaald wordt dat, als de leveringstermijn niet gehaald kan worden, de inschrijver de verwerende partij hiervan dient te verwittigen en dat “dan maximaal 14 kalenderdagen uitstel [wordt] XII-9459-12/15 verleend, met afspraak van de nieuwe leveringsdatum”. De in die bepaling bedoelde mogelijkheid om in bepaalde gevallen een verlenging van de leveringstermijn af te spreken, lijkt op het eerste gezicht echter geen afbreuk te doen aan het in diezelfde bepaling opgenomen vereiste om in de offerte een welbepaalde leveringstermijn op te geven. Het is die leveringstermijn die in aanmerking genomen wordt voor de beoordeling van de offerte op het gunningscriterium ‘Leveringstermijn’. De eventuele verlenging van die termijn gedurende de uitvoering van de opdracht, in gevallen die als uitzonderlijk bedoeld zijn, lijkt dus geen afbreuk te doen aan het feit dat van de inschrijvers verwacht wordt dat zij een duidelijke termijn opgeven, die dan als basis kan dienen voor een eventuele verlenging in bepaalde gevallen. Overigens lijkt de mogelijkheid tot verlenging van de termijn vooral bedoeld te zijn om onvoorziene omstandigheden op te vangen die zich kunnen voordoen in de loop van de uitvoering van de raamovereenkomst. Jaarlijkse feestdagen en sluitingen omwille van de jaarlijkse vakantie lijken echter voorzienbare omstandigheden te zijn. Dit lijkt een argument te meer te zijn om te betwijfelen of de litigieuze vermelding in de offerte van de verzoekende partij wel ingepast kan worden in punt II.5 van het bestek.
  20. De verzoekende partij voert ten slotte aan dat de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld heeft door geen gebruik te maken van de mogelijkheid, voorzien in artikel 66, § 3, van de wet overheidsopdrachten 2016, om haar om een verduidelijking van haar offerte te vragen. De verzoekende partij betwist niet dat de aanbestedende overheid in beginsel niet verplicht is om gebruik te maken van de mogelijkheid die haar bij de voornoemde bepaling is gegeven. Wanneer, zoals te dezen, van deze bepaling geen gebruik is gemaakt, mag de Raad van State, desgevraagd, onder meer nagaan of de XII-9459-13/15 aanbestedende overheid niet onzorgvuldig gehandeld heeft door geen verduidelijking te vragen. Te dezen was de betrokken bestekbepaling duidelijk, en was de door de verzoekende partij opgegeven leveringstermijn niet eenduidig. Dit gegeven volstond op het eerste gezicht voor de verwerende partij om te kunnen concluderen dat het niet mogelijk was om op dit punt een correcte beoordeling van de offerte van de verzoekende partij te maken (zie overweging 11, hiervoor). Nu die vaststelling een gevolg was van de wijze waarop de verzoekende partij zelf haar offerte had opgesteld, lijkt aan de verwerende partij niet verweten te kunnen worden dat zij meteen tot haar conclusie is gekomen, zonder vooraf nog uitleg aan de verzoekende partij te vragen.
  21. Gelet op het voorgaande, is er op het eerste gezicht geen grond om te besluiten tot een schending van de door de verzoekende partij ingeroepen beginselen van zorgvuldigheid, transparantie en patere legem quam ipse fecisti. Evenmin blijkt de materiële motiveringsplicht te dezen te zijn geschonden: de bestreden beslissing berust op het eerste gezicht op afdoende draagkrachtige motieven, die steun vinden in het administratief dossier. Het enig middel is niet ernstig. VIII. Besluit
  22. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  23. Het verzoek van de nv Kinnarps (Belgium) tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  24. De Raad van State verwerpt de vordering. XII-9459-14/15
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9459-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.